Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-12-14
ECLI:NL:RBDHA:2023:20094
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,696 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.37578
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , eiser,
V-nummer: [V-nr.]
(gemachtigde: mr. H.G.A.M. Halfers),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
(gemachtigde: S. Soerdjpal).
Procesverloop
Verweerder heeft op 19 juni 2023 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapport overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
Verweerder heeft op 27 november 2023 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en op 8 december 2023 het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Nigeriaanse nationaliteit te hebben.
2. Op grond van artikel 96, eerste lid, van de Vw kan de rechtbank ook zonder toestemming van partijen bepalen dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft. Gelet op de inhoud van het digitale dossier en de door partijen overgelegde stukken acht de rechtbank zich voldoende voorgelicht om zonder zitting uitspraak te kunnen doen. In het verzoek van eiser om een zitting ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding voor een ander oordeel.
3. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
4. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring en het voortduren daarvan al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats volgt dat de maatregel van bewaring en het voortduren daarvan tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraken ten grondslag heeft gelegen rechtmatig was. Daarom staat nu, voor zover dat in beroep wordt aangevochten, ter beoordeling of sinds 2 november 2023 het voortduren van de maatregel van bewaring tot aan de opheffing daarvan rechtmatig is.
5. De rechtbank merkt allereerst ambtshalve het volgende op. Het beroepschrift is op 30 november 2023 ingediend. Ingevolge artikel 96, eerste lid, van de Vw sluit de rechtbank het vooronderzoek binnen een week na ontvangst van het beroepschrift. Dit betekent dat de rechtbank in dit geval het vooronderzoek uiterlijk op 7 november 2023 had moeten sluiten. Het vooronderzoek is echter op 8 november 2023 gesloten. Gelet hierop is de termijn van artikel 96, eerste lid, van de Vw overschreden.
6. De overschrijding van de termijn van artikel 96, eerste lid, van de Vw is in dit geval geheel aan de rechtbank toe te rekenen. Niettemin is sprake van een voortvarende beslissing als bedoeld in artikel 5, vierde lid, van het EVRM, omdat de rechtbank uitgaat van een periode van 21 dagen tussen het instellen van het beroep en de uitspraak bij een zaak van geringe complexiteit. Aangezien deze termijn niet is overschreden ziet de rechtbank geen aanleiding om het voortduren van de maatregel van bewaring reeds hierom onrechtmatig te achten. De rechtbank neemt hierbij verder in aanmerking dat zij uitspraak doet op het vervolgberoep binnen een week nadat zij het vooronderzoek op grond van artikel 96, eerste lid, van de Vw had moeten sluiten. Dit betekent dat eiser als gevolg van de termijnoverschrijding niet in zijn belangen is geschaad.
7. Eiser voert – zo begrijpt de rechtbank – aan dat de duur van de maatregel van bewaring en de voortduring daarvan tot aan de opheffing onredelijk lang was. Eiser verzoekt verder de bij de opheffing behorende minuut, zodat gecontroleerd kan worden of de maatregel van bewaring is opgeheven vanwege het ontbreken van zicht op uitzetting naar Nigeria.
8. Anders dan eiser stelt, is de rechtbank van oordeel dat de duur van de maatregel van bewaring en de voortduring daarvan niet onredelijk lang. De rechtbank heeft in haar eerdere uitspraken, die zijn opgenomen in rechtsoverweging 4 van deze uitspraak, overwogen dat de langere duur van de maatregel van bewaring voor rekening en risico van eiser komt, omdat hij niet meewerkte aan zijn uitzetting. Dit blijkt ook uit het meeste recente vertrekgesprek van 22 november 2023. Eiser heeft ook daarin verklaard nergens aan mee te werken wat met zijn vertrek te maken heeft. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen.
9. Verder is de rechtbank van oordeel dat de minuut een niet op de zaak betrekking hebbend stuk als bedoeld in artikel 8:42 van de Awb. Verder blijkt uit het voortgangsrapport dat de bewaring is opgeven naar aanleiding van een belangenafweging die in het voordeel van eiser is uitgevallen. Hierin is ook beschreven waar die belangenafweging uit bestaat, zodat hieruit valt op te maken waarom de maatregel van bewaring is opgeheven.
10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond; en
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Vreemdelingenwet 2000.
Rb Den Haag (zittingsplaats Middelburg) 4 juli 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:9981, 24 juli 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:11090, 22 augustus 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:12756, 19 september 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:14318 en 8 november 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:17228.
EHRM 9 januari 2003, (JV 2003/129) (arrest Kadem).
Artikel 96, tweede lid, van de Vw.
Verslag vertrekgesprek van 22 november 2023, p. 3 van 4.
Algemene wet bestuursrecht.