Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-12-19
ECLI:NL:RBDHA:2023:20092
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Vereenvoudigde behandeling
1,942 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.34142
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser 1
geboren op [geboortedatum],
[naam], eiser 2
geboren op [geboortedatum]
[naam], eiser 3
geboren [geboortedatum]
van Syrische nationaliteit,
V-nummer: [nummer], [nummer] en [nummer]
(gemachtigde: mr. J. Eliya),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris.
Inleiding
Eisers hebben op 5 januari 2023, ontvangen door de staatssecretaris op 13 januari 2023 aanvragen ingediend om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor verblijf als familie- of gezinslid bij [naam] (referent) in het kader van nareis.
Eisers hebben bij brief van 6 juli 2023 de staatssecretaris in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op hun asielaanvraag. Eiser heeft 2 vervolgens op 26 juli 2023 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
Bij uitspraak van 11 september 2023 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, het beroep met zaaknummer NL23.21491 van eiser 2 gegrond verklaard en daarbij een beslistermijn van acht weken opgelegd.
Bij brief van 27 september 2023 hebben eisers de staatssecretaris wederom in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op hun asielaanvraag. Eisers hebben vervolgens op 28 oktober 2023 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
De staatssecretaris heeft geen verweerschrift ingediend.
Overwegingen
1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in deze zaak niet nodig is.
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.
3. Eisers hebben hun asielaanvraag ingediend op 13 januari 2023. De staatssecretaris moet binnen 90 dagen beslissen op de aanvraag. Dat staat in artikel 2u, eerste lid, van de Vreemdelingenwet. Bij de ontvangstbevestiging van 13 januari 2023 heeft de staatssecretaris eisers meegedeeld dat zij de beslissing binnen zes maanden kan verwachten, gerekend vanaf de datum van ontvangst van de aanvraag. De staatssecretaris had dus uiterlijk op 13 juli 2023 moeten beslissen. De rechtbank stelt vast dat deze termijn is verstreken, dat eisers 1 en 3 de staatssecretaris op 6 juli 2023 respectievelijk
27 september 2023 rechtsgeldig in gebreke hebben gesteld en dat sindsdien meer dan twee weken zijn verstreken.
3.1
Inzake het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag van eiser 2 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle reeds op 11 september 2023 uitspraak gedaan en een beslistermijn van 8 weken opgelegd. Deze beslistermijn was op 27 september 2023 nog niet verstreken. De ingebrekestelling van die datum is dan ook prematuur ingediend en het beroep van eiser 2 dient dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard.
4. Omdat de staatssecretaris nog geen (nieuw) besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat de staatssecretaris dit voor eisers 1 en 3 alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet de staatssecretaris dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven. De staatssecretaris heeft geen verweerschrift ingediend en heeft dan ook geen bijzondere omstandigheden naar voren gebracht. Uit de uitspraak van de Afdeling van 8 juli 2020 volgt dat bij het bepalen van de lengte van de nadere termijn de zorgvuldigheid van de besluitvorming zwaar weegt. De rechter mag geen termijn stellen waarvan op voorhand vaststaat dat het bestuursorgaan die niet kan halen zonder onzorgvuldig te werk te gaan. De rechtbank is bekend met de grote achterstanden bij het beslissen op nareisaanvragen en bezwaarschriften in nareisprocedures bij de staatssecretaris. Daarom zal de rechtbank bepalen dat de staatssecretaris binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit bekend dient te maken op de aanvraag van eisers 1 en 3.
5. De rechtbank bepaalt dat de staatssecretaris een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door de staatssecretaris. Daarbij geldt wel een maximum van € 7.500,-.
6. Op verzoek stelt de rechtbank de hoogte vast van de bestuurlijke dwangsom die de staatssecretaris op grond van afdeling 4.1.3 van de Awb verschuldigd is. Eisers 1 en 3 hebben verzocht deze dwangsom vast te stellen. Omdat meer dan 42 dagen zijn verstreken na de dag als bedoeld in artikel 4:17 van de Awb, stelt de rechtbank de verbeurde dwangsom vast op € 1.442,-.
7. Het beroep inzake eiser 1 en 3 is kennelijk gegrond.
8. De rechtbank wijst erop dat eisers wegens betalingsonmacht zijn vrijgesteld van het betalen van griffierecht, zodat de staatssecretaris niet op grond van artikel 8:74 van de Awb griffierecht hoeft te vergoeden.
9. Omdat het beroep gegrond is, krijgen eisers 1 en 3 een vergoeding voor de proceskosten die zij hebben gemaakt. De staatssecretaris moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op voor het indienen van het beroepschrift met een waarde van € 837,-, bij een wegingsfactor 0,5. Toegekend wordt € 418,50.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep van eiser 1 en 3 gegrond;
- verklaart het beroep van eiser 2 niet-ontvankelijk;
- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit van eiser
1 en 3;
- draagt de staatssecretaris op binnen acht weken na de dag van bekendmaking van deze
uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag van eiser 1 en 3 bekend te maken;
- bepaalt dat de staatssecretaris aan eisers 1 en 3 een dwangsom van € 100,- moet betalen
Voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een
maximum van € 7.500,-;
- stelt de door de staatssecretaris te betalen dwangsom vast op € 1.442,-voor eiser 1 en 3;
- veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van eisers 1 en 3 tot een bedrag van
€ 418,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, rechter, in aanwezigheid van A.J. Kinds, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.