Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-12-18
ECLI:NL:RBDHA:2023:20073
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,460 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.26532
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], V-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. D. van Elp),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. A.N. Sap).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van verweerder van 29 augustus 2023, waarbij verweerder aan eiser heeft medegedeeld dat zijn recht op tijdelijke bescherming, als bedoeld in Richtlijn 2001/55/EG (de Richtlijn) en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 (het Uitvoeringsbesluit), eindigt op 4 september 2023. Daarnaast heeft verweerder eiser opgedragen om Nederland binnen een termijn van vier weken te verlaten en terug te keren naar India.
1.1.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening (zaaknummer NL23.26533) op 21 november 2023 op zitting behandeld. Aan de zitting hebben deelgenomen: de gemachtigden van eiser en verweerder. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt de beëindiging van de tijdelijke bescherming van eiser aan de hand van zijn beroepsgronden.
2.1.
Niet in geschil is dat eiser beschikt over een tijdelijke verblijfsvergunning Oekraïne dat geldig was van 20 september 2021 tot 30 juli 2022.
3. Naar het oordeel van de rechtbank kan het bestreden besluit in stand blijven. Daartoe overweegt zij als volgt.
Bevoegdheid van verweerder en het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel
4.1.
Bij uitspraak van 30 oktober 2023 heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats geoordeeld dat verweerder bevoegd is de tijdelijke bescherming voor de groep die is aangeduid als de facultatieve groep, waaronder eiser valt, te beëindigen. Ook is in die uitspraak geoordeeld dat de beëindiging niet in strijd is met het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel.
4.2.
De rechtbank stelt vast dat een deel van de beroepsgronden van eiser eveneens betrekking hebben op de bevoegdheid van verweerder, het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel. Deze beroepsgronden slagen niet. De rechtbank ziet in wat eiser naar voren heeft gebracht, geen aanleiding om anders te oordelen dan in de bovengenoemde uitspraak van 30 oktober 2023 en maakt de dragende overwegingen in die uitspraak tot de hare. De verwijzingen naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond (ECLI:NL:RBDHA:2023:12916) en de annotatie van mr. dr. C.A.F.M. Grütters bij de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam van 9 augustus 2023 (ECLI:NL:RBDHA:2023:11897) leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. De rechtbank volgt in de zaak van eiser de lijn die deze rechtbank en zittingsplaats in haar uitspraak van 30 oktober 2023 heeft uitgezet, waarin een andere lezing van het TB-arrest, de Richtlijn en het Uitvoeringsbesluit is gemotiveerd. Eiser heeft zijn stellingen dat verweerder zijn tijdelijke bescherming met terugwerkende kracht heeft gewijzigd en dat sprake was van een ondubbelzinnige toezegging dat hij in Nederland kon verblijven zolang de oorlog in Oekraïne woedt, niet aannemelijk gemaakt. Het beroep op het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel faalt om die reden.
Evenredigheidsbeginsel
5.1.
Eiser heeft betoogd dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij geen toepassing meer geeft aan de facultatieve bepaling en dat het bestreden besluit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Eiser heeft gesteld dat hij hier is gevestigd, dat hij een woning en werk heeft en vrienden en kennissen heeft opgebouwd. Terugkeer naar India is voor hem een verlies aan toekomstperspectief.
5.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet. In dit verband heeft verweerder er terecht op gewezen dat het doel van de Richtlijn is om te voorkomen dat de werking van het asielstelsel ontwricht raakt door een massale toestroom van ontheemden. De geboden bescherming is per definitie tijdelijk en moet uitmonden in terugkeer naar het land van herkomst of Oekraïne, ofwel een verblijfsprocedure in Nederland. Verweerder heeft, onder verwijzing naar de Kamerbrief van 18 juli 2022, aan de beëindiging van de facultatief geboden tijdelijke bescherming in het algemeen ten grondslag mogen leggen dat door derdelanders misbruik werd gemaakt van de tijdelijke bescherming en dat sprake is van bredere opvangproblematiek in Nederland. Door de beëindiging van de facultatief geboden tijdelijke bescherming zal de druk op de schaarse opvangcapaciteit verminderen. De beëindiging legt mogelijk druk op de asielketen, maar het ligt evenzeer voor de hand om te veronderstellen dat menig derdelander wil terugkeren naar hun land van herkomst. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder deugdelijk heeft gemotiveerd dat het bestreden besluit geschikt en noodzakelijk is om het beoogde doel te bereiken.
5.3.
Verder is de rechtbank van oordeel dat de beëindiging niet onevenredig is in verhouding tot het uiteindelijke hierboven weergegeven doel. De rechtbank stelt vast dat eiser zijn belangen niet nader heeft geconcretiseerd of heeft onderbouwd waarom de inbreuk onevenredig zou zijn. De omstandigheid dat eiser niet langer aanspraak kan maken op bepaalde voordelen die zijn verbonden aan tijdelijke bescherming, is inherent aan het besluit van verweerder om de facultatieve bepaling niet langer te implementeren, waardoor eiser niet langer onder de Richtlijn valt. Indien eiser meent te vrezen voor vervolging of ernstige schade in zijn land van herkomst, kan hij een asielaanvraag indienen. Daarnaast kan eiser indien hij voor een ander doel in Nederland verblijf beoogt, zoals voor werk of privéleven, een daartoe strekkende aanvraag voor het verkrijgen van een verblijfsvergunning regulier indienen. Naar het oordeel van de rechtbank is de beëindiging van de tijdelijke bescherming van eiser daarom niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel.
Artikel 24 Kwalificatierichtlijn
6.1.
Eiser heeft verder aangevoerd dat verweerder ambtshalve had moeten onderzoeken of hij in aanmerking komt voor een verblijfstitel, los van een asielstatus. In dit verband heeft eiser gewezen op artikel 24 van de Kwalificatierichtlijn.
6.2.
Dit betoog faalt. Uit artikel 24 van de Kwalificatierichtlijn volgt dat een lidstaat verplicht is om zo spoedig mogelijk een verblijfstitel af te geven nadat de vluchtelingenstatus is erkend. Hieruit volgt niet dat op verweerder een onderzoeksplicht rust. In het geval van eiser is niet gebleken van een erkende vluchtelingenstatus. Uit artikel 3 van de Richtlijn volgt immers dat de tijdelijke bescherming niet vooruitloopt op de erkenning van de vluchtelingenstatus.
7. De rechtbank ziet in wat door eiser overigens naar voren is gebracht evenmin grond voor het oordeel dat verweerder geen gebruik kon maken van de bevoegdheid de tijdelijke bescherming van eiser op 4 september 2023 te beëindigen.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.Y.B. Jansen, rechter, in aanwezigheid van A.J. van Bruggen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak bekend is gemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Richtlijn 2001/55/EG betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen.
Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van de Raad van 4 maart 2022 tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden uit Oekraïne in de zin van artikel 5 van de Richtlijn, en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan.
ECLI:NL:RBDHA:2023:16291.
Vindplaats van de annotatie is onbekend, maar door de gemachtigde van eiser overgelegd in de zaak NL23.26579.
TB-arrest: het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 december 2019 in de zaak C-519/18, ECLI:EU:2019:1070.
Kamerstukken II 2021/22, 19637, nr. 2945.
Vgl. de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem van 1 november 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:16410, r.o. 17.3.
Vgl. de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch van 1 september 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:13035, r.o. 10.1.