Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-12-11
ECLI:NL:RBDHA:2023:20018
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,424 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.37276
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 december 2023 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. S. Guman),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
(gemachtigde: mr. G.J. Westendorp).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen zijn ophouding op grond van artikel 50, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Deze ophouding is begonnen op 6 november 2023 om 14:20 uur en geëindigd op 6 november 2023 om 17:20 uur.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 5 december 2023 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van afmelding, niet verschenen. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt of de ophouding van eiser onrechtmatig was. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. Het beroep is ongegrond. De ophouding van eiser was rechtmatig. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Heeft de staatssecretaris eiser ten onrechte opgehouden?
4. Eiser voert aan dat hij ten onrechte op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw 2000 is opgehouden omdat zijn identiteit en rechtmatig verblijf niet kon worden vastgesteld. Uit het systeem blijkt dat hij geen rechtmatig verblijf heeft ondanks dat hij een onderdaan is van de Europese Unie. De staatssecretaris had moeten weten dat er een voorlopige voorziening is toegewezen, omdat eiser op 7 november 2023 een zitting bij de politierechter moet bijwonen. Eiser had op 7 november 2023 dus rechtmatig verblijf. Desondanks is hij opgehouden. Dat had niet mogen gebeuren.
4.1.
Ter zitting heeft de staatssecretaris toegelicht dat eiser is opgehouden na zijn strafrechtelijke detentie om nader onderzoek te doen of het opleggen van vreemdelingenbewaring nodig is. Ook werd specifiek onderzoek gedaan naar zijn verblijfrechtelijke positie. Uit de systemen bleek namelijk dat hij geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland. Bij aanvang van de ophouding was de staatssecretaris nog niet op de hoogte van de toegewezen voorlopige voorziening, enkel dat eiser deze heeft ingediend. De voorlopige voorziening is op 4 november 2023 mondeling toegewezen en op 6 november 2023 verzonden naar partijen. Op 7 november 2023 heeft de staatssecretaris de toegewezen voorlopige voorziening in de post ontvangen. De staatssecretaris stelde ook dat na het doen van het nader onderzoek, er voor is gekozen geen maatregel van bewaring op te leggen omdat bleek dat eiser voldoende middelen van bestaan had en in het bezit was van een ticket waarmee hij Nederland op 7 november 2023 kan verlaten.
4.2.
Eisers beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de ophouding rechtmatig is. De rechtbank stelt hierbij voorop dat uit het proces-verbaal van ophouding en onderzoek (M105) van 6 november 2023 volgt dat de ophouding is geschied op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw 2000. De identiteit van eiser kon namelijk onmiddellijk worden vastgesteld en bij een eerste onderzoek in het systeem bleek dat hij geen rechtmatig verblijf had. De staatssecretaris heeft terecht gesteld dat de ophouding tot doel heeft om nader onderzoek te doen naar de identiteit en de verblijfsrechtelijke positie en om (mede) op grond daarvan te onderzoeken of moet worden overgegaan tot het opleggen van een maatregel van bewaring. Naar oordeel van de rechtbank is deze werkwijze rechtmatig, aangezien dit in is lijn met het doel van de ophouding. De staatssecretaris mag ook enige tijd gegund worden om dat onderzoek te doen. Daartoe bestond naar het oordeel van de rechtbank ook voldoende aanleiding. De rechtbank ziet verder geen reden om te twijfelen aan de toelichting van de staatssecretaris ter zitting namelijk dat hij nog geen wetenschap had van de toegewezen voorlopige voorziening. Weliswaar vermeldt het proces-verbaal van ophouding en onderzoek dat een voorlopige voorziening was ingediend maar de staatssecretaris heeft ter zitting onweersproken gesteld dat de uitkomst van die procedure hem niet bekend was. Aan het indienen van een voorlopige voorziening kan volgens de staatssecretaris, en de rechtbank volgt hem daarin, niet de conclusie worden verbonden dat eiser rechtmatig verblijf had in Nederland. Dat de staatssecretaris niet op de hoogte was van de uitkomst van de procedure wordt bevestigd door de omstandigheid dat de vrijheidsbeneming uiteindelijk is beëindigd om een andere reden, namelijk omdat bleek dat eiser voldoende middelen van bestaan had en in bezit was van een ticket waarmee hij Nederland op 7 november 2023 kon verlaten.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de ophouding van eiser rechtmatig was. De staatssecretaris hoeft de proceskosten van eiser niet te vergoeden.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechter, in aanwezigheid van mr. N. El-Amrani, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Kamerstukken II 2015/16, 34 309, nr. 3, p. 124.