Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-09-19
ECLI:NL:RBDHA:2023:19919
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
961 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.19548
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. H. Loth),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. A. van Midden).
Procesverloop
Bij besluit van 5 juli 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Ook heeft hij een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
Bij bericht van 18 september 2023 heeft verweerder laten weten dat eiser op 12 september 2023 vrijwillig is vertrokken naar zijn land van herkomst.
De gemachtigde van eiser heeft laten weten het beroep te handhaven.
De rechtbank heeft het beroep, tezamen met de zaak NL23.19549, op 19 september 2023 op zitting behandeld. Eiser was niet aanwezig. De gemachtigde van eiser is zonder voorafgaand bericht niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Overwegingen
De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vw 2000. Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Kroatië een verzoek om terugname gedaan. Kroatië heeft dit verzoek aanvaard.
Verweerder betoogt dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat het procesbelang is komen te vervallen. Eiser heeft namelijk aangegeven al zijn openstaande procedures voor het verkrijgen van een verblijfstitel te beëindigen.
Eiser betoogt dat hij nog wel belang heeft. De ondertekende verklaring ziet namelijk niet op een Dublinprocedure. Inhoudelijk betoogt eiser – in het kort – dat ten aanzien van Kroatië niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
Naar het oordeel van de rechtbank is het belang van eiser bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep komen te vervallen, nu eiser een verklaring heeft ondertekend waarmee hij heeft ingestemd om de nog openstaande procedures voor het verkrijgen van een verblijfstitel te beëindigen. Eiser heeft daarmee te kennen gegeven dat hij alle verblijfsrechtelijke procedures intrekt. Hij stelt kennelijk geen prijs meer op de door hem verzochte bescherming in Nederland. Nu eiser geen procesbelang meer heeft, wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 september 2023 door mr. M.D. Gunster, rechter, in aanwezigheid van mr. J.F.A. Bleichrodt, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.
Zaaknummer NL23.19549.
Vreemdelingenwet 2000.
Verordening (EU) nr. 604/2013.