Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-12-15
ECLI:NL:RBDHA:2023:19916
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,205 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.37132
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser,
geboren op [geboortedatum] ,
van Afghaanse nationaliteit,
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. G.S.S. de Kok),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris,
(gemachtigde: mr. L.O. Augustines).
Procesverloop
Bij besluit van 25 november 2023 (het bestreden besluit) heeft de staatssecretaris aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep met behulp van telehoren op 8 december 2023 op zitting behandeld. Eiser is verschenen op het detentiecentrum in Rotterdam, bijgestaan door zijn gemachtigde. Tevens is een tolk verschenen. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
Overwegingen
1. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De staatssecretaris heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:
(zware gronden)
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;(lichte gronden)4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
2. De staatssecretaris heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Voorts heeft de staatssecretaris overwogen dat een minder dwingende maatregel (een lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast.
3. Hierna beoordeelt de rechtbank het beroep tegen de maatregel van bewaring. Daarbij bespreekt zij de beroepsgronden en toetst zij de rechtmatigheid van de bewaring ambtshalve.
Voortraject
4. Eiser stelt dat er gebreken in het strafrechtelijke voortraject aan de orde zijn, waardoor de ophouding en de daaropvolgende maatregel van bewaring onrechtmatig zijn. Uit het proces-verbaal van aanhouding en uit het proces-verbaal van voorgeleiding volgt namelijk niet op welke grond de aanhouding heeft plaatsgevonden of waarvan eiser wordt verdacht. Eiser stelt dat het niet mogen of kunnen toetsen van het strafrechtelijk voortraject door de bewaringsrechter een ontoelaatbare beperking van het recht is op een effectief rechtsmiddel. Eiser wijst op de uitspraken van zittingsplaats Amsterdam van 18 juli 2023 en van Roermond van 29 september 2023, waarin is overwogen dat de door de Afdeling aangebrachte waterscheiding in de beoordeling van een strafrechtelijk voortraject en het daarop aansluitende vreemdelingrechtelijke bewaringstraject aan herziening toe is. Zittingsplaats Amsterdam ziet daartoe grond in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022.
4.1.
De rechtbank ziet in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen aanleiding om af te wijken van de uitspraak van de Afdeling van 26 juli 2001, waarin is geoordeeld dat de rechter in vreemdelingenzaken niet kan oordelen over de aanwending van deze niet bij of krachtens de Vw 2000 toegekende bevoegdheid. Slechts indien de onrechtmatigheid van die aanwending door de strafrechter is vastgesteld, kan de vreemdelingenrechter zich gesteld zien voor de vraag naar de consequenties daarvan voor de rechtmatigheid van de inbewaringstelling. In voornoemde uitspraak van het Hof van Justitie ziet de rechtbank geen aanknopingspunt om tot een ander oordeel te komen. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Grondslag en gronden
5. De rechtbank is met de staatssecretaris van oordeel dat eiser valt onder de in artikel 59a van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. Verder is de rechtbank van oordeel dat de staatssecretaris de gronden 3a, 4a, 4c en 4d aan de maatregel ten grondslag heeft mogen leggen. De staatssecretaris heeft terecht gesteld dat eiser heeft verklaard dat hij geen geldige grensoverschrijdingsdocumenten heeft, niet beschikt over een document in de zin van artikel 4.21 van het Vb, niet beschikt over voldoende middelen van bestaan en niet staat ingeschreven in de basisregistratie personen. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden, in samenhang bezien, voldoende zijn om de maatregel van bewaring te kunnen dragen en om aan te nemen dat een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris grond 3d, gelet op de motivering daarvan in de maatregel, niet aan eiser kan tegenwerpen. Dat eiser in Oostenrijk een verkeerde geboortedatum heeft opgegeven is onvoldoende om te oordelen dat eiser niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit. Daarnaast heeft eiser in Nederland dezelfde persoonsgegevens opgegeven als in België.
Lichter middel
6. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de staatssecretaris een lichter middel dan bewaring had moeten opleggen en om de belangenafweging in dat kader in het voordeel van eiser te laten uitvallen. Gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, is de staatssecretaris er terecht vanuit gegaan dat eiser niet uit eigen beweging gevolg zal geven aan de op hem rustende vertrekplicht. Voorts is de rechtbank niet gebleken van persoonlijke belangen van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken en waarin de staatssecretaris aanleiding had moeten zien eiser niettemin een lichter middel dan bewaring op te leggen. De staatssecretaris heeft de medische omstandigheden van eiser kenbaar bij de belangenafweging betrokken.
Voortvarendheid en zicht op overdracht
7. Eiser stelt dat de staatssecretaris niet voortvarend heeft gehandeld door pas op 1 december 2023 een claimverzoek in te dienen bij België, terwijl op 25 november 2023 al duidelijk was dat eiser asiel heeft aangevraagd in België.
7.1.
Naar het oordeel van de rechtbank werkt de staatssecretaris voldoende voortvarend aan de overdracht van eiser en bestaat er zicht op overdracht. In het algemeen geldt dat een eerste uitzettingshandeling op dag zes van de inbewaringstelling voldoende voortvarend is. De rechtbank stelt vast dat de staatssecretaris op de vierde dag, namelijk op 28 november 2023, een vertrekgesprek met eiser gehouden. Verder heeft de staatssecretaris op 1 december 2023 is een claimverzoek verstuurd naar de Belgische autoriteiten.
Conclusie
8. Concluderend is de rechtbank niet gebleken is dat een uit het Unierecht voortvloeiende voorwaarde voor de rechtmatigheid van de opgelegde bewaringsmaatregel niet is nageleefd. Hetgeen namens eiser verder naar voren is gebracht, geeft ook geen aanleiding om thans de bewaring onrechtmatig te achten.
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Boerlage - van den Bosch, rechter, in aanwezigheid van Z.P. de Wilde, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
ECLI:NL:RBDHA:2023:14656 en ECLI:NL:RBDHA:2023:10712.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:EU:C:2022:858
Uitspraak van 26 juli 2001, 200102650/1, ECLI:NL:RVS:2001:AD6144.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 april 2020, ECLI:RVS:2020:989, onder 2.2