Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-11-30
ECLI:NL:RBDHA:2023:19690
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,656 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/09/654949 / JE RK 23-2025
Datum uitspraak: 30 november 2023
Beschikking van de kinderrechter tot een verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden
,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
[naam01]
, geboren op [geboortedatum01] 2006 in [plaats01] ,
hierna te noemen: [naam01] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam02]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende [woonplaats01] ,
[naam03]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende op een voor de rechtbank onbekende woon- of verblijfplaats in [X] .
1
Het verloop van de procedure
1.1.
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
- het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 9 oktober 2023;
- het raadsadvies van 24 oktober 2023.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 30 november 2023. Daarbij waren aanwezig:
- [naam04] , namens de gecertificeerde instelling.
De vader en de moeder zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat zij wel juist is opgeroepen.
1.3.
De kinderrechter heeft [naam01] uitgenodigd voor een gesprek met haar voorafgaand aan de zitting. [naam01] heeft hierop niet gereageerd.
Feiten
Het huwelijk van de vader en de moeder is door echtscheiding ontbonden.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [naam01] .
[naam01] verblijft in [naam06] .
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 5 december 2022 de ondertoezichtstelling van [naam01] verlengd van 10 december 2022 tot 10 december 2023, alsmede de machtiging verlengd [naam01] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder van 10 december 2022 tot 10 december 2023.
3
Het verzoek
De gecertificeerde instelling verzoekt de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder van [naam01] te verlengen tot aan zijn meerderjarigheid, te weten tot 25 maart 2024, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Het verzoek is als volgt gemotiveerd.
Er bestaan ernstige zorgen over de ontwikkeling van [naam01] . Bij [naam01] worden trauma gerelateerde klachten gezien, en de relatie met zijn ouders verloopt wisselend. Met name het contact tussen [naam01] en de vader is zorgelijk. Op dit moment hebben zij alleen telefonisch contact met elkaar. Het is bekend dat de vader fors belastende uitspraken kan doen richting [naam01] . [naam01] trekt zich dan terug, en op die momenten is het lastig om met hem in contact te komen. Daarnaast verloopt de schoolgang van [naam01] moeizaam. Er is sprake van veel schoolverzuim en Leerplicht is betrokken. Op het [naam06] wordt gezien dat [naam01] onvoldoende voor zichzelf kan zorgen en het lukt hem niet om een bijbaan te behouden. [naam01] zelf lijkt een beperkt probleembesef te hebben, waardoor hij niet gemotiveerd is om zich in te zetten voor de benodigde hulpverlening. Hierdoor komt het perspectief van [naam01] , doorgroeien naar zelfstandigheid, onder druk te staat. De komende periode zal gewerkt moeten worden aan de motivatie van [naam01] om te gaan werken aan zijn zelfstandigheid, zodat hij kan doorstromen naar de 16-voorziening van [naam06] . Ook zal onderzocht worden of team [naam05] ingezet kan worden om het gezinssysteem te versterken. Vanwege de ingewikkelde gezins- en familierelaties is het niet meer mogelijk voor [naam01] om thuis te wonen. [naam01] wil zelf niet meer thuis wonen en ook de moeder ervaart dat dit niet haalbaar is. Samen met [naam06] zal de komende tijd onderzocht worden welke vorm van beschermd wonen passend is voor [naam01] . Er zal verlengde jeugdzorg aangevraagd worden, zodat het verblijf bij [naam06] na zijn meerderjarigheid voorgezet kan worden.
Beoordeling
4.1.
Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [naam01] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding (artikel 1:265b, eerste lid, BW). De kinderrechter overweegt hiertoe als volgt. Er is onverminderd sprake van een ontwikkelingsbedreiging van [naam01] . Hij heeft trauma gerelateerde klachten, zijn schoolgang verloopt moeizaam, en gezien wordt dat hij onvoldoende voor zichzelf kan zorgen. Het lukt de ouders niet om onder eigen verantwoordelijkheid deze ontwikkelingsbedreiging op te vangen. De betrokkenheid van een jeugdbeschermer is nodig om passende hulpverlening in te zetten en te monitoren, en om beslissingen in het belang van [naam01] te maken. Ook is het voor [naam01] niet meer mogelijk om thuis te wonen. Door de jeugdbeschermer zal verlengde jeugdzorg aangevraagd worden, zodat [naam01] ook na zijn meerderjarigheid bij [naam06] kan blijven wonen. De komende tijd is het noodzakelijk dat de juiste behandeling voor [naam01] wordt ingezet, zodat de negatieve patronen worden doorbroken en hij naar zelfstandigheid kan toewerken. Daarnaast zal gekeken moeten worden welke vorm van beschermd wonen passend is voor [naam01] .
4.2.
De kinderrechter zal daarom de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [naam01] verlengen tot aan zijn meerderjarigheid, te weten tot 25 maart 2024.
Dictum
De kinderrechter:
5.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [naam01] tot 25 maart 2024;
5.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [naam01] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 10 december 2023 tot 25 maart 2024;
5.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 30 november 2023 door mr. S.J. Huizenga, kinderrechter, in aanwezigheid van E.E. ten Kate als griffier, en op schrift gesteld op 13 december 2023.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.