Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-12-06
ECLI:NL:RBDHA:2023:19464
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,836 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.15704
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiseres
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. H.A.C. Klein Hesselink),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. C.W.M. van Breda).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 26 mei 2023 niet in behandeling genomen omdat Bulgarije verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en daarbij een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend om het beroep in Nederland te mogen afwachten. De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening op 7 juni 2023 toegewezen in afwachting van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) over de toepassing van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Bulgarije. De Afdeling heeft op 16 augustus 2023 uitspraak gedaan.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 16 november 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, J. Bourik als tolk en de gemachtigde van verweerder.
1.3.
Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen twee weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht twee weken later uitspraak te doen.
Beoordeling
2. Eiseres stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Syrische nationaliteit te hebben. Zij heeft op 12 oktober 2022 in Nederland een verzoek om internationale bescherming ingediend. Uit Eurodac is gebleken dat eiseres eerder, op 17 augustus 2022, in Bulgarije een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend.
3. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden die eiseres heeft aangevoerd.
4. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en dat zij aan Bulgarije kan worden overgedragen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen, de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de staatssecretaris een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland op 5 december 2022 bij Bulgarije een verzoek om terugname gedaan. Bulgarije heeft dit verzoek op 16 december 2022 aanvaard. Op basis van dit claimakkoord wil verweerder eiseres overdragen aan Bulgarije.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
6. Eiseres voert aan dat ten aanzien van Bulgarije niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Zij stelt dat uit de AIDA-rapportages volgt dat er in Bulgarije pushbacks voorkomen. Met het oog op de ondeelbaarheid van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kunnen er daarom geen Dublinclaimanten aan Bulgarije worden overgedragen. Daarnaast is er geen zekerheid is dat eiseres zal worden opgevangen aangezien Bulgarije kampt met een gebrek aan opvangplaatsen. Zij wijst in dit verband op divergentie tussen verschillende zittingsplaatsen. Eiseres voert aan dat de detentie- en leefomstandigheden waaraan zij zal worden blootgesteld en de kwaliteit van de asielprocedure in strijd zijn met artikel 3 van het EVRM.
6.1.
De staatssecretaris mag ten opzichte van Bulgarije uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit beginsel betekent dat lidstaten erop mogen vertrouwen dat de andere lidstaten de vreemdeling in overeenstemming met het EVRM, het Vluchtelingenverdrag en het Unierecht zullen behandelen. De Afdeling heeft dit uitgangspunt voor wat betreft Bulgarije in haar uitspraken van 16 augustus 2023 bevestigd. Het is aan eiseres om aannemelijk maken dat in haar geval niet (langer) van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Hierbij geldt een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid.
6.2.
De door eiseres aangehaalde rechtspraak dateert van vóór de uitspraken van de Afdeling van 16 augustus 2023. In die uitspraken heeft de Afdeling vastgesteld dat, op basis van de beschikbare informatie, Dublinterugkeerders in Bulgarije geen reëel risico lopen om slachtoffer te worden van pushbacks. Ook heeft de Afdeling geoordeeld dat de prejudiciële vragen over de (on-)deelbaarheid van het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet hoeven worden afgewacht. Ten slotte heeft de Afdeling vastgesteld dat er geen aanknopingspunten zijn voor de conclusie dat Dublinclaimanten bij terugkeer naar Bulgarije geen toegang tot opvang hebben.
6.3.
Hetgeen door eiseres is aangevoerd is voor de rechtbank geen reden om tot een ander oordeel te komen. Eiseres is er daarom niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat in het algemeen of in haar geval in het bijzonder, niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Bulgarije kan worden uitgegaan. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres mag worden overgedragen aan Bulgarije. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. S.S. van der Velde, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
ECLI:NL:RBDHA:2023:8512.
Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
ECLI:NL:RVS:2023:3133 en ECLI:NL:RVS:2023:3134.
Zie hiervoor het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaak Jawo van 19 maart 2019 (ECLI:EU:C:2019:218).
Prejudiciële vragen van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats ’s Hertogenbosch, van 15 juni 2022.