Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-12-11
ECLI:NL:RBDHA:2023:19405
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,253 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.34818
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
geboren op [geboortedatum],
van Nigeriaanse nationaliteit,
V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. T. Bruinsma),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De staatssecretaris heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 2 november 2023 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
1.2.
Het verzoek een voorlopige voorziening te treffen staat geregistreerd onder het zaaknummer NL23.34819. Hierop wordt bij afzonderlijke uitspraak beslist.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de staatssecretaris een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland op 11 juli 2023 bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek op 13 juli 2023 op grond van artikel 18, eerste lid en onder d, van de Dublinverordening aanvaard.
Is ten onrechte geen uitstel verleend voor het indienen van een nadere zienswijze?
5. Eiser stelt dat de staatssecretaris ten onrechte op 2 november 2023 de beschikking heeft geslagen en geen gevolg heeft gegeven aan het verzoek van de vorige advocaat van eiser om aan hem uitstel te verlenen voor het indienen van een nadere zienswijze. Eiser had geen vertrouwen in de door de Raad voor Rechtsbijstand toegewezen advocaat en had zich tot een andere advocaat gewend. Uit de zienswijze blijkt dat het aanmeldgehoor en het voornemen niet met eiser zijn besproken. Eiser meent dat de staatssecretaris het recht van eiser op gebruikmaking van een voorkeursadvocaat had moeten respecteren, zeker nu dit slechts een relatief kort uitstel hoefde te zijn om eiser in de gelegenheid te stellen zijn zaak met zijn nieuwe advocaat te bespreken.
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat terecht geen gehoor is gegeven aan het verzoek om uitstel te verlenen voor het indienen van een nadere zienswijze. De staatssecretaris stelt terecht dat het aan eiser en eisers nieuwe gemachtigde is om zich te melden bij de IND. Dat is echter niet gebeurd en ook heeft eisers vorige gemachtigde zich niet teruggetrokken (op het moment dat de beschikking op 2 november 2023 werd geslagen). Daarnaast heeft eisers vorige gemachtigde een zienswijze ingediend op 15 oktober 2023. De rechtbank stelt vast dat ook binnen de verzochte termijn van twee weken geen nadere zienswijze is ingediend, terwijl het bestreden besluit op 2 november 2023, dus ruim twee weken na het ingediende verzoek van eisers vorige gemachtigde, is geslagen. Tot slot heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat ook niet is voldaan aan de vereisten uit paragraaf C1/2.12 van de Vreemdelingencirculaire 2000 voor het indienen van een zienswijze. De enkele stelling van eiser dat uit de zienswijze blijkt dat het aanmeldgehoor en het voornemen niet met eiser zijn besproken, treft gelet op het voorgaande geen doel.
Kan ten aanzien van Duitsland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel worden uitgegaan?
6. Eiser is verder van mening dat in de beschikking onvoldoende is betrokken dat hij eerder in Nederland asiel heeft aangevraagd, dat hij daarna aan Duitsland is overgedragen en vervolgens in Duitsland asiel heeft aangevraagd. Eiser stelt dat zijn verklaringen tijdens de asielprocedure in Duitsland niet serieus werden genomen en dat de Duitse autoriteiten slechts gefocust waren op eisers identiteit en nationaliteit en dat daarmee de beslissing, zonder eisers asielrelaas in de beoordeling te betrekken, in feite al vaststond. Eiser stelt dat de staatssecretaris zich, omdat eiser al eerder is overgedragen aan Duitsland, er van moet vergewissen of eiser in Duitsland een eerlijke kans krijgt zijn asielrelaas uiteen te zetten en dit met documenten te onderbouwen. De Duitse autoriteiten hebben dat eerder geweigerd te doen.
6.1.
Gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag de staatssecretaris er in het algemeen van uitgaan dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen nakomt. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken indien eiser aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem in Duitsland dusdanige tekortkomingen vertoont dat hij bij overdracht aan Duitsland een reëel risico loopt op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Van een schending van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest zal, in geval de vreemdeling aannemelijk maakt dat sprake is van tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem, eerst sprake zijn indien die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken in de zin van het arrest Jawo.
6.2.
Naar het oordeel van de rechtbank is eiser er niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Duitsland te vrezen heeft dat de Duitse asielprocedure en de opvangvoorzieningen systeemfouten bevatten. De rechtbank stelt vast dat eiser zijn stellingen omtrent zijn asielprocedure in Duitsland niet met documenten heeft onderbouwd. Vast staat dat Duitsland het terugnameverzoek heeft geaccepteerd, en hierbij garandeert dat eisers (herhaalde) asielaanvraag in behandeling wordt genomen overeenkomstig de internationale verplichtingen en relevante Europese richtlijnen. De niet onderbouwde stelling dat de Duitse autoriteiten eisers asielrelaas niet bij de beoordeling hebben betrokken en eiser ook nu geen eerlijke kans zullen geven zijn asielrelaas uiteen te zetten, volgt de rechtbank gelet op het voorgaande niet. Van eiser mag worden verwacht dat hij zich bij voorkomende problemen in de asielprocedure, opvangvoorzieningen of anderszins, beklaagt bij de (hogere) Duitse autoriteiten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat die mogelijkheid er voor hem niet is of dat de Duitse autoriteiten hem niet kunnen of willen helpen, dan wel dat het zoeken van hulp bij voorbaat zinloos is. De staatssecretaris heeft het voorgaande naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd in het bestreden besluit.
6.3.
De rechtbank is tot slot van oordeel dat de staatssecretaris gelet op het voorgaande geen aanleiding heeft hoeven zien om de asielaanvraag van eiser op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening onverplicht aan zich te trekken.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Boxum, rechter, in aanwezigheid van Z.P. de Wilde, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
Zie punten 91-93 van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218.