Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-12-06
ECLI:NL:RBDHA:2023:19330
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,277 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.32471
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiseres] , V-nummer: [V-nr.] , eiseres
(gemachtigde: mr. C.Z.A.M. Skanderova),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
(gemachtigde: mr. S.J.R.R. Brock).
Procesverloop
Bij besluit van 10 oktober 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres niet-ontvankelijk verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 23 november 2023 op zitting behandeld. Eiseres en haar gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiseres stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Syrische nationaliteit te hebben. Zij heeft op 14 juli 2023 een asielaanvraag ingediend in Nederland.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), omdat eiseres in Griekenland al internationale bescherming geniet. Verweerder heeft overwogen dat niet aannemelijk is dat eiseres bij terugkeer naar Griekenland in een situatie komt van zeer verregaande materiële deprivatie.
3. Eiseres voert aan dat het bestreden besluit niet in overeenstemming met Informatiebericht (IB) 2022/84 tot stand is gekomen. Verweerder heeft slordig gehandeld bij het inplannen van het gehoor en dit heeft bij eiseres geleid tot de indruk dat haar asielaanvraag inhoudelijk zou worden behandeld. Verweerder had eiseres na het aanmeldgehoor moeten horen in het kader van een gehoor bescherming EU, waarbij uitgebreider had moeten worden onderzocht of tot niet-ontvankelijkheidverklaring van de asielaanvraag kon worden besloten. Verder heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres niet niet-ontvankelijk kunnen verklaren, omdat uit het aanmeldgehoor niet is gebleken dat eiseres in het bezit is van een verblijfsvergunning en een belastingnummer (AFM) in Griekenland. Uit IB 2022/84 volgt dat dit noodzakelijkheden zijn waarover een vreemdeling dient te bezitten alvorens kan worden overgegaan tot het niet-ontvankelijk verklaren van de asielaanvraag. Als subsidiair standpunt voert eiseres aan dat niet is uitgesloten dat zij in Griekenland terecht zal komen in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie. Eiseres weet niet zeker hoe lang zij bij haar familie in Griekenland kan verblijven. Hoewel dit een toekomstige situatie betreft, lag het op de weg van verweerder om te motiveren dat eiseres niet terecht zal komen in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie in het geval dat zij niet bij haar familie kan (blijven) wonen.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Procesbelang
4. Verweerder heeft de rechtbank bij brief van 15 november 2023 laten weten dat eiseres met onbekende bestemming is vertrokken en heeft daarbij twee uitdraaien van zijn systeem overgelegd. Uit een van deze uitdraaien blijkt dat eiseres op 15 juli 2023 vrijwillig afstand heeft gedaan van opvang. Daarbij is een vermoedelijk adres van eiseres genoemd. Verder is op 10 november 2023 vermeld dat tweemaal een adrescontrole heeft plaatsgevonden op het vermoedelijke adres van eiseres en dat daarbij niemand is aangetroffen.
5. De gemachtigde van eiseres heeft aan de rechtbank laten weten dat zij telefonisch contact heeft gehad met de partner van eiseres. De partner van eiseres heeft toen meegedeeld dat eiseres niet met onbekende bestemming is vertrokken en dat eiseres met haar partner verblijft op het adres dat door verweerder is genoemd als vermoedelijk adres van eiseres.
6. Gelet op de reactie van de gemachtigde van eiseres is naar het oordeel van de rechtbank sprake van procesbelang. Daarbij is van belang dat het door de partner van eiseres genoemde adres overeenkomt met het adres dat genoemd is door verweerder en dat uit de verklaringen van eiseres volgt dat zij vanwege haar partner naar Nederland is gekomen. Het beroep is ontvankelijk.
IB 2022/84
7. In IB 2022/84 staat, voor zover relevant, het volgende:
Het is mogelijk asielaanvragen van Griekse statushouders als niet-ontvankelijk af te doen wanneer uit het aanmeldgehoor duidelijk blijkt dat de vreemdeling in het bezit is van:
• zijn verblijfsvergunning (de ADET);
• het belastingnummer;
• het socialezekerheidsnummer
én in Griekenland onderdak en voorzieningen had én die opnieuw kan verkrijgen. In dit geval kan worden gemotiveerd dat de vreemdeling in bezit is van alle noodzakelijkheden om zijn leven in Griekenland op te bouwen.
(….)
Wanneer de vreemdeling beschikt over alle noodzakelijkheiden [sic] om zijn leven in Griekenland op te bouwen wordt de zaak na het aanmeldgehoor alsnog overgeheveld naar spoor 2. Dit gebeurd [sic] op grond van 3.109ca, eerste lid Vb. De vreemdeling krijgt alsnog een gehoor bescherming EU waarin uitgebreider wordt onderzocht of tot niet-ontvankelijkverklaring kan worden besloten. Daarbij moet de focus liggen op de vraag in welke situatie de statushouder bij terugkeer terecht zal komen.
Met deze mogelijkheid moet terughoudend worden omgegaan.
8. Eiseres voert terecht aan dat verweerder niet in overeenstemming met IB 2022/84 heeft gehandeld. Het volgende is daartoe redengevend.
9. Eiseres is op 25 augustus 2023 gehoord, waarbij het eerste deel van het gehoor een aanmeldgehoor betreft en het tweede gedeelte van het gehoor eventueel zou kunnen worden aangemerkt als een gehoor bescherming EU. Tijdens het aanmeldgehoor heeft eiseres verklaard vanwege haar leeftijd (nog) niet over een AFM te beschikken, maar dat zij bij terugkeer naar Griekenland wel een AFM kan aanvragen. Gelet op IB 2022/84, waaruit blijkt dat een vreemdeling in het bezit moet zijn van een belastingnummer, heeft verweerder ten onrechte voldoende geacht dat eiseres stelt in Griekenland een AFM aan te kunnen vragen. Nu eiseres niet in het bezit is van een AFM beschikt zij niet over alle noodzakelijkheden die volgens IB 2022/84 vereist zijn om te kunnen motiveren dat eiseres haar leven in Griekenland kan opbouwen. Verweerder heeft dan ook ten onrechte geconcludeerd dat in het geval van eiseres tot niet-ontvankelijkheid van de asielaanvraag kon worden besloten. Daarbij wijst de rechtbank erop dat bovendien in IB 2022/84 met zoveel woorden staat dat terughoudend moet worden omgegaan met de mogelijkheid om asielaanvragen van Griekse statushouders niet-ontvankelijk te verklaren.
10. Wat eiseres verder heeft aangevoerd, behoeft gelet op het bovenstaande geen bespreking meer.
Conclusie
11. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om het geschil definitief te beslechten. Verweerder dient opnieuw te beslissen op de asielaanvraag van eiseres met inachtneming van deze uitspraak.
12. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 837 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 837 en een wegingsfactor 1).
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op om een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiseres,
waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 837 (achthonderdzevenendertig euro) aan
proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.