Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-12-01
ECLI:NL:RBDHA:2023:19144
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,612 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/984
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 december 2023 in de zaak tussen
[eiseres], uit [woonplaats], eiseres
(gemachtigde: mr. S.V. Hendriksen),
en
Belastingdienst/Toeslagen
(gemachtigde: mr. [gemachtigde]).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van een forfaitaire compensatie in het kader van de hersteloperatie kinderopvangtoeslag.
1.1.
Met het bestreden besluit van 20 december 2022 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing gebleven. Hiertegen komt eiseres in beroep.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 13 november 2023 op zitting behandeld. De gemachtigde van verweerder is verschenen. Eiseres en haar gemachtigde zijn niet verschenen.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres heeft kinderopvangtoeslag ontvangen voor de jaren 2010, 2011 en 2012. Voorafgaand aan ieder jaar heeft verweerder voorschotbeschikkingen vastgesteld, op grond waarvan steeds een voorschot op de kinderopvangtoeslag voor het betreffende jaar aan eiseres is uitgekeerd.
3. Voor elk jaar zijn de voorschotten herzien, waarbij nieuwe voorschotbeschikkingen zijn vastgesteld.
4. Na afloop van ieder berekeningsjaar zijn de definitieve toekenningen vastgesteld. De definitief vastgestelde toeslagen zijn lager uitgevallen dan de voorgeschoten bedragen. Daardoor moest eiseres voor ieder berekeningsjaar een bedrag aan teveel betaalde kinderopvangtoeslag terugbetalen. Deze bedragen zijn door verweerder teruggevorderd.
5. Eiseres verlangt compensatie van verweerder en heeft daartoe om een herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag over de jaren 2010 tot en met 2012 verzocht. Verweerder heeft een eerste, lichte toets verricht. Deze toets heeft geleid tot afwijzing van forfaitaire compensatie.
6. Inmiddels heeft verweerder ook een integrale beoordeling verricht. Dat heeft geleid tot een afwijzend besluit, dat geen onderdeel uitmaakt van deze beroepsprocedure en waartegen een bezwaarprocedure aanhangig is.
Wat vindt eiseres in beroep?
7. Volgens eiseres zijn ernstige onregelmatigheden opgetreden met betrekking tot het uurtarief van de vergoede kinderopvang. Het is onbegrijpelijk dat dit niet wordt gecorrigeerd. De toeslag had moeten worden bijgesteld. Het uitblijven daarvan maakt duidelijk dat sprake is geweest van vooringenomenheid. Verder is verweerder te laat met het doen van de integrale beoordeling.
Wat vindt de rechtbank?
8. De verschillende herstelregelingen zijn met ingang van 5 november 2022 ondergebracht in de Wet hersteloperatie toeslagen (“Wht”).
9. Een aanvrager van kinderopvangtoeslag die in aanmerking komt voor toepassing van een herstelmaatregel, krijgt van verweerder eenmalig een forfaitair bedrag van € 30.000. Hiertoe hanteert verweerder een lichte toets, waarbij wordt beoordeeld of de aanvrager ten onrechte kinderopvangtoeslag moest terugbetalen dan wel of de kinderopvangtoeslag in het verleden ten onrechte is stopgezet. Deze lichte toets is bedoeld om ouders snel duidelijkheid te geven en is daarmee beperkter dan de integrale beoordeling. Bij de integrale beoordeling wordt uiteindelijk definitief beoordeeld of een ouder in aanmerking komt voor een, eventueel hogere, compensatie of tegemoetkoming.
10. Van aan verweerder te wijten onregelmatigheden is niet gebleken. Verweerder heeft in het bestreden besluit uitvoerig toegelicht en aannemelijk gemaakt dat de herzieningen van de voorschoten en de lagere definitieve vaststellingen, waren gebaseerd op gegevens die van de zijde van eiseres zelf waren verstrekt, aan de juistheid waarvan verweerder niet hoefde te twijfelen. Ook de gegevens met betrekking tot uren en tarieven voor de kinderopvang waarvan verweerder bij de besluitvorming voor de toeslagjaren 2010 tot en met 2012 is uitgegaan, waren van de zijde van eiseres afkomstig. In de beroepsgronden en de daarop gegeven toelichting vindt de rechtbank geen concrete aanknopingspunten om te vermoeden dat die gegevens onjuist zouden zijn.
11. In de handelwijze van verweerder kan de rechtbank geen aanwijzingen vinden voor institutionele vooringenomenheid of hardheid. Eiseres heeft daar ook geen concrete argumenten voor aangevoerd. Verweerder heeft terecht geen reden gezien om eiseres op deze grondslagen, dan wel op enige andere grondslag, als gedupeerde aan te merken. Overigens zal een definitief oordeel over een aanspraak op een herstelmaatregel moeten worden verkregen in de procedure tegen het besluit dat op basis van de integrale beoordeling is genomen; dat besluit valt buiten het bestek van deze beroepsprocedure.
Conclusie
12. Het beroep is ongegrond. Het bestreden besluit blijft in stand. Voor een proceskostenvergoeding is geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, rechter, in aanwezigheid van mr. D.C. van Genderen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 1 december 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 2.7, eerste lid, van de Wht.