Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-11-08
ECLI:NL:RBDHA:2023:19082
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,544 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 20/6325
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 november 2023 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. V. Senczuk),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de (ambtshalve) aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor het verblijfsdoel ‘humanitair tijdelijk’. De staatssecretaris heeft deze aanvraag met zijn besluit van 7 april 2020 afgewezen. Met het bestreden besluit van 5 augustus 2020 heeft de staatssecretaris deze afwijzing gehandhaafd.
1.1.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt of de staatssecretaris de aanvraag van eiser terecht heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de zogenaamde beroepsgronden.
3. Het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. Eiser heeft verklaard dat hij van juni 2016 tot en met oktober 2019 door twee mannen werd gedwongen om in Italië op een boerderij te werken zonder hiervoor betaald te worden. Hij werd daarbij opgesloten en bedreigd. Eiser heeft in Nederland op 26 februari 2020 aangifte gedaan van mensenhandel. De aangifte is op 7 april 2020 doorgestuurd naar de IND. De staatssecretaris heeft per die datum de aangifte aangemerkt als aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor het verblijfsdoel ‘humanitair tijdelijk’. De staatssecretaris heeft de aanvraag van eiser afgewezen, omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor de verblijfsvergunning. De staatssecretaris heeft namelijk een bericht ontvangen van het Openbaar Ministerie (OM) waarin staat vermeld dat besloten is om geen vervolging in te stellen, omdat Nederland geen rechtsmacht heeft voor de gepleegde feiten. De aanwezigheid van eiser in Nederland is daarom niet noodzakelijk in het belang van de opsporing en vervolging van mensenhandel.
5. De inhoudelijke behandeling van deze zaak is aangehouden in afwachting van de uitkomst van het hoger beroep in een eerdere procedure van eiser. Die procedure is aangehouden in afwachting van door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State gestelde prejudiciële vragen. Het Hof van Justitie heeft deze vragen op 30 maart 2023 beantwoord (ECLI:NL:EU:C:2023:269).
Is de aangifte van eiser voldoende onderzocht?
6. Eiser betoogt dat het gelet op de bijzondere omstandigheden en hetgeen hem in Italië is overkomen onevenredig is om hem geen verblijfsvergunning in Nederland te verstrekken. Hij is van mening dat de Nederlandse autoriteiten zijn aangifte van mensenhandel onvoldoende hebben onderzocht en onterecht hebben besloten om geen vervolging in te stellen. Hij voert daarnaast aan dat de staatssecretaris onvoldoende heeft beoordeeld of de ervaringen van eiser in Italië voldoende ernstig zijn om hem op andere discretionaire bevoegdheden verblijf toe te staan. Eiser stelt dat niet van hem kan worden verwacht dat hij, na wat hem is overkomen, terugkeert naar Italië of Duitsland.
6.1.
Dit betoog slaagt niet. De staatssecretaris heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat als eiser het niet eens is met het besluit van het OM van 6 april 2020, hij zich dient te wenden tot het OM of een klachtprocedure als bedoeld in artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering kan instellen. De staatssecretaris heeft in het bestreden besluit daarnaast aangegeven dat het besluit getoetst is aan artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht maar dat een afwijking van artikel 3.48 van het Vreemdelingenbesluit 2000 op deze grond niet mogelijk is. Het betreft geen beleid, maar een algemeen verbindend voorschrift.
6.2.
De vraag of van eiser kan worden verwacht dat hij terugkeert naar Duitsland is niet een vraag die voor deze procedure van belang is. De afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier ‘humanitair tijdelijk’ is het besluit dat de rechtbank in dit beroep moet toetsen. Eiser heeft geen argumenten aangevoerd waaruit blijkt dat hij wel aan de voorwaarden voor deze vergunning voldoet.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid van mr. D. Steenbeek, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 8 november 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Die volgen uit artikel 3.48 van het Vreemdelingenbesluit 2000 en paragraaf B8/3.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000.