Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-10-27
ECLI:NL:RBDHA:2023:18942
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,227 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL23.30013 en NL23.30014
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer 1] eiser
alsmede
[eiseres]
, V-nummer: [v-nummer 2] , eiseres(hierna tezamen: eisers)
(gemachtigde: mr. M. Erik),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. F. Saglik).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers tegen de afwijzing van de asielaanvragen van eisers. Verweerder heeft deze aanvragen met de bestreden besluiten van 20 september 2023 in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
1.1.
De rechtbank heeft de beroepen op 17 oktober 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. [naam] als waarnemer van de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Eisers zijn gehuwd en hebben de Moldavische nationaliteit. Eiser is geboren op [geboortedag 1] 1983 en eiseres is geboren op [geboortedag 2] 1980. Eisers hebben op 31 juli 2022 voor het eerst asiel aangevraagd. Die aanvragen zijn met de bestreden besluiten van 27 december 2022 afgewezen als ongegrond. Het beroep dat eisers hebben ingesteld tegen deze besluiten is op 25 januari 2023 ongegrond verklaard. Eisers hebben geen hoger beroep ingesteld, waardoor de besluiten van 27 december 2022 in rechte zijn komen vast te staan.
2.1.
Op 25 juli 2023 hebben eisers voor de tweede keer asiel aangevraagd. Verweerder heeft die aanvragen met de bestreden besluiten afgewezen als ongegrond. Eisers hebben aan hun asielaanvragen ten grondslag gelegd dat zij problemen hebben met de ex-partner van eiser vanwege het niet betalen van alimentatie. Zij heeft eiser bedreigd met de dood en aangifte tegen hem gedaan waardoor hij vreest voor strafrechtelijke vervolging. Daarnaast stellen eisers problemen met de Moldavische autoriteiten te hebben omdat eiser een lening heeft afgesloten voor twee telefoons die hij niet kan afbetalen. Hierdoor vrezen eisers voor strafrechtelijke vervolging. Eisers voeren verder aan dat de bedreigingen door Tsjetsjenen, waar zij in de vorige procedure over hebben verklaard, zijn doorgegaan. Zij voeren daarnaast opnieuw aan dat zij in Moldavië worden gediscrimineerd omdat zij Roma en Jehova’s getuige zijn. Tot slot heeft eiser aangevoerd dat hij door zijn broer op straat is gezet en heeft eiseres aangevoerd dat haar schoonmoeder medische behandeling nodig heeft.
2.2.
De asielrelazen van eisers bevatten volgens verweerder de volgende relevante elementen:
identiteit, nationaliteit en herkomst
problemen met de ex-partner van eiser
(schuld) lening voor telefoons
Verweerder heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eisers geloofwaardig geacht. De problemen met de ex-partner van eiser worden niet geloofwaardig gevonden. De (schuld) lening voor de telefoons en de mogelijke strafrechtelijke vervolging als gevolg van deze schuld worden wel geloofwaardig gevonden, maar die problemen leiden er niet toe dat eisers vluchtelingen zijn in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Het niet afbetalen van een lening betreft namelijk een commuun delict, waartegen de bescherming van het Vluchtelingenverdrag niet kan worden ingeroepen. De problemen die hieruit voortvloeien leiden ook niet tot een schending van artikel 3 van het EVRM.
Waarom zijn eisers het niet eens met de bestreden besluiten?
2.3.
Volgens eiser zijn de bestreden besluiten ondeugdelijk gemotiveerd en onzorgvuldig tot stand gekomen, omdat verweerder de relevante elementen niet volledig heeft vastgesteld. Eisers hebben namelijk nieuwe omstandigheden naar voren gebracht zowel ten aanzien van de bedreigingen van de kant van de Tsjetsjenen als ten aanzien van de discriminatie die zij in Moldavië ondervinden als Jehova’s getuigen met een Roma afkomst. De problemen met de ex-partner van eiser heeft verweerder bovendien ten onrechte ongeloofwaardig gevonden. De bestreden besluiten zijn ook in strijd met artikel 3.119 van het Vb, omdat in de voornemens een andere grond voor het onthouden van de vertrektermijn wordt genoemd dan in de beschikkingen. Verweerder had nieuwe voornemens moeten uitbrengen. Ten onrechte heeft verweerder hen een vertrektermijn onthouden en hen een inreisverbod opgelegd omdat hun asielaanvragen in overwegende mate zouden zijn ingegeven door sociaaleconomische motieven. In dit kader verwijzen eisers naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Bosch.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Vaststelling relevante elementen
3. Volgens Werkinstructie 2014/10 is een relevant element een feit of omstandigheid dat raakt aan tenminste één onderwerp of verhaallijn en die in verband staat met vluchtelingschap dan wel artikel 3 van het EVRM. De rechtbank is van oordeel dat verweerder gelet op deze definitie de discriminatie die eisers stellen te hebben ondervonden als gevolg van hun etniciteit en religie en de gestelde bedreigingen van de kant van Tsjetsjenen had moeten aanmerken als relevante elementen. Omdat het vaststellen van de relevante elementen de eerste stap is in de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling volgt de rechtbank eisers in hun standpunt dat de bestreden besluiten onzorgvuldig tot stand zijn gekomen en ondeugdelijk zijn gemotiveerd. Dat betekent dat de beroepen gegrond zijn en de bestreden besluiten vernietigd moeten worden. De rechtbank ziet echter aanleiding om te beoordelen of de rechtsgevolgen van de te vernietigen besluiten in stand gelaten kunnen worden.
Discriminatie
3.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder erop heeft mogen wijzen dat in de vorige procedure weliswaar geloofwaardig is gevonden dat eisers in Moldavië gediscrimineerd werden vanwege hun etniciteit en religie maar dat zij niet aannemelijk hebben gemaakt dat die discriminatie dusdanig ernstig was dat zij niet meer sociaal en maatschappelijk konden functioneren. Verweerder heeft ook mogen overwegen dat eisers in deze procedure geen concrete nieuwe problemen in verband met die discriminatie hebben aangevoerd. In de vorige procedure heeft eiseres verklaard dat haar medische behandeling is geweigerd vanwege haar Roma achtergrond en heeft eiser verklaard dat hij en eiseres vanwege hun etniciteit en religie sociaal werden buitengesloten en dat het moeilijk is om werk te vinden. De voorbeelden die eisers in deze procedure hebben aangevoerd zijn niet van een wezenlijk andere aard, zodat verweerder geen aanleiding heeft hoeven zien om deze nu wel zwaarwegend te achten.
Bedreigingen vanuit Tsjetsjenen
3.2.
Ten aanzien van de bedreigingen vanuit de Tsjetsjenen heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat die problemen ongeloofwaardig zijn gevonden in de besluiten van 27 december 2022 en dat die besluiten in rechte vaststaan. Eiseres heeft tijdens het nader gehoor in de nu voorliggende aanvraag verklaard dat haar verklaringen over de bedreigingen dezelfde problemen betreffen als in de vorige procedure. In de gestelde bedreiging van de schoonmoeder van eiser toen zij in Oostenrijk verbleven, wat daarvan ook zij, heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien in deze procedure een ander standpunt over de gestelde vrees van eisers in te nemen, omdat eiseres ook heeft verklaard dat zij en eiser als gevolg van die bedreiging persoonlijk geen problemen hebben ondervonden.
Problemen met ex-partner
3.3.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder de problemen die eisers hebben met de ex-partner van eiser ongeloofwaardig heeft mogen vinden. Daartoe heeft verweerder mogen overwegen dat het opmerkelijk is dat eiser in de vorige procedure niets heeft verklaard over de problemen met zijn ex-partner, aangezien zich in het verleden een ernstig incident heeft voorgedaan en eiser nog steeds geen alimentatie betaalt. Verweerder heeft ook bevreemdend mogen vinden dat eiser opeens is bedreigd nadat hij al acht à tien jaar geen contact meer met zijn ex-partner heeft gehad. Daarnaast heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat eisers tegenstrijdig hebben verklaard over de problemen. De verklaring van eiseres dat zij analfabeet is, geen tijdsbesef heeft en onder druk gebeurtenissen door elkaar haalt is niet onderbouwd. Ook neemt dit de tegenwerping van verweerder niet weg, die erop heeft gewezen dat de verklaring van eiseres dat eiser persoonlijk is benaderd door zijn ex-partner evident tegenstrijdig is met de verklaring van eiser dat hij alleen indirect kennis heeft genomen van de bedreiging.
Conclusie
4. Gelet op wat hiervoor onder 3 en 3.7 is overwogen zijn de beroepen gegrond en zal de rechtbank de bestreden besluiten vernietigen. Verweerder heeft wel kunnen concluderen dat eisers niet in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel. De rechtbank zal de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten daarom in zoverre in stand laten.
5. Nu de beroepen gegrond zijn, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval sprake is van samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb), zodat zij de samenhangende zaken van eisers, geregistreerd onder de nummers NL23.30013 en NL23.30014, als één zaak ziet. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.511,-.
Dictum
De rechtbank:
verklaart de beroepen gegrond;
vernietigt de bestreden besluiten;
bepaalt dat de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand worden gelaten, voor zover het de afwijzing van de asielaanvragen betreft;
bepaalt dat de vertrektermijn van eisers vier weken bedraagt met ingang van de dag na de datum van verzending van deze uitspraak;
bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde besluiten;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.511,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, rechter, in aanwezigheid van mr. J.J. Yilmaz, griffier.
Dictum
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem van 25 januari 2023, ECLI:NL:RBDNHO:2023:907.
Verdrag betreffende de status van vluchtelingen.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Vreemdelingenbesluit 2000.
Uitspraak van 27 januari 2022, ECLI:NL:RBOBR:2022:269.
Op grond van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Zie pagina 22 en 23 van het rapport van het nader gehoor van eiseres van 20 december 2022.
Zie pagina’s 17 tot en met 21 van het rapport van het nader gehoor van eiser van 20 december 2022.
Zie pagina 19 van het rapport van het nader gehoor van eiser van 20 december 2022.
Zie pagina 7 van het rapport van het nader gehoor van eiseres van 14 september 2023.
Zie pagina 8 van het rapport van het nader gehoor van eiser van 14 september 2023.
Vreemdelingencirculaire.
Vreemdelingenwet 2000.
Op grond van artikel 62, eerste lid, van de Vw.
1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 837,- en een wegingsfactor 1.