Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-11-28
ECLI:NL:RBDHA:2023:18854
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,613 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.22730
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. B.J.P.M. Ficq),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
(gemachtigde: mr. L. Denishin).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser heeft de Nigeriaanse nationaliteit en is geboren op [datum] 1995. Hij heeft op 19 januari 2021 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 14 oktober 2022 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.
1.1
De rechtbank heeft het beroep op 17 oktober 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser, [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.
1.2
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst. Zij heeft daarbij aangegeven dat zij voorlopig van oordeel is dat er sprake is van een zorgvuldigheidsgebrek in de besluitvorming. Dit omdat verweerder eiser heeft gehoord op 28 december 2021, zonder dat eiser daaraan voorafgaand voor een tweede keer is onderzocht door Medifirst. Ter zitting heeft de rechtbank met verweerder afgesproken dat verweerder binnen uiterlijk één week na zitting de rechtbank informeert of hij aanleiding ziet om eiser alsnog opnieuw medisch te laten onderzoeken door Medifirst en hem eventueel, afhankelijk van de uitkomst van dat nieuwe advies, opnieuw te horen. Indien verweerder akkoord is met deze informele bestuurlijke lus, heeft de rechtbank verweerder verzocht aan te geven binnen welke termijn eiser opnieuw onderzocht en/of gehoord wordt.
1.3
Op 19 oktober 2023 heeft verweerder laten weten dat hij niet akkoord is met een informele bestuurlijke lus en heeft de rechtbank verzocht om uitspraak te doen.
1.4
Nadat ook eiser akkoord is gegaan met het doen van uitspraak zonder een nadere zitting, heeft de rechtbank het onderzoek op 28 november 2023 gesloten.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt in het beroep of verweerder de asielaanvraag van eiser heeft kunnen afwijzen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. De rechtbank is van oordeel dat het beroep van eiser gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Wat voorafging
4. Eiser heeft op 12 november 2022 een aanvraag ingediend voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw. Bij beschikking van 20 november 2020 heeft verweerder over de periode van 12 november 2020 tot 4 mei 2021 uitstel van vertrek aan eiser verleend. Eiser had toen tuberculose (tbc).
4.1
Op 19 januari 2021 heeft eiser een asielaanvraag ingediend. Daaraan heeft hij ten grondslag gelegd dat zijn vader en zijn oom een conflict hadden over eigenaarschap van het land van hun overleden vader. De vader van eiser was erfgenaam van het land, maar wilde het land verkopen aan christenen. Eiser heeft rond april/mei 2012 de lichamen van zijn ouders en zusje aangetroffen op de akkers. Eiser werd daar benaderd door een jager die ook een goede vriend van zijn vader was. Die vertelde eiser dat hij op de vlucht moest slaan. Eiser is samen met de jager vertrokken naar diens zus in Lagos. Onderweg vertelde de jager dat de oom van eiser jongens had gestuurd om zijn familie te doden. Eiser is toen een aantal maanden bij de zus van de jager verbleven. Eiser moest van haar water op straat verkopen anders kreeg hij geen eten. Op een dag werd hij opgepikt door [naam 1] , een bekende uit zijn dorp. Eiser verbleef vervolgens enkele maanden op de compound van hem, die werd beheerd door de zus van [naam 1] . Op een gegeven moment is eiser, uit angst om gevonden te worden door zijn oom, met behulp van [naam 2] op illegale wijze vetrokken uit Nigeria.
4.2
Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:
1. de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser;
2. problemen als gevolg van een conflict tussen vader en oom over eigenaarschap van land.
4.3
Verweerder heeft element 1 geloofwaardig geacht. Element 2 vindt verweerder ongeloofwaardig. Verweerder heeft onder meer overwogen dat eiser summier is in zijn verklaringen, bijvoorbeeld over zijn oom, vrienden en familieleden in zijn dorp en de jager. Verweerder vindt ook dat er geen sprake was van een acute vluchtsituatie omdat eiser nog maanden in Lagos is verbleven waar hij water op straat verkocht en niet door zijn oom is gevonden.
Is het bestreden besluit zorgvuldig tot stand gekomen?
5. Eiser heeft zowel een beroepsgrond ingediend die ziet op de (on)zorgvuldige totstandkoming van het bestreden besluit als beroepsgronden die zien op het inhoudelijke asielrelaas van eiser. De rechtbank zal eerst de beroepsgrond die ziet op de (on)zorgvuldige besluitvorming behandelen, voordat zij kan toekomen aan de beroepsgronden die zien op te inhoud.
5.1
Eiser voert aan dat het besluit onzorgvuldig is voorbereid. Op 29 maart 2021 is door MediFirst vastgesteld dat eiser niet kon worden gehoord vanwege zijn psychische problematiek. Daarna is er geen nieuwe rapportage uitgebracht. Op 21 november 2021 was er een nieuw medisch onderzoek gepland. Eiser is hier niet verschenen omdat hij hier niet op de hoogte van was. De uitnodiging is naar het verkeerde AZC gestuurd (AZC [naam 3] aan de [adres 1] terwijl eiser verbleef in AZC aan de [adres 2] ). De gemachtigde van eiser bestrijdt dat haar collega mr. Blaauw op 14 december 2021 of een ander moment toestemming heeft gegeven dat de procedure verder kon zonder nader medisch onderzoek. Dit is door verweerder ook niet onderbouwd. Uit het verslag van MediFirst blijkt duidelijk dat eiser niet gehoord kon worden. Desondanks heeft verweerder toch gehoord en zich niet gehouden aan de voorwaarden, waaronder de beperking dat de concentratie van eiser na twintig minuten achteruit gaat. Uit hetgeen is opgenomen in het verslag van het nader gehoor kan, anders dan verweerder stelt, niet worden afgeleid dat eiser kon worden gehoord zonder nader onderzoek.
5.2
Verweerder stelt zich op het standpunt dat de besluitvorming niet onzorgvuldig was. In het dossier bevinden zich vier telefoonnotities waaruit blijkt dat er drie keer contact met het kantoor van de gemachtigde is opgenomen. Op 26 november 2021 heeft verweerder, omdat eiser niet was verschenen op het nieuwe onderzoek, contact opgenomen om te achterhalen hoe de medische situatie van eiser is en of er een nieuwe afspraak met MediFirst moet worden ingepland. Op 9 december 2021 heeft verweerder met de secretaresse van de gemachtigde afgesproken dat zij per fax zal laten weten of verweerder eiser kan uitnodigen voor gehoor, of dat er eerst nog een afspraak met MediFirst moet worden ingepland. Op 14 december 2021 is het volgende met de toenmalig gemachtigde besproken:
“Gemachtigde belde terug met de mededeling dat hij betrokkene had gesproken (via (…)) en vertelde dat betrokkene niet op de hoogte was van de uitnodiging om te verschijnen bij MediFirst. Betrokkene wil verder met de procedure.”
Daarna heeft verweerder het nader gehoor ingepland en afgenomen. Uit het verslag van het nader gehoor blijkt ook dat er voorafgaand aan het gehoor telefonisch contact met de gemachtigde is opgenomen omdat er onduidelijkheid was of de gemachtigde bij het gehoor zou zijn of niet. De gemachtigde heeft toen alleen aangegeven dat hij niet aanwezig kon zijn en niet aangegeven dat er eerst een onderzoek door MediFirst afgenomen had moeten worden. Uit het verslag blijkt volgens verweerder bovendien dat er rekening is gehouden met de conclusies uit het eerste MediFirst onderzoek van 29 maart 2021 door regelmatig pauzes te nemen. Eiser heeft zelf ook verklaard dat hij in staat was om het gehoor te doen.
5.3
De rechtbank is, zoals zij ook in haar voorlopig oordeel al had aangegeven, van oordeel dat het bestreden besluit een zorgvuldigheidsgebrek heeft. Daartoe overweegt de rechtbank dat op grond van artikel 3.108b, eerste lid, van het Vb voorafgaand aan of tijdens het onderzoek naar de asielaanvraag beoordeeld moet worden of de vreemdeling bijzondere procedurele waarborgen behoeft als bedoeld in artikel 24 van Richtlijn 2013/32/EU (de Procedurerichtlijn). Indien dit het geval is, wordt ingevolge het tweede lid gedurende het onderzoek passende steun geboden.
5.4
De wijze waarop verweerder in de praktijk invulling geeft aan artikel 24 van de Procedurerichtlijn heeft hij uiteengezet in de Werkinstructie 2021/9 (WI 2021/9), met verwijzing naar Werkinstructie 2021/12 (WI 2021/12). In WI 2021/9 staat onder meer dat de beoordeling of een vreemdeling bijzondere procedurele waarborgen nodig heeft een continue afweging moet zijn, omdat de behoefte aan een procedurele waarborg zich op diverse momenten in de asielprocedure kan voordoen of openbaren. Een IND-medewerker moet hier gedurende de hele asielprocedure alert op zijn. Of sprake is van een kwetsbare vreemdeling die passende steun behoeft kan worden vastgesteld aan de hand van onder meer eigen waarnemingen tijdens of rondom gehoren, verklaringen en/of gedragingen van de vreemdeling, indicatoren/bijzonderheden uit de lijst (bijlage bij WI 2021/9), een medisch advies of signalen van partners in het asielproces, zoals de AVIM, het COA of de gemachtigde van de vreemdeling. Het begrip ‘passende steun’ is niet nader gedefinieerd. De wijze waarop aan dit begrip invulling wordt gegeven is ter beoordeling aan verweerder en een kwestie van maatwerk.
In WI 2021/12 staat onder meer dat het medisch advies onderdeel is van de beoordeling door de IND of de vreemdeling bijzondere procedurele waarborgen nodig heeft.
Conclusie
6. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. De rechtbank ziet geen aanleiding om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven. Ook is er geen mogelijkheid om zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank draagt verweerder ook niet op om het gebrek in een bestuurlijke lus te herstellen omdat verweerder heeft aangegeven een bestuurlijke lus niet te willen toepassen. De rechtbank zal verweerder op grond van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb opdragen alsnog nader medisch onderzoek te (laten) verrichten naar de mogelijkheden van eiser om zijn asielrelaas naar voren te brengen of vragen daarover te beantwoorden. Voor dat onderzoek zal verweerder eiser in ieder geval opnieuw moeten verwijzen naar de medisch adviseur. De rechtbank stelt voor het verrichten van het nadere onderzoek een termijn van zes weken.
6.1
Indien en zodra eiser na dat onderzoek in staat wordt geacht gehoord te worden over zijn asielrelaas, dient verweerder vervolgens eiser opnieuw te horen en binnen zes weken een nieuw besluit op de asielaanvraag te nemen. Mocht de medisch adviseur tot de conclusie komen dat eiser ten tijde van het nader gehoor van 28 december 2021 in staat was om te worden gehoord, al dan niet met inachtneming van bepaalde beperkingen, dan is het aan verweerder om te beoordelen of een nieuw nader gehoor nodig is en/of in welke mate rekening kan worden gehouden met het eerdere nader gehoor. Ook dan geldt de voornoemde termijn van zes weken.
6.2
Aan bespreking van de beroepsgronden die zien op het inhoudelijke besluitvorming komt de rechtbank niet toe, omdat eerst duidelijk moet zijn of en onder welke voorwaarden eiser kan worden gehoord. De inhoudelijke beslissing op zijn asielaanvraag is afhankelijk van de uitkomst van dat medisch advies.
6.3
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.
Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.674,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder deze vergoeding betalen aan de gemachtigde.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 14 oktober 2022;
- draagt verweerder op nader onderzoek te verrichten en opnieuw op de asielaanvraag te beslissen volgens de aanwijzingen en binnen de termijnen als vermeld in deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.674,- aan proceskosten aan de gemachtigde van eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.N. van Rijn, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Pronk, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Vreemdelingenwet 2000.
Pagina’s 3 en 5 van het verslag nader gehoor.
Vreemdelingenbesluit 2000.
Zie onder meer uitspraak van de Afdeling van 6 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3365 en 7 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1584.
Zie pagina 3 van het verslag nader gehoor.
Algemene wet bestuursrecht.