Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-12-04
ECLI:NL:RBDHA:2023:18796
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Verzet
1,367 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.7067 V
uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van
[naam] , opposant
geboren op [geboortedatum] ,
van Jemenitische nationaliteit,
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. S. Kalu-Mollema)
en
De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, (geopposeerde)
(gemachtigde: mr. H.R. Nobel).
Procesverloop
Opposant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag.
Bij uitspraak van 5 september 2023 heeft de rechtbank dat beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Opposant heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld.
De rechtbank heeft het verzet op 29 november 2023 op zitting behandeld. Opposant heeft bij brief van 28 november 2023 de rechtbank verzocht om aanhouding van de behandeling van de zaak. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen. Geopposeerde heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat de ingebrekestelling prematuur was ingediend.
2. In deze verzetzaak beoordeelt de rechtbank uitsluitend of in de buiten-zittinguitspraak terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
3. Opposant meent dat de uitkomst van het beroep niet zonder twijfel vaststond, gelet op de verschillende uitspraken over de toepassing van WBV 2022/22 en de omstandigheid dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) hierover nog in hoger beroep geen uitspraak had gedaan. Voorts meent opposant dat er geen sprake is van een groot aantal asielaanvragen tegelijkertijd, waardoor er geen sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Volgens opposant kan de verlenging van de beslistermijn op grond van een WBV tevens niet vallen onder de gronden die worden genoemd in artikel 31 van Richtlijn 2005/85/EG (Procedurerichtlijn).
4. In wat opposant heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding voor de conclusie dat zij niet tot een kennelijk oordeel heeft kunnen komen. De omstandigheid dat door de verschillende zittingsplaatsen van deze rechtbank anders wordt geoordeeld over de betekenis van WBV 2022/22 voor de beslistermijn van de staatssecretaris, maakt niet dat in dit geval redelijke twijfel bestond over de uitkomst van het beroep. Dat geldt ook voor de behandeling van het hoger beroep door de ABRvS op 13 juni 2023. Zoals de rechtbank heeft overwogen in de aangevallen uitspraak heeft deze zittingsplaats al eerder in gelijke zin over WBV 2022/22 geoordeeld in de uitspraak van haar meervoudige kamer van 26 april 2023 (ECLI:NL:RBDHA:2023:6050) dat de staatssecretaris voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat op het moment van inwerkingtreding van het WBV 2022/22 sprake was van een situatie, zoals bedoeld in artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b van de Vw.
5. De ABRvS heeft in een verwijzingsuitspraak van 8 november 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:4125) zogenoemde prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie in Luxemburg. Zij wil van het Hof van Justitie weten in welke gevallen de staatssecretaris op basis van de Europese Procedurerichtlijn, de standaardbeslistermijn voor asielverzoeken van zes maanden mag verlengen met maximaal negen maanden.
6. Gelet op het toetsingskader in deze verzetprocedure ligt enkel ter beoordeling voor of de rechtbank in de buiten-zittinguitspraak terecht heeft geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep niet-ontvankelijk is. De ABRvS heeft in de uitspraak van 18 januari 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:84) het toetsingskader in verzet uitgelegd.” Als in verzet argumenten naar voren worden gebracht die in geval van een normale behandeling ook nog hadden kunnen worden aangevoerd, moet worden beoordeeld of hierdoor twijfel ontstaat over de uitkomst. Zo ja, dan moet de verzetsrechter het verzet gegrond verklaren zodat nader onderzoek kan plaatsvinden”. Ten tijde van de uitspraak van 5 september 2023 was de rechtbank en ook opposant niet bekend met de verwijzingsuitspraak van de ABRvS. Het oordeel in die uitspraak stond dus buiten redelijke twijfel.
7. In wat opposant heeft aangevoerd, ziet de rechtbank dus geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 5 september 2023. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat de buiten-zittinguitspraak in stand blijft.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, rechter, in aanwezigheid van P.W. Karsowidjojo, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.