Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-11-23
ECLI:NL:RBDHA:2023:18360
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,892 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.27715
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , V-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. R.C. van den Berg),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. P. Jans).
Procesverloop
Bij besluit van 31 augustus 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 9 november 2023 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen T. Tzegai. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Eritrese nationaliteit te hebben.
2. Op 14 mei 2015 heeft eiser voor het eerst een asielaanvraag ingediend in Nederland. Bij besluit van 14 januari 2016 heeft verweerder de door eiser gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst ongeloofwaardig geacht en de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw. Het daartegen ingestelde beroep is door deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, bij uitspraak van 10 februari 2016 gegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat verweerder eisers gestelde identiteit, nationaliteit, herkomst en asielrelaas terecht ongeloofwaardig heeft geacht, maar dat de asielaanvraag ten onrechte was afgewezen als kennelijk ongegrond. Gelet daarop heeft de rechtbank het besluit van 14 januari 2016 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven behoudens de vertrektermijn. Dit oordeel staat in rechte vast.
3. Op 17 juli 2022 heeft eiser de huidige asielaanvraag ingediend. Hierbij heeft hij een geboorteakte en een schoolregistratie overgelegd om zijn gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst alsnog aannemelijk te maken.
4. Verweerder heeft bij het bestreden besluit de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw. Verweerder heeft geconcludeerd dat niet is gebleken van nieuwe elementen en bevindingen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de asielaanvraag. Daarbij heeft verweerder betrokken dat Bureau Documenten ten aanzien van de geboorteakte heeft geconcludeerd dat dit document met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet echt is en dat de legalisatie van dit document vals is. Ten aanzien van de schoolregistratie heeft Bureau Documenten vanwege een gebrek aan voldoende betrouwbaar vergelijkingsmateriaal geen uitspraak kunnen doen over de echtheid, opmaak en afgifte van het document. Verweerder hecht aan de schoolregistratie geen waarde, omdat hij twijfelt aan de inhoudelijke juistheid en betrouwbaarheid van de in de schoolregistratie vermelde gegevens.
5. Eiser voert aan dat hij zijn Eritrese identiteit en nationaliteit in voldoende mate aannemelijk heeft gemaakt. Verweerder heeft ten onrechte geen waarde aan de schoolregistratie gehecht louter en alleen omdat de geboorteakte niet authentiek zou zijn. Daarbij wijst eiser erop dat verweerder zelf in het nader gehoor heeft benadrukt dat de schoolregistratie van belang is. De informatie in de schoolregistratie komt overeen met de verklaringen van eiser en de wijze van verkrijging is in overeenstemming met openbare bronnen. Dit document moet dan ook in eisers voordeel worden meegewogen. Verweerder heeft verder onvoldoende rekening gehouden met de omstandigheid dat eiser Eritrea op jonge leeftijd heeft verlaten. Daarnaast heeft verweerder het rapport van Bureau Documenten te laat toegezonden aan eiser, waardoor eiser niet in staat was om tijdig een contra-expertise te laten verrichten. Eiser verzoekt de rechtbank kennis te nemen van de onderliggende stukken van het rapport van Bureau Documenten. Voorts voert eiser aan dat geen sprake is van een geldig terugkeerbesluit, omdat niet duidelijk is naar welk land eiser dient terug te keren. Ter zitting heeft eiser aangevoerd dat het terugkeerbesluit ook niet gehandhaafd kan worden nu de rechtbank bij uitspraak van 10 februari 2016 de vertrektermijn heeft vernietigd.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Documentenonderzoek
6. Het is vaste jurisprudentie dat een door Bureau Documenten opgestelde verklaring
een deskundigenadvies is. Verweerder moet zich indien hij een deskundigenadvies aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, gelet op artikel 3:2 van de Awb ervan vergewissen dat dit naar wijze van totstandkoming zorgvuldig en naar inhoud inzichtelijk en concludent is. Er kunnen zich situaties voordoen waarin de vergewisplicht van verweerder met zich brengt dat hij moet nagaan hoe Bureau Documenten tot zijn conclusies is gekomen. In dat geval kan verweerder niet volstaan met verwijzen naar de conclusie neergelegd in de verklaring van onderzoek. Een situatie als hiervoor bedoeld doet zich in ieder geval voor als de conclusies van een verklaring van onderzoek in relatie tot de bevindingen naar aanleiding van dat onderzoek vragen oproepen, bijvoorbeeld als die bevindingen niet logischerwijs tot de daaraan verbonden conclusies leiden. Ook als een vreemdeling gemotiveerd heeft betwist dat een verklaring van onderzoek op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, dat de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten, zal verweerder nader invulling moeten geven aan zijn vergewisplicht.
7. De bevindingen van Bureau Documenten over de geboorteakte zijn duidelijk en de conclusies sluiten daarop aan. Eiser biedt onvoldoende aanknopingspunten voor twijfel aan de bevindingen van Bureau Documenten. De vergewisplicht strekt niet zover dat verweerder tot in detail inzichtelijk moet maken hoe Bureau Documenten tot zijn conclusie is gekomen. Daarom hoeft in de verklaring van onderzoek niet te worden opgenomen op welk punt het document afwijkt en welk referentiemateriaal is gebruikt. Het gaat immers om vertrouwelijke informatie waarbij het verder inzichtelijk maken zou betekenen dat de details van het onderzoek openbaar moeten worden gemaakt waarmee vervalsers vervolgens hun voordeel kunnen doen. Verder bevat het dossier een vergewisbrief, waaruit blijkt dat verweerder inzage heeft verkregen in de onderliggende stukken van de verklaring van onderzoek van Bureau Documenten en aan de hand daarvan tot de conclusie is gekomen dat de verklaring van onderzoek inhoudelijk inzichtelijk is. Verweerder heeft hiermee voldaan aan zijn vergewisplicht. De rechtbank ziet gelet op deze omstandigheden geen aanleiding om de onderliggende stukken van het onderzoek van Bureau Documenten in te zien.
8. Voor zover eiser heeft aangevoerd dat verweerder het rapport van Bureau Documenten te laat heeft toegezonden, overweegt de rechtbank dat geen sprake is van een gebrek. Hoewel verweerder de verklaring van onderzoek, gedateerd 4 januari 2023, pas op 24 augustus 2023 heeft toegezonden aan de gemachtigde van eiser, is niet gebleken dat eiser daardoor geen contra-expertise heeft kunnen laten verrichten. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser desgevraagd kenbaar gemaakt dat het erg lastig is om een contra-expert te vinden, dat een contra-expertise onbetaalbaar is en dat eiser tracht op een andere wijze zijn identiteit en nationaliteit aannemelijk te maken. Niet is gebleken dat eiser überhaupt de intentie heeft of enige poging heeft ondernomen om een contra-expertise te laten verrichten. Eiser wordt dan ook niet gevolgd in zijn stelling dat hij door de toezending van de verklaring van onderzoek op 24 augustus 2023 is benadeeld.
Nieuwe elementen of bevindingen
9. Op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw kan verweerder de opvolgende asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaren wanneer door de vreemdeling geen nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag aan de aanvraag zijn gelegd of wanneer geen nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn gekomen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag. Uit het arrest L.H. tegen Nederland volgt dat de beoordeling of sprake is van nieuwe elementen of bevindingen plaatsvindt in twee fases. In de eerste fase wordt onderzocht of er nieuwe elementen of bevindingen zijn of door de vreemdeling zijn voorgelegd in verband met de behandeling van de vraag of hij in aanmerking kan komen voor internationale bescherming. In de tweede fase wordt onderzocht of de nieuwe elementen en bevindingen de kans aanzienlijk groter maken dat de vreemdeling in aanmerking komt voor internationale bescherming.
10.
Conclusie
16. De conclusie is dat verweerder de asielaanvraag niet-ontvankelijk heeft kunnen verklaren, maar dat het terugkeerbesluit niet aan de daaraan gestelde eisen voldoet. Omdat het bestreden besluit een meeromvattende beschikking is, komt het gehele besluit voor vernietiging in aanmerking. Verweerder moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.
17. Omdat het beroep gegrond is, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. De proceskosten worden op vastgesteld op € 1.674 bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift en een punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 837 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1 (gemiddeld).
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen binnen een termijn van zes weken na de
dag van verzending van deze uitspraak, waarbij rekening wordt gehouden met deze
uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.674
(duizendzeshonderdenvierenzeventig euro).
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E. van de Merbel, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Vreemdelingenwet 2000.
Zaaknummer AWB 16/979.
Onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:636.
Algemene wet bestuursrecht.
Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:478.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2022:2506.