Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-11-22
ECLI:NL:RBDHA:2023:18351
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,870 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 22/3268
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 november 2023 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
(gemachtigde: mr. E.H.M. Teeuw),
en
het college van burgemeester en wethouders van Gouda, verweerder
(gemachtigden: mr. P. Lobregt & mr. D. Kruk).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een opbouw op zijn garage.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 29 oktober 2021 (het primaire besluit) afgewezen. Met het besluit van 28 april 2022 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 27 oktober 2023 op zitting behandeld. Eiser is verschenen met zijn vrouw [naam] en zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
Totstandkoming van het bestreden besluit
2. Eiser woont aan het [adres] in [plaats]. Op 11 augustus 2021 heeft hij een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) voor de activiteit ‘Bouwen’ in verband met het bouwen van een opbouw op zijn garage.
2.1.
Verweerder heeft de aanvraag afgewezen. Verweerder heeft zich – samengevat weergegeven – op het standpunt gesteld dat het bouwplan van eiser in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan ‘Plaswijck’ (het bestemmingsplan) en dat hij geen gebruik wil maken van de afwijkingsbevoegdheid.
Beoordeling
3. De rechtbank beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden die eiser tegen het bestreden besluit heeft aangevoerd.
Strijd met het bestemmingsplan
4. Eiser betoogt dat verweerder er ten onrechte van is uitgegaan dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Eiser voert hiertoe aan dat het bouwplan niet in strijd is met artikel 18.2.1, aanhef en onder sub a en e, van de planregels. Volgens eiser is geen sprake van het bouwen van een hoofdgebouw of van een uitbreiding van de woning. In het bestemmingsplan is niet gedefinieerd wat moet worden verstaan onder ‘uitbreiding van de woning’. Eiser stelt dat dit zuiver bouwkundig moet worden beoordeeld. Dat de slaapkamer qua functie deel uitmaakt van de woning, is niet relevant voor de beoordeling. Aangezien de garage geen onderdeel is van het hoofdgebouw en de opbouw op de garage komt, is van uitbreiden van de woning geen sprake. Verder kan een uitbreiding van de woning op grond van paragraaf 6.2 van de toelichting bij het bestemmingsplan alleen betrekking hebben op een op de grond staand bouwwerk. Eiser stelt dat aan artikel 18.2.1, aanhef en onder sub c en d, van de planregels wordt voldaan en de vergunning daarom moet worden verleend.
4.1.
Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het bouwplan niet voldoet aan artikel 18.2.1, aanhef en onder sub a en e, van de planregels. Volgens verweerder betreft de opbouw een extra slaapkamer die in directe verbinding staat met de bestaande woning. Aangezien een slaapkamer een primair onderdeel is van de woning, wordt de woning uitgebreid.
4.2.
Ter plaatse van het bouwplan is het bestemmingsplan ‘Plaswijck’ van toepassing. Op het perceel geldt de bestemming ‘Wonen’. In artikel 18.2.1, aanhef en onder sub a, van de planregels staat dat hoofdgebouwen uitsluitend binnen het bouwvlak mogen worden gebouwd. In artikel 18.2.1, aanhef en onder sub e, staat dat uitbreidingen van de woning mogen worden gebouwd mits de goothoogte niet meer bedraagt dan de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw en de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 3,5 m.
4.3.
Vast staat dat de bestaande woning als hoofdgebouw moet worden gezien en dat deze woning het volledige bouwvlak beslaat. Verder staat vast de garage aan de woning vast zit, maar buiten het bouwvlak ligt. Ten slotte staat vast dat het bouwplan voorziet in een opbouw op de garage. Dit is tussen partijen ook niet in geschil. Tussen partijen is wel in geschil of het bouwplan is aan te merken als een uitbreiding van de woning.
4.4.
De rechtbank stelt vast dat het bestemmingsplan geen definitie bevat van het begrip ‘uitbreiding van de woning’. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) moet er in dat geval worden aangesloten bij hetgeen in het algemeen spraakgebruik onder dit begrip wordt verstaan. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van het ’’Van Dale Groot Woordenboek der Nederlandse Taal’’. Onder het begrip ‘uitbreiden’ wordt verstaan: ‘het groter in omvang maken’. In dit geval is er sprake van het groter maken van de woning. Uit de aanvraag volgt dat de opbouw een slaapkamer behelst en dat die in directe verbinding staat met de woning. De rechtbank overweegt dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de slaapkamer in functioneel opzicht met de woning is verbonden en dat hiermee de woning in omvang groter wordt gemaakt. De opbouw kan niet worden aangemerkt als een afzonderlijke ruimte. De opbouw is dus aan te merken als een uitbreiding van de woning en is daarmee ook onderdeel van het hoofdgebouw. Vast staat dat de opbouw buiten het bouwvlak ligt, zodat verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat het hoofdgebouw wordt uitgebreid buiten het bouwvlak. Vast staat verder dat goothoogte van de opbouw meer bedraagt dan de hoogte van de eerste bouwlaag van de woning en de bouwhoogte van de opbouw meer bedraagt dan 3,5 m. Het bouwplan is daarom in strijd met artikel 18.2.1, aanhef en onder sub a en e, van de planregels.
4.5.
Verweerder stelt zich dus terecht op het standpunt dat er strijd is met het bestemmingsplan. Dat het bouwplan voldoet aan artikel 18.2.1, aanhef en onder sub c en d, van de planregels leidt niet tot een ander oordeel. Er moet immers ook worden voldaan aan artikel 18.2.1, aanhef en onder sub a en e. Voor zover eiser betoogt dat artikel 18.2.1, aanhef en onder e, van de planregels niet op zijn bouwplan ziet, volgt de rechtbank dit niet. Dit artikel ziet op alle uitbreidingen van woningen. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan te nemen dat dit artikel alleen geldt voor uitbreidingen van de woningen die direct met de grond zijn verbonden. Anders dan eiser betoogt, staat dit ook niet in paragraaf 6.2 van de toelichting bij het bestemmingsplan.
Afwijkingsbevoegdheid
5. Eiser betoogt voorts dat verweerder gebruik had moeten maken van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid van artikel 18.4 van de planregels om de strijdigheid met artikel 18.2.1, aanhef en onder sub e, weg te nemen. Verweerder kan daarnaast via artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder sub a, onder 2o van de Wabo door middel van buitenplanse afwijking, de zogeheten kruimelregeling, medewerking verlenen aan het bouwplan.
5.1.
De rechtbank overweegt dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen beslissen om geen medewerking te verlenen aan het afwijken van het bestemmingsplan. Verweerder heeft toegelicht dat de woning van eiser aan de rand van de wijk ligt en dat het uitgangspunt is om deze rand open en luchtig te houden, waarbij de doorkijk naar het achtergelegen groen behouden blijft. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het bouwplan zorgt voor verdichting van het straatbeeld. Als de opbouw wordt gebouwd, is er sprake van minder doorkijk naar het achtergelegen groen. Verweerder heeft verder van belang kunnen vinden dat de garage bij de woning van eiser is verbonden met de garage van de naastgelegen woning aan het Beemdgras 40. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat als een opbouw op de garage van eiser wordt toegestaan precedentwerking ontstaat, waardoor ook een eventuele aanvraag voor een opbouw op de garage van de buren moeilijk kan worden geweigerd. Hierdoor kan een muur aan bebouwing ontstaan, waardoor het open en luchtige karakter volledig verdwijnt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in redelijkheid ervoor kunnen kiezen om het stedenbouwkundig belang bij het behoud van de open rand van de wijk zwaarder te laten wegen dan het belang van eiser om de woning uit te breiden.
Gelijkheidsbeginsel
6. Eiser betoogt ten slotte dat er strijd is met het gelijkheidsbeginsel, omdat andere woningen in de wijk wel een opbouw op de garage hebben. Eiser verwijst naar de opbouw op het adres Raaigras 60 in Gouda. In de nadere stukken heeft eiser 56 afbeeldingen overgelegd van opbouwen op garages in zijn buurt. Het gelijkheidsbeginsel verplicht dat gelijke gevallen gelijk behandeld worden en verweerder had daarom de omgevingsvergunning aan eiser moeten verlenen.
6.1.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van vergelijkbare gevallen. Ter zitting heeft verweerder verduidelijkt dat de ligging van de woning van eiser aan de rand van de wijk doorslaggevend is voor de weigering van de omgevingsvergunning. Zoals volgt uit 5.1 geldt hier het uitgangspunt om verdichting te voorkomen en de bebouwing open en luchtig te laten. De door eiser genoemde woningen liggen vrijwel allemaal niet aan de rand van de wijk. Voor die woningen geldt dit uitgangspunt daarom niet, zodat van gelijke gevallen geen sprake is.
Conclusie
7. De conclusie van het voorgaande is dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten de omgevingsvergunning te weigeren.
8. Het beroep is ongegrond.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A. Klein, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 22 november 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:256.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 2 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2084.