Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-11-28
ECLI:NL:RBDHA:2023:18320
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,694 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.36092
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser,
geboren op [geboortedatum]
van Algerijnse nationaliteit,
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. L.J. Meijering),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris,
(gemachtigde: mr. G. Bouius).
Procesverloop
Bij besluit van 14 november 2023 (het bestreden besluit) heeft de staatssecretaris aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De staatssecretaris heeft de maatregel van bewaring op 14 november 2023 opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 24 november 2023 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn met voorafgaande kennisgeving niet verschenen. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
Overwegingen
1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw 2000 kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
2. In de maatregel van bewaring heeft de staatssecretaris overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De staatssecretaris heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb 2000), hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:
(zware gronden)
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;3f. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;3j. aan de grens te kennen heeft gegeven een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te willen indienen, en zijn aanvraag met toepassing van de grensprocedure niet in behandeling is genomen, niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;
(lichte gronden)
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;4f. arbeid heeft verricht in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen.
2.1.
De staatssecretaris heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Voorts heeft de staatssecretaris overwogen dat een minder dwingende maatregel (een lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast.
2.2.
De staatssecretaris heeft ter zitting de gronden 3f, 3j en 4f laten vallen.
Voortraject
3. Eiser voert aan dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is omdat deze niet in een taal die eiser begrijpt is uitgereikt. Eiser verwijst naar het uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 15 november 2023. De belangenafweging dient in het voordeel van eiser uit te vallen.
3.1.
De staatssecretaris voert aan dat er voorafgaand aan de inbewaringstelling aan eiser een informatiebrief is uitgereikt in de Arabische taal en dat hiermee is voldaan aan de voorwaarden uit de door eiser genoemde Afdelingsuitspraak.
3.2.
De rechtbank overweegt dat uit de Afdelingsuitspraak van 15 november 2023 volgt dat de staatssecretaris, om te voldoen aan de informatieplicht zoals deze volgt uit Europese wetgeving en artikel 5.3, eerste lid, derde zin, van de Vb 2000, kan volstaan met een schriftelijk stuk waarin de rechtsmiddelen en de mogelijkheid van gratis rechtsbijstand staan vermeld en waarin een overzicht is opgenomen van de van toepassing zijnde juridische en feitelijke gronden van de bewaring.
3.3.
De rechtbank is van oordeel dat in het geval van eiser onvoldoende duidelijk is of de overgelegde informatiebrief voldoet aan de hiervoor genoemde voorwaarden uit de Afdelingsuitspraak van 15 november 2023. De enkele verklaring van de staatssecretaris ter zitting dat de informatiebrief volstaat omdat daarin de (algemene) informatie wordt gegeven die volgens de Afdeling nodig is, is hiervoor onvoldoende. De informatiebrief is niet inzichtelijk gemaakt voor de rechtbank. Hierdoor heeft de rechtbank niet kunnen vaststellen of er in het geval van eiser is voldaan aan de informatieplicht. Daarmee is sprake van een gebrek en is een belangenafweging noodzakelijk. De rechtbank is van oordeel dat de ernst van het gebrek niet opweegt tegen de belangen die met de bewaring zijn gediend en dat de belangenafweging dus in het voordeel van de staatssecretaris uitvalt. Eiser is immers tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling in kennis gesteld van het feit dat hij in bewaring wordt gesteld en de redenen die hieraan ten grondslag liggen. Verder heeft eiser een (piket)advocaat toegewezen gekregen en heeft die namens hem beroep ingesteld. Hoewel niet is gebleken dat de informatie bij de uitreiking van de maatregel van bewaring in een voor eiser begrijpelijke taal kenbaar is gemaakt, heeft eiser ook zonder deze informatie gebruik kunnen maken van de hem toekomende procedurele rechten en was hij op de hoogte van de redenen voor zijn inbewaringstelling. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Grondslag en gronden
4. De rechtbank is van oordeel dat eiser valt onder de in artikel 59, aanhef en onder a, van de Vw 2000 genoemde categorie vreemdelingen. Eiser heeft geen rechtmatig verblijf en aan hem is op 22 maart 2023 een terugkeerbesluit uitgereikt. Verder is de rechtbank van oordeel dat de zware en lichte gronden 3a, 3c, 3d, 3i, 4a, 4c en 4d feitelijk juist zijn en, in samenhang gezien en gelet op de motivering in de maatregel, voldoende zijn om de maatregel van bewaring te kunnen dragen en dat voldoende grond bestaat voor het standpunt van de staatssecretaris dat er een risico op onttrekking bestaat.
Lichter middel
6. Gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, het feit dat eiser geen gevolg heeft gegeven aan de plicht tot terugkeer welke volgt uit het terugkeerbesluit en de verklaringen van eiser dat hij niet terug wil keren naar Algerije, is de staatssecretaris er terecht vanuit gegaan dat eiser niet uit eigen beweging gevolg zal geven aan de op hem rustende vertrekplicht. Een lichter middel volstaat derhalve niet om de uitzetting van eiser te verzekeren. Voorts is de rechtbank niet gebleken van persoonlijke belangen van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken en waarin de staatssecretaris aanleiding heeft moeten zien eiser niettemin een lichter middel dan bewaring op te leggen. De persoonlijke omstandigheden zijn wellicht summier gemotiveerd in de maatregel van bewaring, maar gezien de aard van de persoonlijke omstandigheden en gezien hetgeen hiervoor is overwogen, ziet de rechtbank hierin geen aanleiding om de maatregel onrechtmatig te achten.
Voortvarendheid en zicht op uitzetting
7. Eiser stelt dat er geen zicht op uitzetting naar Algerije aanwezig is, dit is ook de reden geweest van de opheffing van de maatregel. Eiser wijst op de Afdelingsuitspraak van 4 mei 2022.
7.1.
De staatssecretaris voert aan dat de opheffing van de maatregel wegens gebrek aan zicht op uitzetting een vergissing was. Eiser beschikte over een kopie van een paspoort en hierdoor was er wel sprake van zicht op uitzetting in het geval van eiser. De staatssecretaris wijst op de uitspraak van deze rechtbank en deze zittingsplaats van 9 november 2023.
7.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de staatssecretaris voldoende duidelijk gemotiveerd dat in het geval van eiser wel zicht op uitzetting naar Algerije kan worden aangenomen. Dat de bewaring is opgeheven met de mededeling dat geen zicht op uitzetting bestaat leidt gelet op hetgeen de staatssecretaris daarover op zitting heeft toegelicht niet tot een andere conclusie.
Conclusie
8. Concluderend is de rechtbank niet gebleken dat een uit het Unierecht voortvloeiende voorwaarde voor de rechtmatigheid van de opgelegde bewaringsmaatregel niet is nageleefd. Hetgeen namens eiser verder naar voren is gebracht, geeft ook geen aanleiding om thans de bewaring onrechtmatig te achten.
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, rechter, in aanwezigheid van
mr. V. Vegter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
ECLI:NL:RVS:2023:4180.
ECLI:NL:RVS:2022:1274.
ECLI:NL:RBNNE:2023:4606.
Zoals volgt uit de Afdelingsuitspraken van 13 januari 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:85) en van 2 augustus 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:2210).