Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-08-15
ECLI:NL:RBDHA:2023:18298
Bestuursrecht
Wraking
1,780 tokens
Dictum
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker] ,
zonder vaste woon- of verblijfplaats,
hierna te noemen: verzoeker,
strekkende tot de wraking van
mr. M.P. Verloop,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de zittingsaantekeningen van de zitting van 17 juli 2023 die met een beeldverbinding via MS Teams heeft plaatsgevonden;
- het door verzoeker ingediende formulier ‘Verzoek aan rechtbank om voorlopige voorziening bij beroepsprocedure’ van 17 juli 2023;
- de e-mail van verzoeker van 17 juli 2023 waarin hij verzoekt om een andere rechter zijn zaak te laten behandelen;
- het schriftelijke wrakingsverzoek van 17 juli 2023;
- de e-mails van verzoeker van 17 en 18 juli 2023;
- de schriftelijke reactie van de rechter van 26 juli 2023;
- de e-mails van verzoeker van 7, 9, 10, 11 en 13 augustus 2023 waarin hij verzoekt om een digitale zitting en/of telefonisch gehoord te worden en waarin hij reageert op de afwijzing van dat verzoek;
- de e-mails van de wrakingskamer van 9, 10 11 augustus 2023 over het verzoek om een digitale zitting en waarin dit verzoek uiteindelijk wordt afgewezen;
- de e-mail van verzoeker van 14 augustus 2023 waarin hij aangeeft dat hij niet bij de zitting aanwezig zal zijn.
1.2.
Op 14 augustus 2023 is het verzoek tot wraking ter zitting behandeld. Hierbij is als toehoorder verschenen [wederpartij in de hoofdzaak] namens het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Katwijk, de wederpartij in de hoofdzaak.
Verzoeker en de rechter hebben laten weten niet te zullen verschijnen.
2Het wrakingsverzoek
2.1.
Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de zaken met nummers SGR 23/4342 en 23/4370 tussen verzoeker en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Katwijk (hierna: het college). Het college heeft bij (primair) besluit van 17 april 2023 verzoekers recht op bijstand op grond van de Participatiewet (Pw) ingetrokken met ingang van 8 februari 2023. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en heeft verzocht om schadevergoeding ter grootte van de opslagkosten voor zijn goederen die zich in de gemeenteopslag bevinden. Bij besluit van 16 juni 2023 heeft het college het primaire besluit van 17 april 2023 ingetrokken en (alsnog) beslist dat verzoeker een uitkering op grond van de Pw zal krijgen over de periode van 8 februari 2023 tot en met 31 mei 2023.
Bij besluit van 26 juni 2023 heeft het college het bezwaarschrift van verzoeker niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en een voorlopige voorziening gevraagd. Naar aanleiding van de zitting waarop dit beroep en verzoek om voorlopige voorziening zijn behandeld, heeft verzoeker het wrakingsverzoek gedaan.
2.2.
Verzoeker heeft blijkens het schriftelijke wrakingsverzoek het volgende aan zijn verzoek ten grondslag gelegd. Tijdens de zitting kreeg verzoeker de indruk dat de rechter niet in staat is om zijn probleem op te lossen. Bovendien besteedde de rechter meer aandacht aan de vertegenwoordiger van het college en deze kreeg meer spreektijd dan verzoeker.
2.3.
De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft op het verzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna voor zover nodig besproken.
Beoordeling
3.1.
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij of zij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren zodra deze aan hem bekend zijn geworden.
3.2.
Verzoeker heeft aan het verzoek ten grondslag gelegd dat hij denkt dat de rechter niet in staat zal zijn om zijn probleem op te lossen en dat hij teleurgesteld is omdat ze meer aandacht besteedde aan de wederpartij dan aan hem. De door verzoeker aangevoerde gronden betreffen slechts veronderstellingen en suggesties. Concrete feiten waaruit de wrakingskamer de vooringenomenheid van de rechter of de objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor kan afleiden, ontbreken.
3.3.
Voor zover verzoeker (in zijn nadere e-mails) aan het wrakingsverzoek nog ten grondslag heeft willen leggen dat de rechter niet is ingegaan op alle onderdelen van zijn beroepschrift/verzoek voorlopige voorziening en dat zij er alleen op uit was om een beslissing te nemen ten gunste van het college, overweegt de wrakingskamer als volgt. Uit de zittingsaantekeningen blijkt dat de rechter vragen heeft gesteld over de voorliggende geschilpunten waarop in deze zaak een beslissing moet worden genomen. De rechter heeft geenszins een (voorlopig) oordeel gegeven over de zaak en heeft na het sluiten van de behandeling van de zaak aangegeven dat de beslissing over twee weken volgt. Uit deze gang van zaken blijkt geen (schijn van) partijdigheid van de rechter jegens verzoeker. Ook de omstandigheid dat de vertegenwoordiger van het college zou hebben gelachen toen de rechter aangaf dat zij de videoverbinding wilde gaan verbreken, is geen aanwijzing voor vooringenomenheid van de rechter. Het verzoek zal daarom wordt afgewezen.
Dictum
De wrakingskamer
4.1.
wijst het verzoek tot wraking af;
4.2.
bepaalt dat de behandeling van de onder 2.1 vermelde procedure wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;
4.3.
beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 8:18, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt toegezonden aan:
• de verzoeker;
• de wederpartij;
• de voorzieningenrechter;
Deze beslissing is gegeven door mrs. J.E. Bierling, G.P. Kleijn en E.A.W. Schippers, in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.M.N. van Limpt-Schrover en in het openbaar uitgesproken op 15 augustus 2023.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.