Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-11-21
ECLI:NL:RBDHA:2023:18175
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
605 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.22380
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , eiser
V-nummer: [V-nr.]
(gemachtigde: mr. M.M. Polman),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. C.W.M. van Breda).
Procesverloop
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 8 november 2023 op zitting behandeld. Eiser is, met bericht vooraf, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Overwegingen
1. Bij bericht van 1 november 2023 heeft gemachtigde van eiser aangegeven dat eiser en zijzelf niet ter zitting zullen verschijnen en dat er melding is gemaakt dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken, maar dat zij nog wel in contact staat met eiser. Op verzoek van de rechtbank heeft gemachtigde aangegeven dat het laatste contact plaatsvond op 25 oktober 2023 en dat zij niet weet of eiser in Nederland verblijft. Uit het bericht van verweerder blijkt dat eiser per 31 oktober 2023 met onbekende bestemming is vertrokken. Eiser is ook niet ter zitting verschenen. Hieruit leidt de rechtbank af dat eiser kennelijk geen prijs meer stelt op de oorspronkelijk in Nederland gezochte bescherming, waardoor hij geen belang heeft bij de beoordeling van zijn beroep. Omdat er geen procesbelang bestaat is het beroep niet-ontvankelijk.
2. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 8 november 2023 door mr. H. Remerie, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.
Zie ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:579.