Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-11-24
ECLI:NL:RBDHA:2023:18150
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,840 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.30992
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser,
geboren op [geboortedatum] ,
van Syrische nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. J.J. de Vries)
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris
(gemachtigde: mr. R.R. de Groot).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de niet-ontvankelijkheidsverklaring van zijn asielaanvraag op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), omdat eiser internationale bescherming heeft in Bulgarije.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening, op 18 oktober 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de staatssecretaris.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden die eiser naar voren heeft gebracht.
3. De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4. De staatssecretaris heeft eisers asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard, omdat uit Eurodac is gebleken dat eiser sinds 13 augustus 2021 internationale bescherming heeft in Bulgarije. Nu eiser door Bulgarije internationale bescherming is verleend mag verondersteld worden dat eiser een band heeft met dit land die sterker is dan de band met Nederland waardoor het voor eiser redelijk is om naar dat land terug te gaan. Dat Bulgarije zijn verplichtingen op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel in zijn geval niet nakomt, is door eiser niet aannemelijk gemaakt. Uit het verlenen van een status blijkt reeds de intentie van de Bulgaarse autoriteiten om eiser te beschermen en daarmee geniet eiser dezelfde rechten als Bulgaarse staatsburgers. Uit de verklaringen van eiser is niet gebleken dat hij voldoende concrete pogingen heeft gedaan om deze rechten te effectueren. Nu bovendien de Bulgaarse autoriteiten bij brief van 3 augustus 2023 individuele garanties voor eiser hebben gegeven, bestaat volgens de staatssecretaris geen aanleiding om de aanvraag van eiser inhoudelijk te beoordelen.
Juridisch kader
5. In artikel 3.106a, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) staat dat de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd slechts niet-ontvankelijk wordt verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, b of c, van de Vw 2000, als de vreemdeling zo’n band heeft met het betrokken andere land dat het voor hem redelijk zou zijn om naar dat land te gaan. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) is daaraan al voldaan als een vreemdeling in een lidstaat van de Europese Unie internationale bescherming geniet.
6. De staatssecretaris moet echter van dit uitgangspunt afwijken als sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden die tot een andere conclusie leiden. In artikel 3.106a, derde lid, van het Vb 2000 staat dat bij de beoordeling of sprake is van een band als bedoeld in het tweede lid, alle relevante feiten en omstandigheden betrokken moeten worden, waaronder de aard, duur en omstandigheden van het eerdere verblijf. Uit de uitspraak van de Afdeling van 31 maart 2023, volgt dat de belangen van het kind bedoeld in artikel 24 van het EU Handvest hier ingelezen moeten worden.
Belangen van het kind
7. Eiser beroept zich nadrukkelijk op de belangen van het kind en stelt hij dat het in zijn belang is om in Nederland te mogen blijven. De voogd van eiser heeft eerder gedurende het gehoor verblijf EU-land erop gewezen dat eiser familieleden in Nederland heeft en dat hij daarom (onder meer) niet kan terugkeren naar Bulgarije. Eiser heeft in de zienswijze vermeld dat hij contact onderhoudt met zijn in Nederland wonende tante, dat hij regelmatig bij haar op bezoek gaat, dat hij Nederlands spreekt, naar school gaat en al langere tijd in Nederland is. De Bulgaarse autoriteiten hebben bevestigd dat er, zover bekend, geen familieleden van eiser in Bulgarije verblijven.
7.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de staatssecretaris in zijn besluitvorming bovenstaande omstandigheden onvoldoende kenbaar meegewogen. Het standpunt dat eiser zich in de zienswijze ‘opeens’ beroept op de aanwezigheid van zijn tante in Nederland, en dat daarom aan deze omstandigheid (kennelijk) geen gewicht kan toekomen, acht de rechtbank onnavolgbaar. Eiser heeft, onder meer bij monde van zijn voogd, gedurende de besluitvormingsprocedure expliciet gesteld dat het in zijn belang is om in de nabijheid van familie te verblijven. De staatssecretaris had moeten toetsen of deze omstandigheid, en de andere door eiser aangevoerde omstandigheden, kwalificeren als bijzondere feiten en omstandigheden die maken dat hij van het uitgangspunt moet afwijken dat het voor eiser redelijk is om naar Bulgarije te gaan vanwege de hem in dat land verleende internationale beschermingsstatus. Het beroep is reeds hierom gegrond.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
8. Eiser heeft voorts aangevoerd dat hij bij vertrek naar Bulgarije een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het EU Handvest vanwege de algemene situatie in Bulgarije voor statushouders.
8.1.
De staatssecretaris mag er in beginsel van uitgaan dat de behandeling van een vreemdeling in de lidstaat waar hij of zij een internationale bescherming geniet, in overeenstemming is met de bepalingen van het EU-Handvest, het Vluchtelingenverdrag en het EVRM. Dit uitgangspunt wordt ook wel het interstatelijk vertrouwensbeginsel genoemd. Het is aan de vreemdeling om dat vermoeden te weerleggen. Daarvoor kan hij objectieve informatie overleggen en kan hij feiten stellen of verklaringen afleggen over zijn ervaringen in de lidstaat die hem internationale bescherming verleent, waaruit blijkt dat hij daar het risico loopt om te worden behandeld in strijd met artikel 4 van het EU Handvest. Als de vreemdeling dat heeft gedaan, dan moet de staatssecretaris motiveren waarom hij toch van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. Zie het arrest van het Hof van Justitie in de zaak Ibrahim.
8.2.
Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 16 december 2021, heeft de Afdeling uit het arrest Ibrahim afgeleid dat de drempel voor een beroep op artikel 4 van het EU Handvest – dat gelijkstaat aan artikel 3 van het EVRM – onverminderd hoog blijft. De drempel wordt bereikt wanneer de onverschilligheid van de autoriteiten van de betrokken lidstaat ertoe leidt dat iemand die volledig afhankelijk is van overheidssteun, buiten zijn eigen wil en keuzes om, terechtkomt in een "toestand van zeer verregaande materiële deprivatie", waardoor hij niet kan voorzien in zijn belangrijkste basisbehoeften, zoals wonen, eten en zich wassen, en waardoor zijn lichamelijke of geestelijke gezondheid zou worden geschaad of zijn leefomstandigheden mensonwaardig zouden worden. In het geval dat de situatie in een lidstaat voor statushouders in het algemeen zo slecht is dat statushouders na hun vertrek naar die lidstaat een reëel risico lopen op een behandeling in strijd met artikel 4 van het EU Handvest, is niet vereist dat een vreemdeling bijzonder kwetsbaar is, zo kan worden afgeleid uit het arrest Ibrahim. Zie naast het arrest Ibrahim ook het arrest Addis.
8.3.
Zoals de Afdeling ook eerder heeft overwogen, namelijk in haar uitspraak van 16 december 2021, onder 7.1, was de situatie in Bulgarije destijds niet zo slecht dat statushouders structureel, op grote schaal en voor langere periodes, het reële risico liepen dat zij geen toegang hadden tot fundamentele behoeften, zoals onderdak en eten en dat statushouders daarom een reëel risico liepen op schending van artikel 4 van het EU Handvest en artikel 3 van het EVRM waartegenover de Bulgaarse autoriteiten onverschillig zouden staan. Ook blijkt uit de stukken die in die zaak waren overgelegd dat het de meeste statushouders, voor zover zij niet doorreisden, lukte om een zelfstandig bestaan op te bouwen in Bulgarije.
8.4.
De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Bulgarije, vanwege de algemene situatie waarin statushouders komen te verkeren, het risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Eiser heeft daarvoor onvoldoende concrete omstandigheden aangevoerd. De staatssecretaris gaat er terecht vanuit dat Bulgarije in zijn algemeenheid zijn internationale verplichtingen nakomt.
Conclusie
9. De staatssecretaris heeft de asielaanvraag van eiser onterecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is gegrond. De staatssecretaris moet een nieuwe besluit nemen op de aanvraag van eiser. Gelet op de minderjarigheid van eiser, stelt de rechtbank hiervoor een termijn van zes weken. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 28 september 2023;
- draagt de staatssecretaris op binnen zes weken na bekendmaking van deze uitspraak
een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt de staatssecretaris tot betaling van € 1.674,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Nieuwenhuis, rechter, in aanwezigheid van mr. P.C.J. Lindeijer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak bekend is gemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Afdelingsuitspraak van 30 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1795.
Vergelijk de Afdelingsuitspraak van 12 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:442.
ECLI:NL:RVS:2023:1270.
Arrest van het Hof van Justitie van 19 maart 2019, Ibrahim, ECLI:EU:C:2019:219, punten 83-85 en 88-89.
ECLI:NL:RVS:2021:2857.
Arrest van het Hof van Justitie van 16 juli 2020, Addis ECLI:EU:C:2020:579, punten 50-52.
Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 4 november 2014, Tarakhel tegen Zwitserland, ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712.