Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-10-30
ECLI:NL:RBDHA:2023:18124
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,753 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL23.32296
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. E. El Assrouti), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. F. van de Kamp).
Inleiding
Op 10 oktober 2023 heeft verweerder eiser in vreemdelingenbewaring (hierna: bewaring) gesteld, op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Eiser is het hier niet mee eens en heeft beroep ingesteld. Dit beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 23 oktober 2023 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen H. Al Ibrahim. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of de bewaring van eiser rechtmatig is.
Overwegingen
1. Eiser heeft de Libische nationaliteit en is geboren op [1995].
De inspanningsverplichting
2. Eiser voert aan dat verweerder niet heeft voldaan aan zijn inspanningsverplichting. Eiser heeft voorafgaand aan de bewaring, vanaf 20 september 2023, in strafrechtelijke detentie gezeten. Verweerder heeft toen niets gedaan om de overdracht naar Duitsland voor te bereiden.
3. De rechtbank oordeelt als volgt. Uit de stukken blijkt dat eiser in de periode van 20 september 2023 tot 10 oktober 2023 in voorarrest zat. Het was dus niet op voorhand duidelijk op welke datum hij vrij zou komen. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State1 volgt dat verweerder in dat geval geen inspanningsverplichting heeft om tijdens de strafrechtelijke detentie al inspanningen te
verrichten om een daaropvolgende maatregel van bewaring zo kort mogelijk te laten duren. De beroepsgrond slaagt niet.
De gronden van de maatregel van bewaring
4. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening. Ook is er een significant risico dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder moet dit motiveren aan de hand van de gronden in artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Verweerder heeft als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
5. Eiser heeft de lichte grond 4e betwist. De rechtbank stelt vast dat eiser de overige gronden niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist en voldoende gemotiveerd zijn, en de maatregel van bewaring kunnen dragen.
De detentiegeschiktheid
6. De rechtbank heeft ter zitting ambtshalve aan de orde gesteld dat eiser in het gehoor voorafgaand aan de bewaring heeft verklaard dat hij ziek is en daarom niet in bewaring kan worden gesteld.
7. De rechtbank oordeelt hierover als volgt. Het ligt op de weg van eiser om (met (medische) stukken) te onderbouwen dat hij als gevolg van zijn medische klachten detentieongeschikt is. De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting terecht opgemerkt dat eiser zijn verklaring niet nader heeft onderbouwd. De rechtbank ziet ook in het dossier geen concrete aanknopingspunten dat eiser detentieongeschikt is.
Het lichter middel
8. Eiser voert aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel dan de maatregel van bewaring. Bewaring moet worden gezien als een ultimum remedium, en eiser is bereid om zich aan een meldplicht te houden.
9. De rechtbank oordeelt als volgt. Uit de gronden en de motivering daarvan volgt dat er een significant risico is dat eiser zich aan het toezicht op vreemdelingen zal onttrekken. Bovendien heeft eiser de beslissing op zijn asielaanvraag in Duitsland niet afgewacht, maar is doorgereisd naar Nederland. Verweerder heeft in de enkele verklaring van eiser dat hij openstaat voor een meldplicht dus geen aanleiding hoeven te zien om een lichter middel op te leggen. Verweerder is ook voldoende ingegaan op de medische omstandigheden van
eiser. In de maatregel van bewaring staat dat eiser heeft verklaard dat hij ziek is, maar dat hierin geen aanleiding wordt gezien om een lichter middel op te leggen. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat uit het gehoor bleek dat eiser niet onder doktersbehandeling stond, en dat bovendien de medische zorg in het detentiecentrum gelijkwaardig is aan die in de vrije maatschappij. Eiser heeft dit niet betwist. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat niet kan worden volstaan met een lichter middel. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie
10. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Op grond van de stukken en wat op de zitting is besproken, is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is.
11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Valk, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
30 oktober 2023
Documentcode: [Documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.