Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-11-24
ECLI:NL:RBDHA:2023:18050
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,718 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/6858
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 november 2023 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
en
Stichting Prof. Leo Kanner Onderwijsgroep, te Oegstgeest, de school
(gemachtigde: mr. B.P.L. Vorstermans).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van de school van 1 september 2023.
1.1.
Omdat de bestuursrechter kennelijk onbevoegd is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.Om dezelfde redenen was er voor de rechtbank geen aanleiding verweerder te vragen alle op de zaak betrekking hebbende stukken in te zenden (artikel 8:42 van de Awb).
Beoordeling
2. Eiser heeft als vader van zijn zoon [naam] beroep ingediend tegen de handhaving van de beslissing om zijn zoon van de [schoolinstituut 1] VSO te verwijderen. De school is een school in de zin van de Wet op de expertisecentra (Wec).
Dictum
De school heeft besloten om de zoon van eiser van school te verwijderen omdat de school niet het onderwijs kan bieden dat hij nodig heeft.
Bevoegdheid bestuursrechter
3. De rechtbank heeft kennisgenomen van de uitvoerige argumentatie van eiser in zijn beroepschrift en dat zijn zoon met ingang van 21 augustus 2023 lessen volgt bij [schoolinstituut 2]. Zij stelt, overeenkomstig het verweerschrift van de school, vast, dat de bestuursrechter onbevoegd is om uitspraak te doen in deze zaak. De rechtbank is als volgt tot dit oordeel gekomen.
4. Op grond van artikel 1:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder een bestuursorgaan verstaan a) een orgaan van een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld (hierna: een a-orgaan) of b) een ander persoon of college, met enig openbaar gezag bekleed (hierna: een b-orgaan).
5. Op grond van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder een besluit verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
6. Op grond van artikel 8:1, eerste lid, van de Awb kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de rechtbank.
7. De rechtbank stelt vast dat de school onderdeel uitmaakt een bijzondere instelling voor voortgezet speciaal onderwijs en dat die instelling een rechtspersoon is die krachtens privaatrecht is ingesteld.
8. De school kan niet als een a-orgaan worden aangemerkt. Daarmee komt de rechtbank toe aan de vraag of de school als een b-orgaan kan worden aangemerkt. Voor het antwoord op die vraag is bepalend of aan de school een of meer overheidstaken zijn opgedragen en daarvoor de benodigde publiekrechtelijke bevoegdheden zijn toegekend.
9. In de Memorie van Toelichting op de Aanpassing onderwijswetgeving aan de derde tranche Awb is onder meer het volgende opgenomen: ”Het bevoegd gezag van een bijzondere school is in beginsel geen bestuursorgaan, want bijzondere scholen zijn instellingen naar privaatrecht (het bijzonder onderwijs is niet van de overheid). Voorzover het bevoegd gezag van een bijzondere school getuigschriften afgeeft neemt het een besluit en kan het op grond van artikel 1:1, eerste lid, onder b, Awb als bestuursorgaan worden aangemerkt. De afgifte van getuigschriften betreft immers de uitoefening van openbaar gezag. Het is bovendien een rechtshandeling waaraan door de onderwijswetten publiekrechtelijke rechtsgevolgen worden verbonden.”
10. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) volgt dit uitgangspunt van de wetgever dat - behoudens de uitzondering ter zake van de afgifte van getuigschriften - het optreden van bijzondere onderwijsinstellingen buiten de reikwijdte van de Awb valt.
De rechtbank is van oordeel dat de verwijdering van eisers zoon niet onder deze uitzondering valt. De beslissing om zijn zoon van school te verwijderen heeft geen vergelijkbare (rechts)gevolgen als de afgifte van een getuigschrift. De beslissing van de school moet niet als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb worden aangemerkt. In het geval van de zoon van eiser is geen sprake van een beslissing over de toelaatbaarheid tot het speciaal onderwijs, maar van een beslissing tot verwijdering van het bijzonder onderwijs. De omstandigheid dat in artikel 61, derde lid en vierde lid, van de Wec de mogelijkheid wordt geboden om binnen zes weken na de mededeling als bedoeld in het tweede lid schriftelijk bewaar te maken tegen de beslissing maakt dat niet anders. Hoewel het verwarring kan wekken dat de daarin genoemde termijn van zes weken ook een gangbare termijn in het bestuursrecht is, zijn in de Wec of de rechtspraak geen aanwijzingen te vinden waaruit blijkt dat een besluit tot verwijdering op grond van artikel 61 van de Wec door een bijzondere school als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb moet worden aangemerkt.Conclusie
11. De school kan niet worden aangemerkt als een bestuursorgaan. Het besluit tot verwijdering van de zoon van eiser is geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. De rechtbank is daarom kennelijk onbevoegd om van het beroep kennis te nemen. Eiser kan de kwestie voorleggen aan de burgerlijke rechter.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Er is wel aanleiding dat de griffier het door eiser betaalde het griffierecht terugstort.
Dictum
De rechtbank
- verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het beroep;- bepaalt dat het griffierecht aan eiser wordt terugbetaald.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van P.P.M. van der Zwet, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 november 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Tweede kamer, vergaderjaar 1999-2000, 27 265, nr. 3.
Zie de uitspraken van 19 juli 2006 (ECLI:NL:RVS:2006:AY4273) en 11 oktober 2006 (ECLI:NL:RVS:2006:AY9914).