Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-11-13
ECLI:NL:RBDHA:2023:17604
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,843 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.34243
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , eiser,
V-nummer: [V-nr.]
(gemachtigde: mr. S.R. den Toonder),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
(gemachtigde: mr. J.M.M. van Gils).
Procesverloop
Verweerder heeft op 2 mei 2023 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Bij besluit van 27 oktober 2023 heeft verweerder de maatregel van bewaring met ten hoogste twaalf maanden verlengd.
Eiser heeft tegen het verlengingsbesluit beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft op 6 november 2023 een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft. De rechtbank heeft het onderzoek op 6 november 2023 gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
Toetsingskader
2. Op grond van artikel 59, zesde lid, van de Vw kan de bewaring ten hoogste met nog eens twaalf maanden worden verlengd, indien de uitzetting, alle redelijke inspanningen ten spijt, wellicht meer tijd zal vergen, op grond dat de vreemdeling niet meewerkt aan zijn uitzetting of de daartoe benodigde documentatie uit derde landen nog ontbreekt.
3. Verweerder moet in het verlengingsbesluit volgens het beleid van paragraaf A5/6.8 van de Vc nagaan of er voldaan is aan de voorwaarden voor verlenging, of er nog voldoende gronden voor de bewaring zijn, of de bewaring voor de vreemdeling onredelijk bezwarend is en of er zicht op uitzetting bestaat. Als dit voldoende gemotiveerd is, wordt hiermee voldaan aan alle uit de Terugkeerrichtlijn en het arrest Mahdi voortvloeiende vereisten voor het nemen van een verlengingsbesluit. Er hoeft geen aparte verzwaarde belangenafweging plaats te vinden bij het bepalen of de maatregel van bewaring verlengd mag worden.
Voorwaarden voor verlenging
4. Aan de verlenging van de bewaring is ten grondslag gelegd dat, ondanks de redelijke inspanningen van verweerder, een geldig document voor grensoverschrijding ontbreekt en dat eiser niet meewerkt aan zijn uitzetting.
5. Eiser meent dat hij wel voldoende meewerkt aan zijn uitzetting. Hij heeft zijn vingerafdrukken afgegeven. Het is onjuist dat deze geen match opleveren omdat ze onleesbaar zouden zijn. Hij heeft namelijk nooit vingerafdrukken afgestaan in Marokko, dus zullen ook nieuwe vingerafdrukken niet leiden tot de afgifte van een LP. Ook stelt eiser dat hij is opgegroeid in een weeshuis en nooit een paspoort of identiteitskaart heeft gehad.
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht aan het verlengingsbesluit ten grondslag heeft gelegd dat eiser niet meewerkt aan zijn uitzetting. Niet kan worden gesproken van een volledige en actieve medewerking van eiser. Verder volgt de rechtbank eiser niet in zijn stelling dat zijn vingerafdrukken nooit een match zullen opleveren omdat de Marokkaanse geen gegevens zouden hebben van eiser. Zoals uit het voortgangsrapport blijkt, waren de eerder afgegeven vingerafdrukken onleesbaar/beschadigd, waardoor de identiteit van eiser niet bevestigd kon worden. Uit het voortgangsrapport blijkt ook dat eiser tijdens het afgeven van zijn vingerafdrukken op 4 mei 2023 heeft bewogen en deze verder niet heeft ondertekend. Om die reden hebben de Marokkaanse autoriteiten om nieuwe vingerafdrukken verzocht en van eiser mag verwacht worden dat hij deze afgeeft. Nu eiser verder weigert om nieuwe vingerafdrukken af te staan, werkt hij niet volledig mee en frustreert hij de voortgang van zijn uitzetting. De lange duur van de LP-aanvraag, en daarmee de verlenging van zijn bewaring, is dan ook volledig aan hem toe te rekenen. Dat eiser stelt nooit identificerende documenten te hebben gehad, laat onverlet dat deze nog steeds ontbreken. Gelet hierop heeft verweerder terecht overwogen dat, ondanks zijn redelijke inspanningen, de nodige documentatie op zich laat wachten en dat eiser geen medewerking verleent aan zijn vertrek.
Bewaringsgronden
7. In het verlengingsbesluit staat dat eiser 2 mei 2023 in bewaring is gesteld omdat er een risico bestaat dat hij zich aan het toezicht zal onttrekken en/of omdat hij de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure belemmert. Verweerder heeft als zware gronden vermeld dat eiser:
- 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
- 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
- 3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
- 3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
- 3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
En als lichte gronden vermeld dat eiser:
- 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
- 4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
- 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
- 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
8. Eiser betwist de zware en lichte aan het besluit ten grondslag gelegde gronden. Ten aanzien van de zware grond 3a stelt eiser dat hij nooit over geldige identiteitsdocumenten heeft beschikt en dus van hem niet verlangd kan worden dat hij Nederland op de voorgeschreven wijze binnen had moeten komen. Hij heeft wel pogingen gedaan om zijn rechtmatig verblijf te verwezenlijken door internationale bescherming te vragen. Ook betwist eiser dat hij zich gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken. Eiser meent dat de zware grond 3b door verweerder niet gemotiveerd is.
9. Verweerder mag bij het tegenwerpen van onder meer de zware gronden 3a en 3b volstaan met een toelichting waaruit blijkt dat deze grond zich feitelijk voordoet. Eiser heeft verklaard niet te beschikken over een paspoort, waardoor hij zonder de vereiste documenten Nederland is binnengekomen. De zware grond 3a is daarmee feitelijk juist. Ook heeft deze rechtbank en zittingsplaats bij uitspraak van 17 mei 2023 geoordeeld dat de zware grond 3b terecht aan eiser wordt tegengeworpen. Verder heeft verweerder in het verlengingsbesluit deze grond wel degelijk gemotiveerd. Eiser is na het indienen van zijn asielaanvraag op 10 oktober 2022 met onbekende bestemming vertrokken en kwam pas weer in beeld van de autoriteiten na een Dublinclaim van de Belgische autoriteiten. De zware grond 3b is tevens feitelijk juist.
10 Deze zware gronden zijn voldoende om het besluit te kunnen dragen. Een risico op onttrekking aan het toezicht is daarmee gegeven. Wat eiser voor het overige heeft aangevoerd over de zware en lichte gronden behoeft geen bespreking, omdat dit niet kan leiden tot de conclusie dat het verlengingsbesluit onrechtmatig is.
Belangenafweging
11. Eiser meent dat zijn belang om in vrijheid gesteld te worden zwaarder weegt dan het belang van verweerder om de bewaring voort te zetten. Het voortduren van de bewaring is volgens eiser niet evenredig en doeltreffend. Eiser stelt dat hij zijn vingerafdrukken heeft afgegeven en de LP-aanvraag is afgewezen. Ook meent eiser detentieongeschikt te zijn vanwege zijn medische situatie. Hij heeft in het detentiecentrum nog geen arts gezien en zijn klachten worden niet serieus genomen. Eiser stelt geen medicijnen te krijgen in het detentiecentrum en meent daarom dat hem niet de noodzakelijke medische hulp geboden kan worden daar.
12. De rechtbank oordeelt dat, gelet op de aan het verlengingsbesluit ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden, verweerder terecht niet heeft volstaan met het opleggen van een lichter middel. Eiser heeft namelijk tijdens zijn inbewaringstelling geweigerd om mee te werken aan zijn terugkeer, zoals onder rechtsoverweging 6 is overwogen. Eiser heeft tijdens het gesprek op 24 oktober 2023 of in de zienswijze geen concrete punten aangevoerd die moeten leiden tot de conclusie dat een lichter middel succesvol toegepast kan worden. De door eiser aangedragen belangen zijn kenbaar betrokken bij het besluit. Niet is gebleken dat eiser door zijn medische situatie detentieongeschikt is. Eiser heeft in het detentiecentrum toegang tot medische zorg en er mag van uit worden gegaan dat deze gelijk is aan de zorg in de vrije maatschappij.
Conclusie
16. Verweerder heeft in het verlengingsbesluit genoegzaam gemotiveerd dat aan alle uit de Vreemdelingenwet, de Terugkeerrichtlijn en het arrest Mahdi voortvloeiende vereisten voor het nemen van een verlengingsbesluit wordt voldaan.
17. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
18. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr.J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na bekendmaking.
Vreemdelingenwet 2000.
Op grond van artikel 94, zevende lid, van de Vw.
Vreemdelingencirculaire 2000.
Richtlijn 2008/115/EG.
Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 juni 2014, ECLI:EU:C:2014:1320.
Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 24 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4460.
Laissez-passer.
Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.
Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.
ECLI:NL:RBDHA:2023:7363.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2023:3033.
ECLI:NL:RBDHA:2023:12953.
Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en - in aansluiting hierop - ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2829.