Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-11-16
ECLI:NL:RBDHA:2023:17579
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,555 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.23693
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. D. van Elp),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris
(gemachtigde: M. Noslin).
Procesverloop
Eiser heeft op 4 maart 2022 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.
Bij brief van 5 september 2022 heeft eiser de staatssecretaris in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag.
Op 22 september 2022 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Bij uitspraak van 2 februari 2023 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, het beroep gegrond verklaard en bepaald dat de staatssecretaris binnen zestien weken na de dag van verzending van de uitspraak alsnog een besluit op eisers aanvraag bekend dient te maken.
Op 18 augustus 2023 heeft eiser opnieuw beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit.
De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
Overwegingen
1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
2. In artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb is bepaald dat voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit wordt gelijkgesteld.
3. In artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, voor zover hier van belang, is bepaald, dat een beroepschrift gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.
4. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) is bij een opvolgend beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit geen nieuwe ingebrekestelling vereist.
5. De staatssecretaris heeft niet binnen de eerder door de rechtbank gestelde termijn een besluit genomen op de asielaanvraag van eiser. Het beroep is daarom kennelijk gegrond.
6. Eiser heeft de rechtbank verzocht om de staatssecretaris op te dragen om binnen twee weken alsnog een besluit te nemen. Verder heeft eiser verzocht om een (rechterlijke) dwangsom vast te stellen van € 250,- per dag waarmee de staatssecretaris deze termijn overschrijdt, met een maximum van € 18.750,-.
7. Omdat het beroep gegrond is, zal de rechtbank met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder b, van de Awb bepalen dat de staatssecretaris alsnog een besluit bekend dient te maken op de asielaanvraag van eiser. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 8 juli 2020 geoordeeld dat een nadere termijn noch onnodig lang, noch onrealistisch kort mag zijn. Ook volgt uit deze uitspraak dat in gevallen waarin er nog geen eerste gehoor heeft plaatsgevonden het zogenoemde 8+8-wekenmodel passend is.
8. In de uitspraak van 2 februari 2023 heeft de rechtbank toepassing gegeven aan dit 8+8 weken model en de staatssecretaris opgedragen binnen zestien weken een besluit op eisers aanvraag te nemen. De staatssecretaris heeft echter niet binnen deze 16 weken een besluit bekend gemaakt. De rechtbank stelt vast dat eiser inmiddels op 6 juni 2023 een nader gehoor heeft gehad. Niet is gebleken dat eiser nog aanvullend gehoord moet worden. De rechtbank acht gelet op deze omstandigheden een nadere beslistermijn van 4 weken passend.
9. Met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb bepaalt de rechtbank dat de staatssecretaris een (rechterlijke) dwangsom van € 200,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn wordt overschreden door de staatssecretaris. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-.
10. De rechtbank veroordeelt de staatssecretaris in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op
11. € 418,50 (1 € 418,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde van € 837,- en een wegingsfactor 0,5).
12. Omdat eiser is vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen, hoeft de staatssecretaris dit niet te vergoeden.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
draagt de staatssecretaris op binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken;
bepaalt dat de staatssecretaris aan eiser een dwangsom van € 200,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van eiser tot een bedrag van
€ 418,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.C. Drenten-Boon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.
Zaaknummer NL22.18984
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 14 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:774
ECLI:NL:RVS:2020:1560