Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-11-10
ECLI:NL:RBDHA:2023:17517
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,096 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.29848
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 november 2023 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. M.H.R. de Boer),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
(gemachtigde: mr. P. Boelhouwer).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De staatssecretaris heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 19 september 2023 niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep, samen met de zaak NL23.29849, op 18 oktober 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de staatssecretaris.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser omdat Duitsland verantwoordelijk is voor zijn asielaanvraag. Zij doet dat aan de hand van beroepsgronden van eiser.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de staatssecretaris een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek aanvaard.
Had de staatssecretaris toepassing moeten geven aan artikel 16 van de Dublinverordening?
5. Eiser betoogt dat de staatssecretaris toepassing had moeten geven aan artikel 16 van de Dublinverordening. Volgens eiser dienen hij en zijn neef te worden beschouwd als pleegbroers, omdat zij samen zijn opgegroeid en met een gezin in vergelijkbare situaties hebben geleefd. Daarnaast bieden eiser en zijn neef elkaar hulp en bijstand in Nederland en helpen zij elkaar met het verwerken van het trauma dat zij op het grensgebied van Polen en Duitsland hebben meegemaakt, waarbij zij slachtoffer zijn geworden van een ontvoering en beiden zijn mishandeld. Hieraan hebben zij weten te ontsnappen. De familieband tussen beiden kan volgens eiser uit de combinatie van de achternaam van zijn neef, de achternaam van de moeder van eiser en de COA-pas van zijn neef worden afgeleid.
5.1.
Als tussen een vreemdeling en een kind, broer, zus of ouder met rechtmatig verblijf in een van de lidstaten een afhankelijkheidsrelatie bestaat als gevolg van zwangerschap, een pasgeboren kind, een ernstige ziekte of een hoge leeftijd, dan zorgt een lidstaat ervoor dat deze familieleden bij elkaar kunnen blijven, mits er in het land van herkomst reeds familiebanden bestonden en het verzorgende familielid in staat is om voor de afhankelijke persoon te zorgen en heeft verklaard dit te willen.
5.2
Het betoog van eiser slaagt niet. De staatssecretaris heeft terecht geen aanleiding gezien om artikel 16 van de Dublinverordening toe te passen. De staatssecretaris stelt zich terecht op het standpunt dat het in geval van eiser niet gaat om een kind, broer, zus of ouder, maar een (gestelde) neef en heeft terecht geen aanleiding gezien om de neef van eiser te zien als pleegbroer. Nog daargelaten de vraag of eiser met de overgelegde kopieën van geboorteakten de familierechtelijke relatie tussen hem en zijn neef aannemelijk heeft gemaakt en of eiser en zijn neef als pleegbroers kunnen worden beschouwd, is het niet gebleken dat de neef van eiser een geldig verblijf in Nederland heeft en is ook niet gebleken dat er een afhankelijkheidsrelatie tussen eiser en zijn neef bestaat. De staatssecretaris stelt zich terecht op het standpunt dat eiser geen documenten heeft overgelegd waaruit blijkt dat de neef afhankelijk is van de hulp van eiser, op welke wijze invulling aan deze hulp wordt gegeven en waarom deze hulp uitsluitend door eiser kan worden verleend. De enkele stelling in beroep dat eiser en zijn neef elkaar hulp en bijstand geven voor het verwerken van een trauma is hiervoor onvoldoende.
Had de staatssecretaris toepassing moeten geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening?
6. Eiser betoogt dat de staatssecretaris toepassing had moeten geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Eiser voert aan dat, gezien de afhankelijkheidsrelatie die eiser en zijn neef hebben, scheiding van hen door overdracht van eiser aan Duitsland van onevenredige hardheid getuigt.
6.1.
Dit betoog slaagt niet. De staatssecretaris geeft onder meer toepassing aan artikel 17 van de Dublinverordening als bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van een vreemdeling van onevenredige hardheid getuigt. De staatssecretaris stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat daarvan in het geval van eiser geen sprake is. Uit wat de rechtbank hiervoor onder 5.2 heeft overwogen, volgt dat eiser niet heeft onderbouwd dat er een afhankelijkheidsrelatie is tussen hem en zijn neef. Eiser heeft verder niet betoogd of onderbouwd dat er in zijn geval sprake is van (andere) bijzondere en individuele omstandigheden. Eiser heeft daarom onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zijn overdracht aan Duitsland van onevenredige hardheid getuigt.
Heeft de staatssecretaris het besluit in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel genomen?
7. Voor zover eiser – los van zijn gronden – heeft betoogd dat de staatssecretaris het bestreden besluit in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel van artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht heeft genomen, slaagt dit betoog niet. Eiser heeft dit betoog immers niet onderbouwd.
Verwijzing naar hetgeen eerder in de procedure is aangevoerd
8. Eiser heeft voor het overige verzocht om dat wat eerder in de procedure is aangevoerd als herhaald en ingelast te beschouwen in de gronden van beroep. Omdat de staatssecretaris hier in het bestreden besluit op in is gegaan en eiser deze gronden, anders dan hiervoor al besproken, in beroep niet nader heeft onderbouwd, kan de enkele verwijzing naar de zienswijze niet leiden tot het daarmee door eiser beoogde resultaat.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de asielaanvraag terecht niet in behandeling is genomen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H.W. Bodt, rechter, in aanwezigheid van mr. C.G.H. van der Holst, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Ter onderbouwing daarvan heeft eiser (vertalingen van) kopieën van geboorteakten van hem en zijn neef overgelegd.
Dit staat in artikel 16, eerste lid, van de Dublinverordening.
Zie paragraaf C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000.