Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-11-09
ECLI:NL:RBDHA:2023:17464
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,106 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.34459
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser], eiser,
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. G.S.S. de Kok),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
(gemachtigde: mr. J.M.M. van Gils).
Procesverloop
Bij besluit van 31 oktober 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Eiser heeft zich akkoord verklaard met schriftelijke afdoening van het beroep. Eiser heeft op 6 november 2023 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft op 7 november 2023 een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft op 8 november 2023 het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1981 en de Nigeriaanse nationaliteit te hebben.
2. Eiser stelt dat verweerder had moeten volstaan met het toepassen van een lichter middel. Hij was zich er niet van bewust dat hij al uitgeprocedeerd was en verkeerde in de veronderstelling dat hij nog 28 dagen de gelegenheid had om Nederland te verlaten. Als hij op de hoogte was geweest van de vertrekplicht, had hij hier gehoor aan gegeven. Dit staat los van eisers verklaring dat hij niet wil terugkeren naar Duitsland wegens de medische behandeling voor zijn klachten. Eiser stelt dat hij twee keer niet is verschenen voor een vertrekgesprek omdat hij een afspraak had met een arts, die hij heeft doorgegeven aan zijn contactpersoon. Ook voert eiser aan dat hij altijd traceerbaar is geweest omdat hij verbleef in een AZC.
3. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend is om het onttrekkingsrisico te ondervangen. Verweerder heeft al eerder een lichter middel toegepast door het opleggen van de meldplicht. Dit lichter middel heeft niet geleid tot het beoogde eindresultaat, de medewerking van eiser aan een gecontroleerde overdracht aan de Duitse autoriteiten. Daarbij heeft verweerder mogen betrekken dat eiser zich structureel niet beschikbaar heeft gesteld voor het voeren van vertrekgesprekken. Dat eiser zou hebben aangegeven afspraken te hebben met een arts is verder niet onderbouwd. Ook mag eiser worden tegengeworpen dat hij heeft verklaard niet overgedragen te willen en dat hij geen enkele actie heeft ondernomen om zijn overdracht mogelijk te maken. De enkele stelling van eiser dat hij dacht nog 28 dagen te hebben om Nederland te verlaten, maakt dat niet anders.
4. Eiser heeft verder de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd in beroep niet betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist zijn en voldoende zijn toegelicht in de maatregel van bewaring. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen, zodat het risico op onttrekking reeds daarmee is gegeven.
5. Tot slot leidt ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Vreemdelingenwet 2000.
Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en - in aansluiting hierop - ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2829.