Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-11-14
ECLI:NL:RBDHA:2023:17394
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,810 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: NL23.28849, NL23.28851, NL23.28853, NL23.28855
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], V-nummer: [nummer], eiser
[naam 2], V-nummer: [nummer 2], eiseres
[naam 3], V-nummer: [nummer 3],
[naam 4], V-nummer: [nummer 4],
tezamen eisers
(gemachtigde: mr. E. Ebes),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris
(gemachtigde: mr. B.W. Zagers).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers tegen het niet in behandeling nemen van de aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De staatssecretaris heeft de aanvragen met de bestreden besluiten van 12 september 2023 niet in behandeling genomen omdat Denemarken verantwoordelijk is voor de aanvragen.
1.1.
De rechtbank heeft de beroepen op 26 oktober 2023 op zitting behandeld samen met de verzoeken om voorlopige voorzieningen (zaken NL23.28850, NL23.28852, NL23.28854, en NL23.28856). Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en [naam 3], de gemachtigde van eisers, een tolk en de gemachtigde van de staatssecretaris.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvragen van eisers. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eisers hebben aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. Dat betekent dat eisers ongelijk krijgen en de besluiten om de aanvragen niet in behandeling te nemen in stand blijven. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de staatssecretaris een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Denemarken een verzoek om terugname gedaan, omdat eisers daar een (tijdelijke) verblijfsvergunning hadden die minder dan twee jaar is verlopen. Denemarken heeft dit verzoek aanvaard.
Is er bij overdracht aan Denemarken sprake van indirect refoulement?
5. Eisers voeren aan de staatssecretaris ten onrechte uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten opzichte van Denemarken. Volgens eisers is er een evident en fundamenteel verschil in beschermingsbeleid tussen Nederland en Denemarken ten aanzien van Ahmadi’s uit Pakistan. Dat evidente en fundamentele verschil bestaat zonder dat een inhoudelijke beoordeling van het asielrelaas noodzakelijk is. Eisers stellen dat in Nederland de asielaanvragen van Ahmadi’s uit Pakistan worden ingewilligd als sprake is van geringe indicaties of als de Ahmadi belang hecht aan het vrij belijden van zijn of haar geloof. Dit laatste blijkt volgens hen uit de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 juli 2023. In die zaak heeft de staatssecretaris ter zitting erkend dat ook asielaanvragen worden ingewilligd van Ahmadi uit Pakistan waar niet van geringe indicaties is gebleken. Eisers wijzen daarnaast op de overweging van de rechtbank Amsterdam dat het niet mogelijk is om op voorhand vast te stellen dat bescherming zal worden verkregen in Nederland, omdat er altijd enige inhoudelijke toetsing plaatsvindt. Eisers onderbouwen hun betoog verder met verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 10 augustus 2015 en van 6 juli 2022. Tot slot hebben eisers uitspraken van Deense rechters in asielzaken van andere Pakistaanse Ahmadi’s overgelegd. Daaruit blijkt volgens eisers dat in Denemarken de asielaanvraag van Ahmadi’s wordt beoordeeld aan de hand van de geloofwaardigheid van verklaringen. Daarnaast speelt in Denemarken, in tegenstelling tot Nederland, de zwaarwegendheid van de bedreigingen een rol en wordt er een vestigingsalternatief onderzocht.
5.1.
Volgens jurisprudentie van de ABRvS is het uitgangspunt in zaken waarin de vreemdeling betoogt dat hij bij overdracht aan een andere lidstaat indirect een reëel risico loopt op refoulement dat de staatssecretaris ervan uit mag gaan dat in de lidstaten een effectieve en gelijkwaardige bescherming wordt geboden tegen refoulement, ook als het beschermingsbeleid tussen lidstaten verschilt. Het is aan eisers om aannemelijk te maken dat zij na overdracht aan Denemarken een reëel risico lopen op refoulement. Om aan de bewijslast te voldoen moeten eisers allereerst aannemelijk maken dat sprake is van een evident en fundamenteel verschil in beschermingsbeleid. Op voorhand moet duidelijk zijn dat een vreemdeling in de verantwoordelijke lidstaat op grond van het algemene beschermingsbeleid geen internationale bescherming krijgt, terwijl hij dat in Nederland in beginsel wel krijgt. Daarnaast moet de vreemdeling concrete aanknopingspunten naar voren brengen waaruit blijkt dat niet alleen het bestuursorgaan maar ook de rechter in de verantwoordelijke lidstaat hem niet zal beschermen tegen refoulement. Als een vreemdeling aan zijn bewijslast heeft voldaan, dan is het aan de staatssecretaris om alle twijfel over een mogelijk reëel risico bij overdracht weg te nemen.
5.2.
De beroepsgrond van eisers slaagt niet. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende. In paragraaf C7/27 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) staat dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) Ahmadi’s uit Pakistan als risicogroep aanmerkt. Dit betekent dat als sprake is van geloofwaardige en individualiseerbare verklaringen, de vreemdeling met geringe indicaties aannemelijk kan maken dat zijn problemen die verband houden met één van de vervolgingsgronden leiden tot een gegronde vrees voor vervolging. Het individualiseringsvereiste blijft van toepassing op de vreemdeling. De staatssecretaris heeft dit toetsingskader ook bevestigd ter zitting. De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris terecht heeft overwogen dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat er een evident en fundamenteel verschil in beschermingsbeleid bestaat, omdat er zowel in Denemarken als in Nederland een individuele beoordeling van de asielaanvraag plaatsvindt. Daarmee staat niet op voorhand vast dat eisers in Denemarken geen, en in Nederland wel, internationale bescherming zouden krijgen. De rechtbank acht daarbij met de staatssecretaris van belang dat niet ieder restrictiever beschermingsbeleid moet worden aangemerkt als tekortkoming in de asielprocedure, zoals is geoordeeld door de ABRvS.
5.3.
De verwijzingen van eisers naar de verschillende Nederlandse en Deense uitspraken maken dit oordeel niet anders. Eisers verwijzing naar de erkenning van de staatssecretaris bij de rechtbank Amsterdam dat ook asielaanvragen worden ingewilligd van Ahmadi uit Pakistan waar niet van geringe indicaties is gebleken, is onvoldoende om te kunnen spreken van een evident en fundamenteel verschil in beschermingsbeleid. De staatssecretaris heeft in de onderhavige zaak ter zitting immers bevestigd dat er in Nederland (nog steeds) een inhoudelijke en individuele beoordeling plaatsvindt. Ook uit de uitspraak van de ABRvS van 10 augustus 2015 blijkt dat de gestelde vrees geïndividualiseerd moet worden en dat daarbij de invulling aan de geloofsovertuiging na terugkeer van belang kan zijn.
5.4.
Uit de door eisers overgelegde Deense uitspraken blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat asielaanvragen in Denemarken individueel worden beoordeeld en dat niet op voorhand vaststaat dat Ahmadi’s uit Pakistan geen verblijfsvergunning zouden kunnen krijgen. De rechtbank volgt niet de stelling van eisers dat nooit op voorhand vastgesteld kan worden of een vreemdeling bescherming krijgt in Nederland, omdat er altijd een inhoudelijke toetsing van (in ieder geval) de identiteit plaats zou vinden. Het vaststellen van de identiteit en herkomst van vreemdelingen acht de rechtbank van een andere aard dan het individueel beoordelen van een asielrelaas. Bovendien heeft de rechtbank vastgesteld dat er in Nederland sprake is van een individuele en inhoudelijke beoordeling van asielaanvragen van Ahmadi’s uit Pakistan, waardoor ook dit argument geen doel treft.
5.5.
Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat er een evident en fundamenteel verschil in beschermingsbeleid bestaat. Alleen al hierom kan niet gesproken worden van een reëel risico op indirect refoulement. De beroepsgrond slaagt niet.
Is overdracht toegestaan gezien eisers medische situatie?
6. Eisers doen een beroep op het arrest C.K. van het Hof van Justitie. Zij stellen dat de staatssecretaris de deskundigheid mist om te beoordelen of sprake is van een ernstige mentale aandoening waarbij de overdracht een reëel en bewezen risico oplevert van een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van eiser zijn gezondheid. Eisers verwijzen hierbij naar drie brieven van specialisten en naar een brief van de neuroloog van 12 september 2023.
Conclusie
7. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen en de bestreden besluiten in stand blijft. Eisers krijgen geen vergoeding van hun proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Boerlage - van den Bosch, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A. Hessels, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekend gemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
ECLI:NL:RBAMS:2023:4901
ABRvS 10 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2667
ABRvS 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1864
Zie de uitspraak van de ABRvS 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1864
ABRvS 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1864.
ABRvS 10 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2667.
HvJEU 16 februari 2017, ECLI:EU:C:2017:127, in de zaak C.K. tegen Slovenië.