Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-10-18
ECLI:NL:RBDHA:2023:16714
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,698 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL23.21256 en NL23.21258
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 oktober 2023 in de zaken tussen
[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser
[eiseres]
, v-nummer: [nummer] , eiseres
samen: eisers
(gemachtigde: mr. A.S. Sewman),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
(gemachtigde: mr. I. Lohmann).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers tegen het niet in behandeling nemen van de aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De staatssecretaris heeft de aanvragen met de bestreden besluiten van 24 juli 2023 niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan.
1.1.
De rechtbank heeft de beroepen op 11 oktober 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van de staatssecretaris.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvragen van eisers omdat Kroatië verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling van die asielaanvragen. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eisers hebben aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. Dat betekent dat eisers ongelijk krijgen en het niet in behandeling nemen van hun aanvragen in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de staatssecretaris een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Kroatië een verzoek om terugname gedaan. Kroatië heeft dit verzoek aanvaard.
Kan de staatssecretaris wat betreft Kroatië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgaan?
5. Eisers voeren aan dat de staatssecretaris wat betreft Kroatië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan uitgaan. Hoewel de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) op 13 september 2023 heeft geoordeeld dat de staatssecretaris wel van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan, staat deze conclusie volgens eisers haaks op informatie van verschillende ngo’s die melding maken van Dublinclaimanten die te maken hebben gehad met pushbacks. Ter onderbouwing wijzen eisers op de reactie van VluchtelingenWerk Nederland (VWN) op deze uitspraak. In deze reactie worden verschillende bronnen aangehaald waaruit zou volgen dat er nog steeds pushbacks plaatsvinden vanuit Kroatië en dat ngo’s zeer lastig de positie van Dublinclaimanten kunnen onderzoeken, nu de Kroatische autoriteiten de ngo’s niet altijd toelaten. Gelet op deze beschikbare objectieve informatie en de persoonlijke ervaringen van eisers met pushbacks, onrechtmatige detentie, bedreiging en mishandeling in Kroatië, heeft de staatssecretaris met een enkele verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling en het arrest Jawo van het Hof van Justitie dan ook gebrekkig gemotiveerd dat bij overdracht aan Kroatië geen schending van artikel 3 van het EVRM zal plaatsvinden. De staatssecretaris dient individuele garanties te bieden aan eisers, zodat eisers erop kunnen vertrouwen dat hun asielverzoek in Kroatië ook daadwerkelijk door de Kroatische autoriteiten wordt opgepakt. Daarnaast betogen eisers dat de rechtbank de zaak moet aanhouden in afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vragen die door de rechtbank Den Haag, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, aan het Hof van Justitie zijn voorgelegd in de uitspraak van 15 juni 2022 over de deelbaarheid van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
5.1.
De rechtbank overweegt dat de staatssecretaris in beginsel wat betreft Kroatië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. Dit beginsel betekent dat lidstaten erop mogen vertrouwen dat de andere lidstaten de vreemdeling in overeenstemming met het EVRM, het Vluchtelingenverdrag en het Unierecht zullen behandelen. Dit beginsel is weerlegbaar. Op 13 april 2022 overwoog de Afdeling dat er serieuze aanknopingspunten bestonden dat overgedragen Dublinclaimanten in Kroatië het risico liepen op pushbacks. De Afdeling gaf de staatssecretaris naar aanleiding van deze aanknopingspunten de opdracht om onderzoek te doen naar de actuele situatie van Dublinclaimanten bij overdracht naar Kroatië. Op grond van het onderzoek dat de staatssecretaris hierop heeft verricht, oordeelde de Afdeling vervolgens op 13 september 2023 dat de staatssecretaris met zijn onderzoek de twijfel of hij voor Kroatië mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel heeft weggenomen. Uit het onderzoek is namelijk gebleken dat Dublinclaimanten in Kroatië opvang krijgen en worden toegelaten tot de nationale asielprocedure. Zij lopen dus niet het risico om uitgezet te worden zonder behandeling van hun asielverzoek of tijdens de behandeling van hun asielverzoek, aldus de Afdeling. De staatssecretaris gaat op basis van de bevindingen uit het door hem verrichte onderzoek terecht uit van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Kroatië, aldus de Afdeling.
5.2.
De rechtbank ziet geen aanleiding om in de zaak van eisers daar anders over te oordelen. Eisers hebben namelijk niet aannemelijk gemaakt dat zij desondanks een reëel risico lopen op een met artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling bij overdracht aan Kroatië. Eisers verwijzing naar de overgelegde reactie van VWN op de uitspraak van de Afdeling van 13 september 2023 leidt niet tot een ander oordeel. De Afdeling heeft namelijk in de genoemde uitspraak geoordeeld dat de informatie van de Kroatische autoriteiten niet wordt weersproken door de in die zaak aangehaalde algemene informatie, zoals uit de getuigenissen van het Border Violence Monitoring Network, het e-mailbericht van Centre for Peace Studies en de brief van VWN, omdat die stukken namelijk volgens de Afdeling geen aanknopingspunten bevatten voor het oordeel dat Dublinclaimanten niet worden opgenomen in de nationale asielprocedure. De bronnen die door de door eiser overgelegde brief van VWN worden aangehaald zijn dus al meegenomen door de Afdeling of bevatten vergelijkbare informatie. Deze informatie heeft er echter niet toe geleid dat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Verder hebben eisers – zoals de staatssecretaris terecht stelt – hun stelling dat zij te maken hebben gehad met onrechtmatige detentie niet nader onderbouwd. De verklaringen van eisers zijn verder onvoldoende voor de conclusie dat niet meer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Indien eisers menen dat Kroatië zich niet houdt aan zijn internationale verplichtingen dan is het aan hen om hierover te klagen bij de (hogere) Kroatische autoriteiten. Niet is gebleken dat die mogelijkheid voor eisers niet bestaat of dat de Kroatische autoriteiten zich hierin onverschillig opstellen. De rechtbank ziet verder geen aanleiding de zaak van eiseres aan te houden in afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vragen die door de rechtbank Den Haag, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, aan het Hof van Justitie zijn voorgelegd in de uitspraak van 15 juni 2022 over de deelbaarheid van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De rechtbank heeft namelijk geoordeeld dat de staatssecretaris ten aanzien van Kroatië nog uit mag gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en volgt hierin de lijn van deze zittingsplaats en die van de Afdeling zoals dat volgt uit de uitspraak van 13 september 2023. Deze beroepsgrond slaagt dus niet.
Is overdracht naar Kroatië in strijd met het arrest C.K.?
6. Eisers betogen verder dat de staatssecretaris hen niet mag overdragen aan Kroatië omdat overdracht door eiseres’ medische toestand kan leiden tot een situatie in strijd met artikel 3 van het EVRM. Eisers verwijzen daarbij naar het arrest C.K. van het Hof van Justitie. Eiseres kampt namelijk met suïcidale gedachten en er bestaat gegronde vrees dat zij zichzelf van het leven zal beroven als eisers worden overgedragen aan Kroatië. Ter onderbouwing van deze stelling hebben eisers een brief van de Evangelische Gemeenschap en een afschrift van haar patiëntendossier overgelegd. Gelet op de problemen van eiseres had het op de weg van de staatssecretaris gelegen om een advies te vragen aan het Bureau Medische Advisering (BMA) om te beoordelen of overdracht naar Kroatië wel mogelijk is.
6.1.
Zoals de Afdeling meermaals heeft overwogen volgt uit het arrest C.K.
Conclusie
8. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de staatssecretaris de asielaanvragen van eisers terecht niet in behandeling heeft genomen. Eisers krijgen geen vergoeding van hun proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Kompier, rechter, in aanwezigheid van mr. V. Bouman, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
ABRvS 13 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3411.
Rb. Den Bosch, ECLI:NL:RBDHA:2022:5724.
ABRvS 13 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1043.
ABRvS 13 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3411, r.o. 2.6.
HvJ EU 16 februari 2017, ECLI:EU:C:2017:127 (C.K.).
Zie bv. ABRvS 3 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2986 en ABRvS 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:560.