Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-10-18
ECLI:NL:RBDHA:2023:16573
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,301 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL23.30052 (beroep) en NL23.30053 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[eiser] , eiser/verzoeker, hierna: eiser,
V-nummer: [v-nummer] ,
(gemachtigde: mr. S.L. Sarin),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
(gemachtigde: mr. S. Beyik).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 20 september 2023 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1
Eiser heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist.
1.2
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 11 oktober 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, F. Kanaan als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Feiten
2. Eiser stelt te zijn geboren op [datum 1] 1976 en de Syrische nationaliteit te hebben. Hij heeft verklaard Syrië in 2014 of 2015 te hebben verlaten en tot eind april 2023 in Libanon te hebben gewoond. Eiser is via Rusland, Belarus, Polen en Duitsland naar Nederland gereisd en heeft hier op 27 mei 2023 een asielaanvraag gedaan. Hij heeft verklaard dat hij naar Nederland is gereisd en hier asiel heeft aangevraagd omdat hij bij zijn zoon wil verblijven, die is geboren op [datum 2] 2002. Eisers echtgenote en andere kinderen verblijven nog in Libanon.
Het bestreden besluit
3. Verweerder heeft de aanvraag van eiser niet in behandeling genomen omdat op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland op 20 juli 2023 bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan, dat Duitsland op 25 juli 2023 heeft aanvaard.
Beoordeling
4. Eiser betwist niet dat Duitsland in beginsel verantwoordelijk is voor de aanvraag en dat ten aanzien van Duitsland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgaan. Hij voert wel aan dat het van onevenredige hardheid zou getuigen om eisers asielaanvraag niet in behandeling te nemen. Eiser wil bij zijn zoon in Nederland verblijven en dat is op reguliere gronden niet mogelijk. Verweerder heeft volgens hem ten onrechte geen individuele belangenafweging gemaakt en onvoldoende gemotiveerd waarom artikel 17 van de Dublinverordening niet van toepassing is.
4.1
De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd waarom de omstandigheid dat eisers zoon in Nederland verblijft geen aanleiding vormt om eisers aanvraag onverplicht in behandeling te nemen. Hoewel de rechtbank begrijpt dat eiser graag bij zijn zoon in Nederland wil verblijven, geldt zijn aanwezigheid niet als een zodanig, bijzondere, individuele omstandigheid dat zijn overdracht aan Duitsland van onevenredige hardheid zou getuigen. Verweerder wijst er terecht op dat de Dublinverordening weliswaar beoogt waarborgen te bieden om gezinsleden die asiel hebben aangevraagd zoveel mogelijk bijeen te houden, maar niet is bedoeld als route waarlangs gezinshereniging kan plaats vinden. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling hoeft te nemen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
6. Omdat op het beroep is beslist, is een voorlopige voorziening niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Mac Donald, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. J.P. Ankum, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak kan, zover het de hoofdzaak betreft, een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Verordening (EU) nr. 604/2013.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 19 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:563.