Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-10-31
ECLI:NL:RBDHA:2023:16525
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Voorlopige voorziening
789 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/6251
uitspraak van de voorzieningenrechter van 31 oktober 2023 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekstergemachtigde: [gemachtigde] ,en
het college van burgemeester en wethouders van Oegstgeest, het college
gemachtigde: mr. J.R. Bekink.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening gericht tegen het bestreden besluit van 18 augustus 2023 waarbij het college het recht van verzoekster op bijstand op grond van de Participatiewet (Pw) met ingang van 1 augustus 2023 heeft beëindigd, het recht op bijstand over de periode van 24 juli 2023 tot 1 augustus 2023 heeft herzien en van haar een bedrag van € 1.420,83 heeft teruggevorderd.
1.1.
Verzoekster heeft tegen het primair besluit van 18 augustus 2023 bezwaar gemaakt.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 17 oktober 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben verzoeksters gemachtigde deelgenomen en de gemachtigde van het college. Voor het college was ook aanwezig mevr. [naam] . Verzoekster is niet in persoon verschenen.
Beoordeling
2. Ter zitting is gebleken dat verzoekster inmiddels studiefinanciering van de DUO ontvangt. Verzoekster beschikt derhalve over inkomen.
3. Ter zitting is voorts gebleken dat hoewel in het bestreden besluit staat dat verzoekster binnen 6 weken het openstaande bedrag van € 1.420,83 zou moeten terugbetalen, van daadwerkelijke invordering nog steeds geen sprake is. Ter zitting heeft het college in dat verband bevestigd dat verzoekster een betalingsregeling kan treffen. Bovendien geldt de bescherming van de beslagvrije voet van artikel 475b, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, mocht het tot dwanginvordering komen, dan. In dat geval zou verzoekster nog over een inkomen blijven beschikken van 95 % van de voor haar geldende bijstandsnorm.
4. Dit alles betekent dat verzoekster door het bestreden besluit niet in zodanige nijpende omstandigheden komt te verkeren dat sprake is van een (financiële) noodsituatie. Het spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening ontbreekt daarom.
Conclusie
5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.G. Meeder, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W. Goederee, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2023.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.