Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-10-26
ECLI:NL:RBDHA:2023:16403
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,356 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 14/25986
V-nummer: [nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 12 november 2015 in de zaak tussen
[naam], eiser,
gemachtigde: mr. P.H. Hillen,
en
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie verweerder,
gemachtigde: mr. H.P. Kallenbach.
Procesverloop
Eiser heeft op 16 november 2014 beroep ingesteld tegen het terugkeerbesluit van verweerder van 23 oktober 2014 (het bestreden besluit).
De rechtbank heeft, met toestemming van partijen, op 2 november 2015 bepaald dat een zitting achterwege kan blijven en vervolgens het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Eiser heeft gesteld op [geboortedatum] in Libanon geboren te zijn en staatloos te zijn.
2. Bij besluit van 24 mei 2012 is aan eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd met een vertrektermijn van nul dagen. Bij het bestreden besluit van 23 oktober 2014 is eiser opnieuw een terugkeerbesluit uitgereikt met een vertrektermijn van 28 dagen.
3. Eiser heeft zich in beroep op het standpunt gesteld dat de terugkeerbesluiten zijn uitgevaardigd nadat eiser reeds voldaan had aan alle verzoeken die door verweerder waren gedaan met betrekking tot zijn terugkeer. Ten onrechte heeft verweerder de terugkeerbesluiten ongemotiveerd genomen. Eiser is staatloos en kan niet terugkeren naar zijn land van herkomst. Staatloosheid kan voor verweerder een reden zijn om af te zien van het uitvaardigen van een terugkeerbesluit. Ook indien het beroep ongegrond verklaard wordt is er aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten nu verweerder in procedureel opzicht verwijtbaar onjuist gehandeld heeft of heeft nagelaten. Eiser verwijst hierbij naar het arrest van de Hoge Raad van 26 november 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BL8869) en de daaraan voorafgaande conclusie van de Advocaat-Generaal (ECLI:NLPHR:2010:BL8869).
De rechtbank overweegt als volgt.
4. Het terugkeerbesluit wordt in artikel 3, punt vier, van Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (PB 2008 L 348; hierna: de Terugkeerrichtlijn) als volgt gedefinieerd: "de administratieve of rechterlijke beslissing of handeling waarbij wordt vastgesteld dat het verblijf van een onderdaan van een derde land illegaal is of dit illegaal wordt verklaard en een terugkeerverplichting wordt opgelegd of vastgesteld".
Ingevolge artikel 6 van de Terugkeerrichtlijn is verweerder gehouden een terugkeerbesluit uit te vaardigen tegen de onderdaan van een derde land die illegaal op hun grondgebied verblijft behoudens de in artikel 6 van de Terugkeerrichtlijn genoemde uitzonderingen.
Ingevolge artikel 1 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder "terugkeerbesluit" verstaan: het terugkeerbesluit, bedoeld in artikel 3, punt vier, van de Terugkeerrichtlijn.
Ingevolge artikel 62a, eerste lid, van de Vw stelt de minister, onverminderd de onder sub a tot en met c vermelde uitzonderingen, de vreemdeling, niet zijnde gemeenschapsonderdaan, die niet of niet langer rechtmatig verblijf heeft, schriftelijk in kennis van de verplichting Nederland uit eigen beweging te verlaten en van de termijn waarbinnen hij aan die verplichting moet voldoen.
5. Allereerst dient, gelet op de eerder ingenomen standpunten van partijen, beoordeeld te worden of eiser procesbelang heeft bij de beoordeling van het onderhavige beroep. De rechtbank volgt het standpunt van eiser dat hij een zodanig procesbelang heeft. Weliswaar was er een eerder terugkeerbesluit, maar het terugkeerbesluit waartegen dit beroep is gericht, bevat een nieuwe vertrektermijn, waardoor dit besluit reeds hierom op rechtsgevolg is gericht.
6. Niet in geschil is dat eiser ten tijde van het bestreden besluit niet rechtmatig in Nederland verbleef waardoor verweerder het terugkeerbesluit niet ten onrechte heeft genomen. Voorts is niet in geschil dat eiser niet valt onder de in artikel 6 van de Terugkeerrichtlijn genoemde uitzonderingen. Indien eiser meent dat hij buiten zijn schuld niet terug kan keren naar zijn land van herkomst dan wel dat er een andere grond is om hem verblijf in Nederland toe te staan, dient hij een hiertoe strekkende aanvraag in te dienen.
7. Het beroep is ongegrond.
8. De rechtbank ziet in dit geval geen aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten nu geen sprake is van verwijtbaarheid van de zijde van verweerder.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in tegenwoordigheid van S.A.K. Kurvink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 november 2015.
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.