Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-09-14
ECLI:NL:RBDHA:2023:16402
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,487 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL23.2345
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres]
, V-nummer: [V nummer] , eiseres (gemachtigde: mr. G.J. Dijkman),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, (gemachtigde: mr. M. Ruijzendaal).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van de aanvraag van eiseres.
1.1.
Eiseres heeft op 14 juli 2020 een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor verblijf bij haar zoon [zoon] (referent).
1.2.
De staatssecretaris heeft deze aanvraag met het besluit van 11 februari 2021 afgewezen.
1.3.
Eiseres heeft op 10 maart 2021 bezwaar gemaakt tegen dit besluit en op 20 september 2021 de staatssecretaris in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar.
1.4.
De staatssecretaris heeft op 2 november 2021 alsnog een besluit genomen. In dit besluit heeft de staatssecretaris het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en een dwangsom toegekend in verband met het overschrijden van de beslistermijn.
1.5.
Eiseres is tegen dit besluit in beroep gegaan. De rechtbank heeft in de uitspraak van 29 november 2022 (ECLI: RBDHA:2022:15253) het beroep gegrond verklaard en de staatssecretaris opgedragen om binnen acht weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van eiseres.
1.6.
Op 25 januari 2023 heeft eiseres beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een (nieuwe) beslissing door de staatssecretaris.
1.7.
In het besluit van 6 maart 2023 (het bestreden besluit) is de staatssecretaris bij de afwijzing van de aanvraag gebleven en heeft hij het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. Het door eiseres op 25 januari 2023 ingestelde beroep is ook gericht tegen dit besluit.
1.8.
De staatssecretaris heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.9.
De rechtbank heeft het beroep op 2 augustus 2023 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de staatssecretaris.
Beoordeling
Over het niet tijdig beslissen op het bezwaar
2. In het bestreden besluit heeft de staatssecretaris alsnog (opnieuw) beslist op het bezwaar van eiseres. Eiseres heeft daarom geen procesbelang meer bij de beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig beslissen op haar bezwaar. Eiseres kan met haar beroep namelijk niet meer bereiken dan al is bereikt: de staatssecretaris heeft een nieuwe beslissing op haar bezwaar genomen. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit is daarom niet-ontvankelijk. De rechtbank ziet wel aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Partijen zijn het er over eens dat het bestreden besluit van 6 maart 2023 te laat is genomen. Of de staatssecretaris ook het door eiseres betaalde griffierecht moet vergoeden hangt af van de uitkomst van het inhoudelijke beroep. De bespreking van dat beroep volgt hieronder.
Het bestreden besluit en het beroep daartegen
3. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres voor een mvv voor verblijf bij referent afgewezen. Hoewel verweerder familieleven aanneemt tussen eiseres en referent omdat het jongvolwassenebeleid op referent van toepassing is, valt de belangenafweging in het nadeel van eiseres uit.
4. Eiseres voert aan dat de staatssecretaris haar mvv-aanvraag ten onrechte heeft afgewezen. De staatssecretaris heeft volgens eiseres een verkeerde en te zware toets gehanteerd door na de toets aan het jongvolwassenebeleid nog een losse belangenafweging te maken. Eiseres verwijst ter onderbouwing van haar standpunt naar de noot onder de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem van 22 december 2022.1 Na de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 13 juli 20222, lijkt de belangenafweging weer apart te worden beoordeeld. De staatssecretaris lijkt de uitspraak van de Afdeling van 13 juli 2022 - die juist in het voordeel van een vreemdeling zou moeten werken - in het nadeel van jongvolwassenen en hun ouders uit te leggen, waardoor een belangenafweging wordt gemaakt. Dit is een onjuiste uitleg van deze uitspraak. Eiseres verwijst in dit kader ook naar de uitspraak van de Afdeling van 17 augustus 20223, waarin is overwogen dat als een kind onder het jongvolwassenebeleid valt, er meer dan gebruikelijke banden met de ouder worden aangenomen, op grond waarvan die ouder in beginsel in aanmerking zal komen voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM4. Verder wijst eiseres erop dat de rechtbank in de eerdere uitspraak
1. JV 2023/75, 3 april 2023, mr. N. Vreede en mr. E. Besselsen, onder ECLI:NL:RBDHA:2022:14980.
2 ECLI:NL:RVS:2022:2006.
3 ECLI:NL:RVS:2022:2290, r.o. 9.6.1.
in de zaak van eiseres al heeft geoordeeld dat de staatssecretaris een te zware toets heeft gebruikt. Referent zal zich door de hereniging met eiseres beter kunnen staande houden en concentreren op zijn studie. Door de nadruk op het restrictieve beleid van de staatssecretaris, valt de belangenafweging die de staatssecretaris maakt bijna standaard in het nadeel van de jongvolwassene uit, tenzij er sprake is van heel bijzondere omstandigheden of bijzondere binding met Nederland. Doordat een zeer zwaar gewicht wordt toegekend aan het restrictieve beleid van de staatssecretaris, moet eiseres daar zeer bijzondere belangen tegenover te stellen om de belangenafweging in haar voordeel uit te laten vallen. Er is daarom geen sprake van een ‘fair balance’. Verder spelen er wel degelijk bijzondere belangen voor eiseres, zij woont noodgedwongen in bij haar buren in Saudi Arabië en mogelijke uitzetting naar Jemen dreigt. In het kader van de ex nunc toetsing in bezwaar wijst eiseres nog op de (onredelijk) lange duur van deze procedure. Referent is intussen noodgedwongen zelfstandiger geworden. In het bestreden besluit is die onredelijk lange duur niet meegewogen, terwijl die grotendeels aan de staatssecretaris te wijten is.
5. De staatssecretaris stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van een onjuiste en te zware toets. De belangenafweging ziet op het belang dat eiseres en referent hebben om samen in Nederland te gaan wonen, tegenover het belang dat de Nederlandse overheid heeft om een restrictief toelatingsbeleid te voeren. In het bestreden besluit is gemotiveerd waarom de staatssecretaris van mening is dat de belangenafweging in dit geval niet in het voordeel van eiseres uitvalt. De uitleg die eiseres geeft over de uitspraak van de Afdeling van 13 juli 2022 volgt de staatssecretaris niet. In procedures waarbij de staatssecretaris concludeert tot het bestaan van gezinsleven, zoals in de onderhavige zaak, werd en wordt altijd een belangenafweging gemaakt. Ook in de situatie dat sprake is van minderjarige kinderen en hun ouders, wordt in het kader van artikel 8 van het EVRM een belangenafweging gemaakt, waarbij de staatssecretaris zich uitlaat over de manier waarop aan het bestaande gezinsleven invulling wordt gegeven. De beoordeling is in het geval van eiseres en referent niet anders.
Oordeel van de rechtbank De belangenafweging
6. De rechtbank is van oordeel dat uit de uitspraak van de Afdeling van 13 juli 2022
volgt dat de staatssecretaris altijd een belangenafweging moet en mag maken. Dit geldt voor de situatie waarin - zoals hier - familieleven wordt aangenomen, maar ook als er geen familieleven wordt aangenomen. De rechtbank volgt eiseres daarom niet in haar standpunt dat de staatssecretaris geen belangenafweging had mogen maken omdat tussen eiseres en referent sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. De verwijzing van eiseres naar de uitspraak van de Afdeling van 17 augustus 2022 heeft ook niet het effect dat eiseres wenst. Deze uitspraak gaat over de afsluitregeling en moet in dat kader worden gezien. De beroepsgrond slaagt niet.
7. Bij de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM gaat het om een ‘fair balance’ tussen aan de ene kant het belang van de Nederlandse overheid om niet iedereen in Nederland toe te laten en aan de andere kant het belang van eiseres en referent om samen het familieleven uit te oefenen in Nederland. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling moet de rechtbank hierbij toetsen of de staatssecretaris alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken. Dit toetst de rechtbank vol.4 De
4 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 3 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:424.
uitkomst van de belangenafweging mag de rechtbank alleen terughoudend toetsen.5 Dat de rechtbank de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM terughoudend toetst, betekent dat de rechtbank niet zelf de betrokken belangen mag afwegen, maar moet beoordelen of de staatssecretaris alle relevante belangen heeft betrokken en in redelijkheid tot zijn beslissing heeft kunnen komen.
8. De rechtbank stelt vast dat de staatssecretaris een belangenafweging heeft verricht en alle relevante belangen bij die belangenafweging heeft betrokken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de staatssecretaris zich daarbij in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de weigering om aan eiseres een mvv te verlenen niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.
9. De staatssecretaris heeft in het voordeel van eiseres meegewogen dat referent tot het vertrek van referent uit Saudi-Arabië tot het gezin van eiseres behoorde en dat er daarmee sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. De staatssecretaris heeft daar echter minder gewicht aan toegekend gelet op de leeftijd van referent, het door hem gestelde belang en het feit dat hij inmiddels stappen naar zelfstandigheid heeft gezet.
Conclusie
10. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de staatssecretaris in de belangenafweging een ‘fair balance’ heeft gevonden en voldoende heeft gemotiveerd
waarom aan de belangen van de Nederlandse staat, in het bijzonder het economisch belang, meer gewicht toekomt dan aan de belangen van eiseres en referent om hun recht op gezinsleven in Nederland uit te oefenen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de staatssecretaris gelet op het voorgaande voldoende gemotiveerd waarom, ondanks het bestaan van een objectieve belemmering en familieleven in de zin van artikel 8 EVRM, het belang van de Nederlandse staat toch zwaarder weegt. De staatssecretaris heeft deugdelijk gemotiveerd dat de in het voordeel van eiseres en referent wegende omstandigheden niet zodanig bijzonder zijn dat de belangenafweging in hun voordeel moet uitvallen. De staatssecretaris heeft naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan de opdracht van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, in de uitspraak van 29 november 2022.
Conclusie
Beroep tegen het niet tijdig beslissen
11. Zoals hiervoor onder 2 is overwogen is het beroep tegen het niet tijdig nemen van een (nieuwe) beslissing niet-ontvankelijk, maar ziet de rechtbank wel aanleiding om de staatssecretaris te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 418,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 837,- en een wegingsfactor 0,5).
Beroep tegen het bestreden besluit
12. Het beroep tegen het bestreden besluit is ongegrond. Dat betekent dat de staatssecretaris de aanvraag van eiseres voor een mvv heeft mogen afwijzen. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten voor de behandeling van dit beroep.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk;
verklaart het beroep tegen de beslissing op bezwaar van 6 maart 2023 ongegrond;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 418,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.W.M. Engels, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
14 september 2023
Documentcode: [Documentcode]
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.