Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-10-25
ECLI:NL:RBDHA:2023:16347
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,480 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.21165
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser
v-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. A.C.J. Letmaath),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
(gemachtigde: mr. C.W.M. van Breda).
Procesverloop
Bij besluit van 21 juli 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Spanje daarvoor verantwoordelijk is.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 11 oktober 2023 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen mevrouw N. Faes. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum]. Verweerder gaat ervan uit dat eiser de Oezbeekse nationaliteit heeft. Op 12 april 2023 heeft hij asiel aangevraagd in Nederland.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder eisers asielaanvraag niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw. Volgens verweerder is Spanje daarvoor namelijk verantwoordelijk aangezien eiser door Spanje in het bezit is gesteld van een (Schengen)visum, zoals bedoeld in artikel 12, tweede lid van de Dublinverordening.
3. Eiser voert aan dat er niet vanuit kan worden gegaan dat Spanje asielzoekers in overeenstemming met internationale afspraken behandelt (het interstatelijk vertrouwensbeginsel). Hierbij verwijst hij op het AIDA-rapport “Country Report: Spain. 2022 Update” van 21 april 2023. Uit dat rapport blijkt volgens eiser dat hij bij overdracht een reëel risico loopt dat hij geen, dan wel zeer moeilijk toegang krijgt tot de asielprocedure en dat hij langere tijd geen opvang zal krijgen. Eiser heeft verder gewezen op de inbreukprocedure welke door de Europese Commissie gestart is tegen Spanje over de kwaliteit van de opvang en van de asielprocedure.
4. In beginsel mag verweerder op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan uit gaan dat Spanje zijn verdragsverplichtingen zal nakomen. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 8 juli 2021 geoordeeld dat geen sprake is van structurele tekortkomingen in de opvangvoorzieningen in Spanje en dat daarom ten aanzien van Spanje van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De Afdeling heeft dit recent bevestigd in haar uitspraken van 27 januari 2023 en 27 juli 2023. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit niet (meer) het geval is.
5. De rechtbank is van oordeel dat eiser hier niet in is geslaagd. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 27 juli 2023 geoordeeld dat het AIDA-rapport "Country Report: Spanje. 2022 Update" geen wezenlijk ander beeld schetst van de situatie in Spanje voor Dublinclaimanten dan uit de landeninformatie volgt die al bij haar eerdere uitspraak van 27 januari 2023 is betrokken. In de verwijzingen van eiser naar de passages uit het rapport van de Spaanse Ombudsman en de UNHCR-vertegenwoordiger voor Spanje ziet de rechtbank geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen.
6. Dat de Europese Commissie een inbreukprocedure tegen Spanje is gestart wegens het niet volledig conform omzetten van alle bepalingen van de Opvangrichtlijn, leidt evenmin tot een ander oordeel. Deze procedure bevindt zich nog in een pril stadium, omdat de Europese Commissie de Spaanse autoriteiten de gelegenheid heeft gegeven om de gebrekkige implementatie van de Opvangrichtlijn te herstellen. Het starten van een inbreukprocedure is op zichzelf onvoldoende voor het oordeel dat ten aanzien van Spanje sprake is van structurele tekortkomingen in de opvangvoorzieningen.
7. Het beroep is ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E. van de Merbel, rechter, in aanwezigheid van mr. N.F. Kreeftmeijer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Algemene wet bestuursrecht
[*]
Bijzondere wet
[*]
Beleidsregel
[*]
Vreemdelingenwet 2000.
Verordening (EU) Nr. 604/2013.
Asylum Information Database.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2021:1481.
ECLI:NL:RVS:2023:364.
ECLI:NL:RVS:2023:2880.
Zie hiervoor zaak C-163/17 van het Hof van Justitie van de Europese Unie, arrest van 19 maart 2019, ECLI:C:EU:2019:2018.
United Nations High Commissioner for Refugees.
Richtlijn 2013/33/EU.