Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-10-17
ECLI:NL:RBDHA:2023:16240
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,268 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 21/6404
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 oktober 2023 in de zaak tussen
[eiser 1] en [eiser 2], uit [woonplaats], in hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigers van [naam], eisers
(gemachtigde: mr. R.M. Noorlander),
en
Centrum Indicatiestelling Zorg, verweerder
(gemachtigde: mr. J.E. Koedood).
Inleiding
Bij besluit van 18 maart 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eisers voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) voor hun kind afgewezen.
Bij besluit van 31 augustus 2021 heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.
Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Bij besluit van 10 augustus 2023 heeft verweerder aan het kind van eisers alsnog met ingang van 21 juli 2023 een indicatie voor een zorgprofiel VG 05, wonen met intensieve begeleiding en intensieve verzorging, toegekend.
Naar aanleiding hiervan hebben eisers het beroep ingetrokken met daarbij het verzoek verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank heeft verweerder de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek. Verweerder heeft tegen het verzoek geen verweer gevoerd.
Overwegingen
1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
2. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de rechtbank op grond van artikel 8:75a Awb op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.
3. Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop is verweerder tegemoetgekomen aan het beroep van eisers.
4. Op grond van artikel 1, aanhef en onder b, Bpb komen de kosten van een deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht, voor vergoeding in aanmerking als deze inschakeling redelijk is en de kosten zelf redelijk zijn. Psychiater W.B. Groen is aan te merken als deskundige in de zin van deze bepaling en de inschakeling van een medisch deskundige is redelijk te achten. Groen heeft een deskundigenrapport uitgebracht, dat door eisers in de procedure is ingebracht.
5. Ter onderbouwing van de kosten hebben eisers een factuur van 10 augustus 2023 ten bedrage van € 9.044,75 overgelegd. De rechtbank zal verweerder veroordelen tot betaling van deze kosten.
6. Eisers hebben tevens verzocht om vergoeding van de kosten van juridische bijstand. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht komt de door een derde beroepsmatig verleende bijstand voor vergoeding in aanmerking. In dit geval worden de kosten die daarvoor door eisers zijn gemaakt vastgesteld op € 837 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een wegingsfactor 1).
7. Op grond van artikel 8:41, zevende lid, Awb wordt tevens het door de indiener van het beroepschrift betaalde griffierecht vergoed door het bestuursorgaan, indien het beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen. Het door eisers betaalde griffierecht ten bedrage van € 49 moet daarom eveneens door verweerder aan eisers worden vergoed.
Dictum
De rechtbank:
draagt verweerder op de kosten voor het inschakelen van een deskundige van € 9.044,75 aan eisers te vergoeden;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 837;
bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 49 aan eisers vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.E.M. Coninck, rechter, in aanwezigheid van mr. L.Z. Meijer, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 oktober 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.