Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-10-25
ECLI:NL:RBDHA:2023:16166
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
1,395 tokens
Inleiding
Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 23-7257
Zaaknummer: C/09/654886
Datum beschikking: 25 oktober 2023
Voorziening in de voogdij in verband met overlijden gezagsdrager
Beschikking
naar aanleiding van de op 31 augustus 2023 ingekomen kennisgeving ex artikel 1:301 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en het daarop volgende verzoek van:
de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Haaglanden,
hierna: de Raad.
Als belanghebbenden worden aangemerkt:
[naam01] ,
de vader,
wonende te [woonplaats01] ,
en
[naam02] ,
de grootvader,
wonende te [woonplaats01] .
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder de kennisgeving van de gemeente [plaats01] van [datum] 2023 en het verzoekschrift.
Feiten
- Uit [de moeder01] , de moeder, is het volgende nog minderjarige kind geboren:
- [minderjarige01] , op [geboortedatum01] 2021 te [geboorteplaats01] , die door de vader
is erkend.
- In het gezagsregister is aangetekend dat de moeder wenst dat naar haar overlijden de grootvader en [naam03] (de grootmoeder)als voogden over [minderjarige01] worden belast.
- De moeder is op [datum overlijden01] 2023 te [plaats van overlijden01] overleden.
Verzoek
Het verzoek strekt ertoe de vader en de grootvader gezamenlijk te belasten met het gezag over [minderjarige01] .
Beoordeling
De moeder was tot aan haar overlijden van rechtswege alleen met het ouderlijk gezag over [minderjarige01] belast. De rechtbank constateert dat door het overlijden van de moeder niemand meer gezag over [minderjarige01] uitoefent. De moeder heeft weliswaar in het gezagsregister laten opnemen dat haar ouders, de grootouders van [minderjarige01] , naar haar overlijden met de voogdij over [minderjarige01] zouden moeten worden belast, maar de grootouders hebben die benoeming vooralsnog niet aanvaard.
Dat betekent dat de rechtbank op het verzoek van de Raad in het gezag over [minderjarige01] moet voorzien (artikel 1:241 lid 1 BW). De Raad verzoekt de vader samen met de grootvader te belasten met het gezag.
Uit het verzoekschrift van de Raad blijkt dat de vader altijd betrokken is geweest bij [minderjarige01] en omgang met haar heeft. De vader heeft een groot en betrokken netwerk, waaronder ook de grootouders moederszijde van [minderjarige01] . De Raad heeft zowel met de grootouders als de vader gesproken over de gezagssituatie van [minderjarige01] . Uit het verzoekschrift is af te leiden dat de grootouders en de vader gezamenlijk hebben besloten om – indien mogelijk – de vader en de grootvader gezamenlijk het gezag over [minderjarige01] uit te laten oefenen. De vader en de grootvader hebben zich bereid verklaard om in gezamenlijkheid het gezag over [minderjarige01] uit te oefenen. Ook de Raad staat hier achter nu er geen bezwaren naar voren zijn gekomen uit het verkorte onderzoek van de Raad.
Hoewel de wet niet expliciet voorziet in de mogelijkheid om, in een situatie als deze, een ouder samen met een derde (in dit geval de grootvader), op verzoek van de Raad, met het gezag te belasten, brengt een redelijke wetstoepassing naar het oordeel van de rechtbank met zich mee dat dit verzoek toch kan worden toegewezen.
Artikel 1:241 lid 1 BW schrijft voor dat de Raad, als zij er kennis van krijgt dat een minderjarige niet onder het wettelijk vereiste gezag staat, een verzoek indient bij de rechter om in de gezagsuitoefening over deze minderjarige te voorzien. Artikel 1:253g BW schrijft vervolgens voor dat de rechter, na het overlijden van de ouder met gezag, de overlevende ouder (zonder gezag) of een derde belast met het gezag. Volgens de rechtbank is met het woordje “of” in dit artikel niet bedoeld uit te sluiten dat de overlevende ouder samen met een derde met het gezag wordt belast. Net zoals niet bedoeld is dat slechts één derde (en niet twee derden) met de voogdij kunnen worden belast. Er kan dus ook meer dan één persoon met het gezag of de voogdij worden belast in deze situatie.
Dat het daarbij ook kan gaan om een ouder en een ander dan de ouder volgt uit artikel 1:253t BW. In dat artikel heeft de wetgever het immers mogelijk gemaakt om een ouder samen met een derde te belasten met het gezag. De in artikel 1:253t lid 2 BW genoemde termijnen zijn in de situatie van [minderjarige01] niet van toepassing. Deze termijnen zien namelijk op de bescherming van de belangen van de andere, niet met het gezag belaste ouder. Door het overlijden van de moeder van [minderjarige01] heeft zij echter nog maar één ouder: de vader.
Een redelijke uitleg van bovengenoemde artikelen in onderlinge samenhang bezien, brengt naar het oordeel van de rechtbank met zich dat de vader en de grootvader, op verzoek van de Raad, gezamenlijk met het gezag over [minderjarige01] belast kunnen worden. De rechtbank acht die benoeming op basis van hetgeen naar voren is gebracht in het verzoekschrift in het belang van [minderjarige01] en de vader en de grootvader hebben zich bereid verklaard het gezag over [minderjarige01] gezamenlijk uit te oefenen. De rechtbank zal het verzoek daarom toewijzen.
Dictum
De rechtbank:
bepaalt dat voortaan aan de vader en de grootvader gezamenlijk het gezag zal toekomen over de minderjarige [minderjarige01] , geboren op [geboortedatum01] 2021 te [geboorteplaats01] ;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. A. Emmens, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. A. Sinan als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 oktober 2023.