Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-09-25
ECLI:NL:RBDHA:2023:16064
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste en enige aanleg
1,302 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.28913
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 september 2023 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. K. Ramdhan),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
1. De staatssecretaris heeft op 15 augustus 2023 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
1.1.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
1.2.
De staatssecretaris heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
1.3.
Eiser heeft hierop nadere gronden van beroep ingediend.
1.4.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Overwegingen
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 5 september 2023 (in de zaak NL23.23438) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
4. Eiser voert aan dat de staatssecretaris had moeten volstaan met een lichter middel. Eiser heeft traumatische ervaringen overgehouden aan de detentie in Litouwen en heeft constant last van angst en herbelevingen. De staatssecretaris heeft hier onvoldoende rekening mee gehouden. Daarnaast voert eiser aan dat hij bij zijn zus en zwager in Amsterdam kan verblijven. Dit heeft eiser onderbouwd met een verklaring van de zus en zwager. Volgens eiser is er geen sprake van een significant risico op onderduiken.
4.1.
De rechtbank verwijst naar haar eerdere uitspraak van 5 september 2023, overweging 7.1, waarin staat dat de rechtbank oordeelt dat het betoog van eiser dat hij niet in bewaring in Nederland kan zitten vanwege flashbacks naar zijn detentie in Litouwen, onvoldoende is om van de staatssecretaris te verlangen dat hij eiser niet in bewaring stelt. De rechtbank ziet geen aanleiding hier nu anders over te denken.
Daarnaast staat in rechtsoverweging 8.1 dat de rechtbank heeft meegewogen dat uit de gronden van de maatregel van bewaring volgt dat er een risico bestond dat eiser zich aan het toezicht op vreemdelingen zou onttrekken. Dat eiser bij zijn zus en zwager kan verblijven hoeft voor de staatssecretaris daarom evenmin reden te zijn om eiser niet (langer) in bewaring te stellen. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
5. Eiser voert verder aan dat hij asiel heeft aangevraagd en tegen de afwijzing daarvan een voorlopige voorziening aanhangig is die volgens hem niet op voorhand kansloos is. Volgens eiser heeft Litouwen de Dublinclaim weliswaar geaccepteerd, maar is het gelet op artikel 28, derde lid, van de Dublinverordening, niet uitgesloten dat hij niet uiterlijk binnen zes weken vanaf de aanvaarding d.d. 23 augustus 2023 van het overnameverzoek, overgedragen kan worden aan Litouwen.
5.1.
De rechtbank oordeelt dat op dit moment geen sprake is van overschrijding van de in artikel 28, derde lid, van de Dublinverordening genoemde termijn van zes weken voor uitvoering van de overdracht aan Litouwen. Evenmin staat op voorhand vast dat een overdacht niet binnen zes weken kan plaatsvinden. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
6. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de staatssecretaris en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid
van mr. M.H. Dijkman, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.