Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-10-13
ECLI:NL:RBDHA:2023:15746
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,191 tokens
Inleiding
proces-verbaal uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL23.20532
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[Naam], eiser
V-nummer: [Nummer] (gemachtigde: mr. M. Rasul),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. M. Hamzaoui).
Procesverloop
Bij besluit van 8 juli 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 4 oktober 2023 op zitting behandeld. Eiser is, met bericht vooraf, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Overwegingen
1. De asielaanvraag is kennelijk ongegrond verklaard omdat er geen asielrechtelijke zaken naar voren zijn gebracht.1 In de correcties en aanvullingen is er vervolgens een ander/nieuw asielrelaas naar voren gebracht en daarvan heeft verweerder gezegd dat eiser dit in het nader gehoor naar voren had moeten brengen. Daarnaast is geen deugdelijke of
1. Op grond van artikel 30b, eerste lid, onder a, van de Vreemdelingenwet 2000.
verschoonbare verklaring gegeven waarom dit pas in de correcties en aanvullingen naar voren is gebracht. De rechtbank volgt verweerder hierin.
2. Eiser heeft nog naar voren gebracht dat er sprake is van een aanvulling, maar de rechtbank is met verweerder van mening dat er geen sprake is van een aanvulling maar een ander/nieuw asielrelaas. Daarnaast is nog naar voren gebracht door eiser dat dit niet in het nader gehoor naar voren is gebracht omdat eiser toen geen advocaat had kunnen raadplegen, maar daar gaat de rechtbank niet in mee. Uit het nader gehoor blijkt namelijk dat eiser de gelegenheid is geboden om zijn asielrelaas naar voren te brengen. Dus dat moet hem duidelijk zijn geweest.
3. Eiser heeft nog naar voren gebracht dat hij onvoldoende bevraagd is of dat er onvoldoende doorgevraagd is, maar daar gaat de rechtbank ook niet in mee. Het is namelijk zo dat uit het nader gehoor duidelijk blijkt dat er vragen zijn gesteld over zijn asielrelaas, dat hij naar voren heeft gebracht dat er sociaal-economische motieven zijn en dat ook toen is gevraagd of er nog andere redenen zijn. Die vraag heeft hij ontkennend beantwoord. Er is ook een checkvraag gesteld of dit alles is wat hij naar voren wilde brengen en daarop antwoordt eiser bevestigend. Daarmee is er dus ook voldoende doorgevraagd.
4. Er is nog gesproken over de terugkeer naar Marokko zoals dat in het bestreden besluit staat. Volgens verweerder is dit een kennelijke verschrijving geweest en daar gaat de rechtbank in mee. Het blijkt uit het bestreden besluit dat een terugkeer naar Algerije moet plaatsvinden en het bestreden besluit is ook daarop gericht. Dit is dus een kennelijke verschrijving.
5. Tot slot heeft eiser nog naar voren gebracht dat Algerije niet als een veilig land van herkomst kan worden aangemerkt en de detentieomstandigheden mogelijk een schending van artikel 3 van het EVRM2 opleveren. Maar verweerder heeft naar de mening van de rechtbank terecht naar voren gebracht dat dit niet van toepassing is op de situatie van eiser.
6. De aanvraag is terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 4 oktober 2023 door mr. H. Remerie, rechter, in aanwezigheid van mr. Ż.A. Meinert, griffier.
2 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Documentcode: DSR30615991
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.