Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-08-29
ECLI:NL:RBDHA:2023:15725
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - meervoudig
3,354 tokens
Inleiding
Rechtbank DEN HAAG
Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaaksgegevens: C/09/650531 / JE RK 23-1433
Datum uitspraak: 29 augustus 2023
Beschikking van de meervoudige kamer
Verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak naar aanleiding van het op 14 juli 2023 ingekomen verzoekschrift van:
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
advocaat: mr. E.M. de Lange, gevestigd te Den Haag,
betreffende:
[naam01] , geboren op [geboortedatum01] 2022 te [geboorteplaats01] ,
hierna te noemen: [naam01] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[naam02] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [woonplaats01] ,
en
[naam03]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
beiden bijgestaan door advocaat: mr. F.J. Koningsveld, gevestigd te Breda,
[naam07] ,
hierna te noemen: de pleegmoeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
Het procesverloop
Bij beschikking van 31 juli 2023 van de kinderrechter in deze rechtbank is de ondertoezichtstelling van [naam01] verlengd van 10 augustus 2023 tot 12 september 2023 en is voor dezelfde duur een machtiging verleend om [naam01] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg. Het verzoek is voor het overige aangehouden tot de zitting van heden bij de meervoudige kamer.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder nu ook:
- voornoemde beschikking d.d. 31 juli 2023;
- de brief van de pleegmoeder d.d. 25 augustus 2023;
- de brief met bijlagen van de gecertificeerde instelling d.d. 25 augustus 2023.
Op 29 augustus 2023 heeft op de zitting van de meervoudige kamer in deze rechtbank, met gesloten deuren, de mondelinge behandeling van het verzoek plaatsgevonden, gelijktijdig met de behandeling van het verzoek van de gecertificeerde instelling tot het doen gelasten van een deskundigenonderzoek (
C/09/653165 / JE RK 23-1774
). Op laatstgenoemd verzoek is bij afzonderlijke beschikking beslist.
Op de zitting van de meervoudige kamer van 29 augustus 2023 zijn verschenen:
- de heer [naam04] en mevrouw [naam05] namens de gecertificeerde instelling, bijgestaan door hun advocaat;
- de ouders, bijgestaan door hun advocaat.
De pleegmoeder heeft bij brief van 25 augustus 2023 kenbaar gemaakt dat zij niet ter zitting zal verschijnen.
Het verzoek
Het verzoek strekt tot verlenging van de ondertoezichtstelling voor de periode van één jaar, alsmede tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing van [naam01] in een voorziening voor pleegzorg voor de periode van één jaar.
De gecertificeerde instelling heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. [naam01] is geboren tijdens de detentie van de ouders. De ouders waren beiden aangemerkt als verdachte van kindermishandeling met de dood tot gevolg van [naam06] , het halfzusje van [naam01] . Op 8 december 2022 heeft het openbaar ministerie (hierna te noemen: OM) de zaak vanwege gebrek aan bewijs geseponeerd. Het OM heeft wel aangegeven dat er sprake is geweest van een geïsoleerd geweldsdelict waarvoor beide verdachten in aanmerking komen. Er was niemand anders aanwezig in de woning. Het sectierapport geeft aan dat het overlijden van [naam06] te wijten is aan ernstig hersenletsel, toegebracht door stompen van of schudden aan het hoofd. De gecertificeerde instelling heeft bij haar verzoekschrift overgelegd de casusomschrijving en de conclusies van het OM. Daaruit volgt dat er bij de thans bekende stand van zaken het dossier te weinig handvatten biedt voor beide verdachten om tot een veroordeling te kunnen komen.
Aangezien [naam01] en de ouders woonachtig waren in [naam07] , was Jeugdbescherming [naam07] (hierna te noemen: JBB) belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling. JBB heeft (door de pleegmoeder) begeleide bezoeken van de ouders opgezet en uitgebouwd naar twee keer per week. Na het sepot van het OM heeft JBB besloten over te gaan tot een thuisplaatsingstraject van [naam01] bij de moeder, die bij haar ouders zou gaan inwonen.
Aangezien de voorgenomen woonplek in het werkgebied van Jeugdbescherming west Haaglanden (hierna te noemen: JBW) ligt, is de gecertificeerde instelling vervangen.
JBW heeft een wisselend beeld van de begeleide bezoeken. Daarnaast mist JBW feitenonderzoek naar het overlijden van [naam06] . JBW heeft contact opgenomen met Pleegzorg, Veilig Thuis [naam07] , Kinderbescherming [naam07] en het OM.
Uit dit feitenonderzoek blijkt dat bij iedere voornoemde organisatie zorgen bestaan over de veiligheid van [naam01] als hij bij de moeder zou gaan wonen. JBW meent dat achteraf gesteld kan worden dat er onvoldoende informatie was om tot een gedegen besluit over terugplaatsing te komen. JBW kijkt daarom anders aan tegen de mogelijkheid om [naam01] weer thuis, in dit geval bij de moeder, te plaatsen. Er moet eerst nader onderzoek worden gedaan naar de voorgeschiedenis en de persoonlijkheid van de ouders, voordat [naam01] op een veilige manier bij de moeder kan worden geplaatst. JBW heeft daarom besloten het terugplaatsingstraject stop te zetten en een verlenging van de kinderbeschermingsmaatregelen te vragen. De gecertificeerde instelling begrijpt dat het niet haar taak is om het strafrechtelijk onderzoek over te doen. Wel is het de taak van de gecertificeerde instelling om de veiligheid van [naam01] te waarborgen. In dat licht moeten de door JBW gestelde voorwaarden voor een mogelijke terugplaatsing dan ook bezien worden. Dat betekent dat van de ouders verwacht wordt dat zij meewerken aan een persoonlijkheidsonderzoek, samenwerken met de gecertificeerde instelling en dat zij de hulpverlening accepteren.
Naast een verlenging van de kinderbeschermingsmaatregelen heeft de gecertificeerde instelling de rechtbank ook verzocht om een deskundigenonderzoek door het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (hierna te noemen: NIFP) te gelasten (
C/09/653165 / JE RK 23-1774
). Ter zitting heeft de gecertificeerde instelling toegelicht dat er na de zitting van 31 juli 2023 contact opgenomen is met het Kennis- en Servicecentrum voor Diagnostiek (hierna te noemen: KSCD). Het KSCD is een onafhankelijk instituut dat ook diagnostisch onderzoek verricht naar ouders en kinderen. De wachttijden bij het KSCD zijn aanzienlijk korter dan bij het NIFP. De gecertificeerde instelling heeft het verzoek tot het doen gelasten van een deskundigenonderzoek daarom ter zitting aangepast, in die zin dat primair wordt verzocht om een onderzoek te gelasten bij het NIFP en subsidiair bij het KSCD. De gecertificeerde instelling verzoekt daarnaast om een aanhouding voor korte tijd om de onderzoeksvragen aan te scherpen. Daarbij zal de gecertificeerde instelling een onderscheid maken tussen de beide ouders, omdat de ouders geen relatie meer hebben en van een thuisplaatsing bij hen samen dan ook geen sprake meer zal zijn. Ook vindt de gecertificeerde instelling het belangrijk dat de grootouders moederszijde bij het deskundigenonderzoek worden betrokken, omdat de moeder bij hen inwoont en onderzocht wordt of [naam01] daar geplaatst kan worden. De korte aanhouding zal de gecertificeerde instelling ook gebruiken om de relevante stukken ten aanzien van het starten van het terugplaatsingstraject in [naam07] op te vragen bij JBB, omdat deze stukken nog niet in het dossier zitten.
Gelet op de zorgen die er zijn en gelet op het nog te verrichten onderzoek, verzoekt de gecertificeerde instelling primair om de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen voor de duur van een jaar. Subsidiair verzoekt de gecertificeerde instelling de machtiging tot uithuisplaatsing slechts te verlengen voor de duur van zes maanden en aan te houden voor het overige.
Het standpunt van de ouders
Beoordeling
De rechtbank is, gelet op hetgeen uit het dossier en ter zitting naar voren is gekomen, van oordeel dat de in artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor ondertoezichtstelling nog aanwezig zijn en dat het noodzakelijk is de ondertoezichtstelling te verlengen als verzocht. Verder is de rechtbank van oordeel dat de in artikel 1:265b, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor een machtiging tot uithuisplaatsing nog aanwezig zijn.
Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. [naam01] is bij beschikking van 10 augustus 2022 van de kinderrechter van de rechtbank Zeeland-West- [naam07] onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst, omdat er zorgen waren over de fysieke en emotionele veiligheid van [naam01] in de opvoedomgeving bij de ouders. De ouders werden namelijk verdacht van kindermishandeling met de dood tot gevolg van [naam06] , het halfzusje van [naam01] . Het OM heeft de zaak in december 2022 geseponeerd vanwege gebrek aan bewijs. Daarbij heeft het OM wel vastgesteld, mede aan de hand van het sectieverslag, dat het gaat om een geïsoleerd geweldsdelict, waarbij het letsel is toegebracht door ofwel één van de ouders ofwel de ouders tezamen. Gelet hierop heeft de rechtbank – in navolging van de gecertificeerde instelling – grote zorgen over opvoedomgeving bij (één van) de ouders en de veiligheid van [naam01] . Er dient daarom zorgvuldig onderzocht te worden of en, zo ja, hoe een veilige thuisplaatsing van [naam01] bij (één van) de ouders gerealiseerd kan worden. Daarom is het noodzakelijk dat er nader onderzoek wordt verricht naar de persoonlijkheid van de ouders. De rechtbank ziet daarom aanleiding om een deskundigenonderzoek te gelasten. Voor de verdere motivering daarvan verwijst de rechtbank naar de beschikking met zaak- en rekestnummer C/09/653165 / JE RK 23-1774.
Het is de komende periode van doorslaggevend belang dat de ouders volledig meewerken aan het persoonlijkheidsonderzoek, zich inzetten voor de hulpverlening en samenwerken met de gecertificeerde instelling. De rechtbank vindt het positief dat de ouders zich ter zitting bereid hebben verklaard om hun medewerking aan een persoonlijkheidsonderzoek
te verlenen en open staan voor hulpverlening.
De rechtbank wijst het verzoek tot de verlenging van de ondertoezichtstelling toe voor de verzochte duur. Gelet op het nog te verrichten deskundigenonderzoek en de jonge leeftijd van [naam01] , ziet de rechtbank aanleiding om de machtiging tot uithuisplaatsing slechts te verlengen voor zes maanden en het verzoek voor het overige aan te houden. Over zes maanden wordt dan opnieuw naar de situatie van [naam01] gekeken, mede in het licht van de stand van zaken van het deskundigenonderzoek.
Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat de door de gecertificeerde instelling gestelde voorwaarde voor een thuisplaatsing – in die zin dat de ouders “openheid” moeten geven over het overlijden van [naam06] – niet haalbaar is, nu dit nooit empirisch gemeten kan worden. Ter zitting heeft de gecertificeerde instelling dit erkend en toegelicht dat met die voorwaarde bedoeld wordt dat de ouders volledig meewerken aan een persoonlijkheidsonderzoek en de hulpverlening zullen accepteren.
Dictum
De rechtbank:
verlengt de ondertoezichtstelling van [naam01] van 12 september 2023 tot 10 augustus 2024 met behoud van Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden als gecertificeerde instelling die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling;
en
verlengt de aan Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden verleende machtiging om [naam01] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg van 12 september 2023 tot 10 maart 2024;
verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
houdt de behandeling van het verzoek ten aanzien van de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing voor het overige aan tot een nader te bepalen zitting bij de meervoudige kamer,
gelegen vóór 10 maart 2024
;
verzoekt de gecertificeerde instelling om
uiterlijk één week
voorafgaand aan de voornoemde zitting een voortgangsverslag te overleggen en haar standpunt ten aanzien van het aangehouden deel van het verzoek aan de rechtbank en de overige partijen kenbaar te maken;
gelast de griffier tegen voormelde zitting op te roepen:
- Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden;
- de advocaat van de gecertificeerde instelling: mr. E.M. de Lange;
- de moeder;
- de vader;
- de advocaat van de ouders: mr. F.J. Koningsveld;
- de pleegmoeder;
- de grootouders moederszijde als informant.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 29 augustus 2023 door mr. M.H. Rochat, mr. J.C. van den Dries en mr. A.M.A. Keulen, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. J.M. Dreef als griffier.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 15 september 2023.
Voor zover in deze beschikking eindbeslissingen staan, kan hoger beroep tegen deze beschikking worden ingesteld:
- door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van
het gerechtshof Den Haag.