Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-06-30
ECLI:NL:RBDHA:2023:15330
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,310 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: NL23.12506 en NL23.12507
[v nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 30 juni 2023 in de zaak tussen
[eiser] , eiser/verzoeker (eiser)
geboren op [geboortedatum] 1991 van Afghaanse nationaliteit
(gemachtigde: mr. C.J. Ullersma),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. M.F. Ali).
Inleiding
1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) het beroep van eiser tegen de beslissing van verweerder om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen en eisers verzoek om een voorlopige voorziening.
1.2.
Eiser heeft in Nederland een verblijfsvergunning asiel aangevraagd. Bij besluit van 24 april 2023 heeft verweerder de aanvraag van eiser niet in behandeling genomen omdat Oostenrijk volgens verweerder verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eiser is het hier niet mee eens en heeft beroep ingesteld bij de rechtbank en tevens om een voorlopige voorziening verzocht.
1.3.
De zaak is met partijen besproken op een zitting op 6 juni 2023. Hierbij waren aanwezig: eiser, zijn gemachtigde, [naam] als tolk in de taal Dari en de gemachtigde van verweerder.
Overwegingen
Besluitvorming en standpunt eiser
2. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet. Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen als op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Oostenrijk een verzoek om terugname gedaan, omdat uit [naam database] is gebleken dat eiser eerder in Oostenrijk een verzoek om internationale bescherming heeft gedaan. De autoriteiten van Oostenrijk hebben niet binnen twee weken gereageerd en daarom staat de verantwoordelijkheid van Oostenrijk vast. Tot slot vindt verweerder dat de aangevoerde omstandigheden niet voldoende bijzonder zijn om van de overdracht af te zien. De enkele omstandigheid dat eiser in Afghanistan voor Nederland heeft gewerkt is niet voldoende. Verweerder verwijst ter onderbouwing naar het Informatiebericht 2022/71 Beslissen op Afghaanse asielaanvragen (hierna: IB 2022/71).
3. Eiser voert samengevat het volgende aan. Eiser vindt dat Nederland zijn asielverzoek aan zich moet trekken, omdat eiser in Afghanistan voor Nederland heeft gewerkt en door die werkzaamheden gevaar loopt in Afghanistan. Eiser is, anders dan al zijn collega’s, niet geëvacueerd door Nederland. Hij heeft op illegale wijze naar Nederland moeten reizen en dat mag hem nu niet worden tegengeworpen. Hij heeft namelijk nooit in Oosterrijk bescherming aan willen vragen, maar is daar gedwongen om zijn vingerafdrukken af te staan. Verder kan verweerder bij het weigeren de aanvraag aan zich te trekken niet volstaan met een verwijzing naar een algemeen Informatiebericht. Verweerder moet een individuele beoordeling maken en heeft dat niet gedaan. Tot slot voert eiser aan dat Oostenrijk een ander beschermingsbeleid voert ten aanzien van Afghanen dan Nederland.
Beoordeling
4. De rechtbank stelt voorop dat het in deze procedure uitsluitend gaat om de vraag welk land verantwoordelijk moet worden geacht voor de behandeling van het asielverzoek.
5. Verweerder kan een verzoek om internationale bescherming onverplicht inhoudelijk in behandeling nemen op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening (discretionaire bevoegdheid). Deze bevoegdheid wordt in ieder geval gebruikt als er sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden waardoor een overdracht leidt tot onevenredige hardheid. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat er sprake is van zulke omstandigheden.
6.1.
De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet ter discussie staat dat eiser in Afghanistan voor Nederland werkzaam was op het militaire vliegveld, dat hij onder motie Belhaj valt en dat Oostenrijk een ander beschermingsbeleid voert ten aanzien van vreemdelingen die onder deze motie vallen.
6.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom in dit geval geen gebruik is gemaakt van de discretionaire bevoegdheid. De stelling van verweerder dat de enkele omstandigheid dat eiser heeft gewerkt voor Nederland niet leidt tot onevenredige hardheid, vindt de rechtbank onvoldoende gemotiveerd nu eiser onder motie Belhaj valt. Ook de verwijzing naar het IB 2022/71 – waarin staat opgenomen dat een asielaanvraag ingediend door een Afghaanse vreemdeling niet zal leiden tot inwilliging als sprake is van een afwijzing op grond van de Dublinverordening – is onvoldoende. Zo wordt in het IB 2022/71 niet ingegaan op Afghaanse vreemdelingen die onder motie Belhaj vallen. Bovendien is de hoofdregel dat een asielaanvraag niet in behandeling genomen kan worden op grond van de Dublinverordening, maar verweerder had in dit geval moeten motiveren waarom in het geval van eiser geen gebruik wordt gemaakt van de discretionaire bevoegdheid. Des te meer, omdat uit kamerstukken blijkt dat Nederland zich verantwoordelijk voelt voor Afghaanse vreemdelingen die Nederland hebben ondersteund in Afghanistan. De gedachte daarbij is dat deze Afghaanse vreemdelingen na de machtsovername door de Taliban gevaar lopen in Afghanistan vanwege hun werkzaamheden voor Nederland. Gelet daarop heeft de regering toegezegd dat naar letter en geest van motie Belhaj zal worden gehandeld. De rechtbank overweegt dan ook dat Nederland een morele verplichting heeft tegenover eiser. Dit terwijl Oostenrijk enkel en alleen verantwoordelijk is omdat daar zijn vingerafdrukken zijn afgenomen. Naar het oordeel van de rechtbank moet de morele verplichting van Nederland in dit geval zwaarder wegen. Gelet op het voorgaande heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom geen gebruik is gemaakt van de discretionaire bevoegdheid.
Conclusie
7.1.
Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Verweerder zal binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak.
7.2.
Omdat de rechtbank met deze uitspraak op het beroep beslist, is er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. Eiser krijgt wel een vergoeding voor de door hem gemaakte proceskosten ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening omdat het beroep gegrond is.
7.3.
De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.511,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 837,- en een wegingsfactor 1)
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep in de zaak NL23.12506 gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
draagt verweerder om binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.511,-
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak NL23.12507 af;
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Moussaoui, rechter, in aanwezigheid van mr. J.L. van Egmond, griffier.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Vreemdelingenwet 2000.
Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend.
Artikel 25, tweede lid van de Dublinverordening.
Kamerstukken II 2020/21, 27 925, nr. 788.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2592.
Kamerstukken II 2020/21, 27 925, nr. 841.