Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-10-12
ECLI:NL:RBDHA:2023:15086
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
91,161 tokens
Inleiding
Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummers: 09/767007-17 en 13/217316-18 (ttz. gev.)
Datum uitspraak: 12 oktober 2023
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in zaak van de officieren van justitie tegen de verdachte:
[verdachte 1]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1956,
momenteel gedetineerd in de penitentiaire [inrichting 1] .
Inhoudsopgave
1. Het onderzoek ter terechtzitting 7
2. De tenlastelegging 7
3. De geldigheid van dagvaarding I ten aanzien van de Opiumwetfeiten 7
4. Artikel 359a Sv verweer 8
4.1 Het voorlichtend achtergrondgesprek en de berichtgeving op de website van het openbaar ministerie 8
5. De bewijsbeslissing 13
5.1 Inleiding 13
5.2 Het standpunt van het openbaar ministerie 13
5.3 Het standpunt van de verdediging 14
5.4 Verweren ten aanzien van de rechtmatigheid en betrouwbaarheid van de Encrochat- en SkyECC-chatberichten 14
5.5 Bewijsoverwegingen 19
5.5.1 PGP-berichten als bewijsmiddel 20
5.5.2 PGP-identificaties 21
5.5.2.1 PGP-identificatie [verdachte 1] 21
5.5.2.2 PGP-identificatie [verdachte 2] 22
5.5.2.3 PGP-identificatie [verdachte 3] 25
5.5.2.4 PGP-identificatie [verdachte 5] 26
5.5.2.5 PGP-identificatie [verdachte 10] 28
5.5.2.6 PGP-identificatie [verdachte 7] 29
5.5.2.7 PGP-identificatie [verdachte 8] 31
5.5.2.8 PGP-identificatie [verdachte 6] 31
5.5.2.9 PGP-identificatie [verdachte 9] 33
5.5.2.10 PGP-identificatie [verdachte 11] 34
5.5.2.11 PGP-identificatie [verdachte 17] 36
5.5.2.12 PGP-identificatie [verdachte 13] 36
5.5.2.13 PGP-identificatie [verdachte 18] 38
5.5.2.14 PGP-identificatie [verdachte 4] 39
5.5.2.15 PGP-identificatie [verdachte 12] 39
5.5.2.16 PGP-identificatie [verdachte 25] 40
5.5.2.17 PGP-identificatie [verdachte 19] 40
5.5.3 B.1 Verdovende middelen en omkoping (feiten 1, 2, 3 en 5) 41
5.5.3.1 Juridische kaders voorbereidingshandelingen en medeplegen 41
5.5.3.2 Duiding van chatberichten 42
5.5.3.3 Verklaringen [verdachte 1] 43
5.5.3.4 Zaaksdossiers 44
5.5.3.4.1 B1.2 Biba 4.600 kilo cocaïne, B1 4.4.10 Mei t/m oktober 2017 Avdi Biba 4.600 kilo cocaïne en 13 Rosasiet, B1 4.4.11 Januari t/m oktober 2017 Restinformatie onderzoek Pollino, B1 4.4.11.1 Aanvulling AMB.3468, B1 4.4.11.2 Aanvulling AMB.4405 en 5.9 [betrokkene 2] 44
5.5.3.4.2 B1.3 Spanje en B1 4.5.5 Maart 2018 t/m oktober 2018 Spanje 50
5.5.3.4.3 B1.5 11.000 kilogram hasj Marokko – België 57
5.5.3.4.4 B.1.7 16.000 liter Formamide Hamburg – IJmuiden 60
5.5.3.4.5 B1.8 [locatie 1] Randwijk 63
5.5.3.4.6 B1 4.4.4 Restinformatie 26Sassenheim 64
5.5.3.4.7 B1 4.7.4.1.3 Voorbereiding uitvoer Noorwegen - vliegtuigje 66
5.5.3.4.8 B1 4.7.4.2.4 Uitvoer Ierland 67
5.5.3.4.9 B1 4.7.4.2.5 Uitvoer pillen naar Rusland en B1 4.7.4.2.3 Uitvoer Engeland 70
5.5.3.4.10 B1 4.7.4.2.6 Voorbereiding uitvoer methamfetamine naar Berlijn 71
5.5.3.4.11 B1 4.7.4.2.7 Liften, zwanger maken rip off en BV-BV 72
5.5.3.4.12 B1 4.7.4.2.8 Lijn limoenen en B1 4.7.4.2.9 Uithaal liften Antwerpen 73
5.5.3.4.13 B1 4.7.4.2.10 Lijn shredders Australië en B1 4.8.1.2.1 Aanvulling shredders 76
5.5.3.4.14 B1 4.7.4.2.11 Lijn deklading kolen Colombia II 79
5.5.3.4.15 B1 4.7.4.2.12 Lijn deklading soja en schroot 81
5.5.3.4.16 B1 4.7.4.2.14 Lijn Barcelona 82
5.5.3.4.17 B1 4.7.4.2.15 Lijn Costa Rica – Vlissingen 83
5.5.3.4.18 B1 4.7.4.2.16 Voorbereiding transport Zuid-Amerika – Nederland – Engeland [verdachte 7] met Grizzlywind 84
5.5.3.4.19 B1 4.7.4.2.18 Voorbereiding uitvoer Australië drones 85
5.5.3.4.20 B1 4.7.4.2.19 Voorbereiding blokken in fruit per luchtvracht en B1 4.7.4.2.20 Voorbereiding blokken in cilinders 86
5.5.3.4.21 B1 4.7.4.2.22 Encrochatberichten [verdachte 1] en [betrokkene 3] over Cartagena 89
5.5.3.4.22 B1 4.7.4.3.1 Rekeningoverzicht [verdachte 17] , [verdachte 1] en [verdachte 10] 89
5.5.3.4.23 B1 4.7.4.3.3. Synthetische drugslabs, B1 4.7.4.3.4.
Dictum
1Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 9 januari 2023 (pro forma), 6 maart 2023, 7 maart 2023, 9 maart 2023, 13 maart 2023, 14 maart 2023, 16 maart 2023, 30 maart 2023, 11 april 2023, 13 april 2023, 17 april 2023, 18 april 2023, 20 april 2023, 8 mei 2023, 9 mei 2023, 11 mei 2023, 12 mei 2023, 15 mei 2023, 22 mei 2023, 23 mei 2023, 25 mei 2023, 26 mei 2023, 5 juni 2023, 6 juni 2023, 8 juni 2023, 13 juli 2023 en 29 september 2023 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie mr. M.A. Visser en mr. C. Sam-Sin en van hetgeen door de verdachte en zijn raadslieden mr. A.A. Franken en mr. J.J. Veldheer naar voren is gebracht.
2De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de – ter terechtzitting gewijzigde – dagvaarding met parketnummer 09/767007-17 (hierna ook: dagvaarding I) en de dagvaarding met parketnummer 13/217316-18 (hierna ook: dagvaarding II). De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht.
3De geldigheid van dagvaarding I ten aanzien van de Opiumwetfeiten
De tenlastelegging ten aanzien van de drugsfeiten van de verschillende verdachten is doorgaans opgebouwd uit een aantal feiten waarbij naast - kort gezegd - voltooide drugsfeiten, voorbereidingshandelingen in het kader van de Opiumwet zijn ten laste gelegd. De ten laste gelegde periode in die feiten is zeer ruim en ook het aantal pleegplaatsen is aanzienlijk. Het zaaksdossier B.1 verdovende middelen bevat negen zaaksdossiers en daarnaast een ‘hoofdrelaas B1-verdovende middelen’. Dit hoofdrelaas bevat ook nog een groot aantal losse zaaksdossiers verspreid over een zeer groot aantal pagina’s. Hierin zijn talloze verdenkingen van voorbereidingshandelingen in het kader van de Opiumwet en voltooide drugsfeiten opgenomen.
Gelet op bovenstaande is de tenlastelegging van die feiten op zichzelf onvoldoende bepaald en zou dagvaarding I gezien artikel 261 Sv in zoverre nietig zijn.
Het openbaar ministerie heeft evenwel bij de dagvaarding per verdachte een bijlage gevoegd waarin per feit de specifieke (losse) zaaksdossiers zijn benoemd die onder dat feit vallen. Indien de tenlastelegging in samenhang met die bijlage wordt gelezen, is helder waar de verschillende verdachten van worden verdacht. De rechtbank heeft ter terechtzitting ook al deze (losse) zaaksdossiers met de betreffende verdachten besproken en zij gaven er blijk van te begrijpen waarvan zij werden verdacht. Aldus is dagvaarding I in de zaak van [verdachte 1] geldig.
De dagvaarding is óók geldig indien uit de tekst van de tenlastelegging voldoende specifiek blijkt op welk zaaksdossier wordt gedoeld. Is dat echter niet zonder meer duidelijk en is een (los) zaaksdossier niet in de bijlage van de dagvaarding van een verdachte opgenomen, dan is de in dat zaaksdossier opgenomen verdenking niet aan de betreffende verdachte ten laste gelegd.
4Artikel 359a Sv verweer
4.1
Het voorlichtend achtergrondgesprek en de berichtgeving op de website van het openbaar ministerie
4.1.1
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft aangevoerd dat het openbaar ministerie heeft gehandeld in strijd met het onschuldvermoeden zoals verankerd in de Straatsburgse rechtspraak, de Europese richtlijn over de onschuldpresumptie (richtlijn 9 maart 2016, 2016/343), de nationale wetgeving en de Aanwijzing voorlichting opsporing en vervolging (2020A004) door een ‘voorlichtend achtergrondgesprek’ te organiseren voor vertegenwoordigers van de media en door de berichtgeving op de website van het openbaar ministerie. Alhoewel publiciteit kan bijdragen aan de externe openbaarheid van het strafproces en daarmee het vertrouwen van de samenleving in de strafrechtspleging en het openbaar ministerie in dit verband ook een voorlichtende rol inneemt, heeft het openbaar ministerie in dit geval gehandeld in strijd met het recht. Niet is voldaan aan de voorwaarde dat terughoudendheid wordt betracht zodra de zaak voor de rechter is aangebracht. Het openbaar ministerie heeft de zaak Taxus willen oppompen en tot een prestigezaak willen maken. Deze schending dient te leiden tot strafvermindering, aldus de verdediging.
4.1.2
Het standpunt van het openbaar ministerie
Bij e-mailbericht van 7 maart 2023 heeft de officier van justitie naar aanleiding van vragen van de verdediging als volgt meegedeeld:
“Op 21 februari 2023 heeft de persvoorlichting van het arrondissementsparket Den Haag verschillende media uitgenodigd voor een voorlichtend achtergrondgesprek over het onderzoek Taxus om vorm te geven aan de publieke voorlichtingsrol van het openbaar ministerie zoals neergelegd in de Aanwijzing voorlichting opsporing en vervolging en om de media in staat te stellen goed verslag te kunnen doen van het onderzoek indachtig de vele geplande zittingsdagen en ter terecht staande verdachten. De media is een planning van de zaken en de tenlastegelegde feiten overhandigd.”
De officier van justitie heeft meegedeeld dat er geen presentatie is gegeven, noch zijn er foto’s getoond of geluidsopnames afgespeeld.
Ter zitting op 18 april 2023 heeft de officier van justitie in aanvulling op het e-mailbericht gesteld dat bij het voorlichtende achtergrondgesprek geen citaten uit het dossier zijn gegeven, geen presentatie van het dossier is gegeven, geen stukken uit het dossier zijn voorgehouden en geen concrete bewijsmiddelen zijn gedeeld om op die manier een bepaald beeld bij de media te schetsen.
Naast het organiseren van de bijeenkomst, is op de website van het openbaar ministerie aandacht besteed aan het onderzoek Taxus. Op een pagina op de website van het openbaar ministerie is te lezen:
“Taxus is een omvangrijk onderzoek naar een criminele organisatie die zich zou hebben schuldig gemaakt aan wereldwijde drugshandel en het witwassen van de opbrengsten daarvan. Het Openbaar Ministerie vervolgt 27 personen en 8 rechtspersonen in een dossier dat ruim 70.000 pagina's telt.
Onderzoek Taxus is gestart in november 2016 op basis van informatie uit het criminele milieu. De bekende Hagenaar [verdachte 1] . zou zich bezig houden met de invoer van grote partijen cocaïne en juist een "klapper" hebben gemaakt.
Het onderzoek richtte zich op [verdachte 1] . en het criminele netwerk waarmee hij strafbare feiten zou plegen. In de loop van meerdere jaren werd een dossier opgebouwd waaruit volgens het Openbaar Ministerie kan worden afgeleid dat de verdachten zich hebben schuldig gemaakt aan invoer, export en productie van allerlei soorten drugs, en/of de voorbereiding daarvan.
Voortdurende handel
De criminele organisatie zou zich niet hebben gespecialiseerd in één soort drugs. In het dossier Taxus komt van alles voorbij: cocaïne, heroïne, hennep, synthetische drugs en grondstoffen daarvoor. Elke kans die voorbij kwam, grepen de verdachten aan.
Het dossier bevat duizenden berichten uit encryptietelefoons waarmee de verdachten communiceerden. Hieruit ontstaat volgens het Openbaar Ministerie een duidelijk beeld: de verdachten waren voortdurend bezig handeltjes te zoeken en te drijven. Dag in, dag uit.
Daarbij ziet het Openbaar Ministerie [verdachte 1] . als centrale figuur in het netwerk; wat hij wilde, gebeurde ook.
Beoordeling
Als uitgangspunt geldt dat het openbaar ministerie de bevoegdheid heeft om de pers te informeren. Het is in het algemeen inherent aan het (straf)recht dat zaken, gelet op hun aard en inhoud, een zekere vorm van media-aandacht met zich brengen. Het is aanvaardbaar dat het openbaar ministerie ook het publiek informeert over strafrechtelijke onderzoeken. Te allen tijde heeft echter te gelden dat een ieder tegen wie een strafvervolging is ingesteld voor onschuldig wordt gehouden, totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan. Uit de onschuldspresumptie volgt voorts dat bij contacten met de pers de benodigde terughoudend en zorgvuldigheid moet worden betracht door het openbaar ministerie. Niet mag de suggestie worden gewekt dat een verdachte reeds door de strafrechter is schuldig verklaard.
Het komt de rechtbank in beginsel niet vreemd of ongebruikelijk voor dat bij een zaak met de omvang en aard als het onderzoek Taxus gebruik wordt gemaakt van verschillende mediavormen om het publiek op verschillende momenten te voorzien van informatie. Het is de rechtbank niet ontgaan dat gedurende het onderzoek en ook tijdens het onderzoek ter terechtzitting geregeld belangstelling is geweest van diverse landelijke en regionale mediakanalen. Er is op meerdere dagen schrijvende pers aanwezig geweest alsook zijn camera’s aanwezig geweest die verslag hebben gedaan van het proces op de regionale en landelijke televisie. Afgezet tegen de omvang van het dossier en de veelheid van verdenkingen, is het niet moeilijk om in te zien dat deze verslaglegging was gebaat bij de (achtergrond) informatie zoals verschaft door het openbaar ministerie tijdens het voorlichtend achtergrondgesprek en op de website.
Anders dan de verdediging heeft betoogd, ziet de rechtbank geen aanleiding om aan te nemen dat het openbaar ministerie het onderzoek Taxus op oneigenlijke of proactieve gronden heeft willen oppompen en tot een prestigezaak heeft willen maken. Het openbaar ministerie heeft voldoende terughoudendheid betracht. Ten aanzien van de tekst op de website in zijn geheel beschouwd, geldt dat het openbaar ministerie heeft benadrukt dat het gaat om het beeld dat bij het openbaar ministerie bestaat en hetgeen zij de verdachten in het onderzoek Taxus verwijten. Nergens volgt uit dat zij al hebben gesteld of de indruk hebben gewekt dat de verdachten al door de strafrechter waren veroordeeld. Anders dan de verdediging stelt, heeft het openbaar ministerie aldus geen voorschot genomen op de schuld van de verdachten, noch heeft het openbaar ministerie door de specifieke woordkeuze de suggestie gewekt dat de schuld van de verdachten al vast zou staan of de zaak in de media willen voeren.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het openbaar ministerie niet onrechtmatig gehandeld waar het gaat om de contacten en informatievoorziening naar de media en de samenleving door de tekst op de website. Dat betekent dat de rechtbank geen aanleiding ziet om, indien aan de orde, op deze grond tot strafvermindering over te gaan.
5De bewijsbeslissing
5.1
Inleiding
Het onderzoek Taxus is gestart in november 2016 en zag in de kern op de verdenking dat [verdachte 1] de invoer van grote partijen (duizenden kilo’s) cocaïne vanuit Zuid-Amerika aanstuurde en dat hij zich samen met anderen schuldig maakte aan gewoontewitwassen. Het onderzoek kende een groot aantal deelonderzoeken.
Die deelonderzoeken richtten zich op meer concrete verdenkingen (van de invoer van cocaïne) tegen individuen uit het vermeende criminele samenwerkingsverband rondom [verdachte 1] . Gedurende het onderzoek is ook restinformatie ontvangen vanuit andere onderzoeken.
In september 2018 werd een Joint Investigation Team (hierna: JIT) opgericht door Nederland en Spanje, omdat [verdachte 1] en andere verdachten veelvuldig in Spanje waren en verdacht werden ook daar strafbare feiten te plegen.
Vanaf eind 2019 werd door politie en openbaar ministerie toegewerkt naar een zogenoemde klapdag in meerdere landen. Deze vond uiteindelijk plaats op 16 september 2020. Op die dag werd onder andere [verdachte 1] aangehouden.
Een en ander heeft geresulteerd in een proces-verbaal van uiteindelijk circa 80.000 bladzijden. In de maanden maart tot en met juli 2023 zijn de zaken van 34 verdachten, waaronder acht rechtspersonen, inhoudelijk behandeld. De rechter-commissaris heeft meer dan 90 personen als getuige gehoord of getracht te horen.
De verdenkingen richten zich in het bijzonder op:
Handel, invoer en uitvoer van met name cocaïne en heroïne (en de voorbereidingshandelingen daartoe), de productie van amfetamine, methamfetamine en de handel in grondstoffen daarvoor, in georganiseerd verband;
Het witwassen van criminele gelden in georganiseerd verband;
Het gebruik van geweld (in georganiseerd verband), al dan niet samenhangend met de exploitatie van een illegale goksite.
Daarnaast zijn door het openbaar ministerie diverse ‘losse feiten’ ten laste gelegd, zoals wapenbezit en wapenhandel.
5.2
Het standpunt van het openbaar ministerie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het onder 13 ten laste gelegde en tot bewezenverklaring van de onder 1 tot en met 12 ten laste gelegde feiten. Op specifieke standpunten wordt - voor zover van belang - hierna verder ingegaan.
5.3
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft uitvoerig verweer gevoerd op de ten laste gelegde feiten en vrijspraak bepleit. De rechtbank zal hier - voor zover relevant - bij de bespreking van de feiten op in gaan.
5.4
Verweren ten aanzien van de rechtmatigheid en betrouwbaarheid van de Encrochat- en SkyECC-chatberichten
Verweren van de verdediging
De verdediging voert een drietal verweren die zien op de rechtmatigheid van de Encrochat- en SkyECC-gegevens en een verweer dat ziet op de betrouwbaarheid van de gegevens.
Het eerste rechtmatigheidsverweer heeft betrekking op de beoogde/voorziene omzeiling van de rechtsbescherming door het openbaar ministerie. De verdediging ziet hierin twee redenen om het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de strafvervolging.
Bij de eerste reden staat het optreden van het openbaar ministerie centraal, met name gedurende het opsporingsonderzoek. Daarbij wijst de verdediging er allereerst op dat de Nederlandse opsporingsdienst niet alleen technische assistentie in het buitenland verleende, maar ook een sturende rol vervulde in het ontsluitings- en opsporingsproces in het buitenland. Het openbaar ministerie heeft hierover onvoldoende openheid gegeven waardoor het wettelijk systeem in de kern is geraakt. De verdediging wijst op het zogenoemde Karman-criterium. Het openbaar ministerie heeft actief gehandeld om toetsing door de Nederlandse rechter van de operaties ten aanzien van Encrochat en SkyECC te voorkomen (concealing evidence en oneigenlijke motiveringen bij vorderingen ex art. 149b Sv ten opzichte van de Nederlandse rechters). De resultaten van deze operaties worden nergens, en in elk geval niet in Nederland, (op rechtmatigheid) getoetst door een rechter.
Een tweede reden voor niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie ziet de verdediging in het verloop van de vervolging. Naar de mening van de verdediging is geen sprake van een eerlijk proces, nu een volledige toetsing ontbreekt.
Beoordeling
De feitelijke gang van zaken omtrent de interceptie van gegevens in het kader van de opsporingsonderzoeken 26Lemont en 26Argus in Encrochat en SkyECC is opgenomen in de tussenbeslissing van de rechtbank in deze zaak van 11 augustus 2022 en ook in de beslissing van de rechtbank Noord-Nederland (ECLI:NL:RBNNE:2022:4797). Zij gaat van die feiten en omstandigheden uit.
Eerste rechtmatigheidsverweer
Beoogde/voorziene omzeiling van rechtsbescherming door het openbaar ministerie
Niet is gebleken dat het openbaar ministerie moedwillig een onjuiste en onvolledige voorstelling van zaken heeft gegeven over de omvang van de betrokkenheid van de Nederlandse opsporingsautoriteiten bij de interceptie van Encrochat- en SkyECC-gegevens met als doel te voorkomen dat de opsporingsmethodes in Nederland op rechtmatigheid zou kunnen worden getoetst. Weliswaar heeft het openbaar ministerie mondjesmaat informatie vrijgegeven en was niet vanaf het begin duidelijk hoe één en ander is verlopen, niet kan worden vastgesteld dat het openbaar ministerie moedwillig een onjuiste voorstelling van zaken heeft willen geven. De rechtbank verwerpt daarom dit verweer.
Tweede rechtmatigheidsverweer
Verkrijging van Encrochat- en SkyECC gegevens
De Hoge Raad heeft recent in de eerder genoemde beslissing op prejudiciële vragen uiteengezet hoe de rechtmatigheid moet worden getoetst van de inzet van opsporingsbevoegdheden die in het buitenland zijn uitgeoefend (ECLI:NL:HR:2023:913). De inhoud en omvang van die toets hangt, onder meer, af van het antwoord op de vraag onder wiens verantwoordelijkheid de inzet van die opsporingsbevoegdheden in het buitenland heeft plaatsgevonden.
De rechtbank concludeert dat bij de interceptie van zowel Encrochat- als SkyECC-gegevens sprake is geweest van opsporing in Frankrijk, onder verantwoordelijkheid van de Franse autoriteiten. De Hoge Raad heeft in zijn beschikking van 22 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:612 overwogen dat bij het optreden van een gemeenschappelijk onderzoeksteam, waar hier ook sprake van was, leidend is het nationale recht van de lidstaat waar de opsporingsbevoegdheid ten behoeve van een gemeenschappelijk onderzoeksteam wordt uitgeoefend en dat – kort gezegd – het verlenen van (technische) bijstand vanuit de Nederlandse politie bij de uitoefening van een opsporingsbevoegdheid door de autoriteiten van een andere deelnemende lidstaat niet meebrengt dat de verantwoordelijkheid voor het opsporingsonderzoek alsnog op Nederland is komen te rusten.
Dit oordeel wordt ook niet anders door de omstandigheid dat (sommige) toestellen van Encrochat en SkyECC en hun gebruikers zich ten tijde van de inzet van de opsporingsbevoegdheden in Frankrijk op Nederlands grondgebied bevonden. Dat Frankrijk gegevens van gebruikers in Nederland heeft verkregen is inherent aan de grensoverschrijdende diensten die door Encrochat en SkyECC werden aangeboden. Dit leidt echter niet tot de conclusie dat het binnendringen in telefoons in Nederland door Franse autoriteiten moeten worden gezien als onderzoekshandelingen die (mede) onder verantwoordelijkheid van Nederland zijn uitgevoerd.
Het behoort dan ook niet tot de taak van de Nederlandse strafrechter om te toetsen of de wijze waarop dit Franse onderzoek is uitgevoerd strookt met de daarvoor in Frankrijk geldende rechtsregels noch of de Franse rechter hiervoor een machtiging heeft kunnen verlenen. De taak van de Nederlandse strafrechter is in dit geval ertoe beperkt te waarborgen dat de wijze waarop van de resultaten van dit onderzoek in de strafzaak tegen de verdachte gebruik wordt gemaakt, geen inbreuk maakt op zijn recht op een eerlijk proces overeenkomstig artikel 6, eerste lid, van het EVRM.
De rechtbank ziet in het dossier geen aanwijzingen waaruit zou kunnen blijken dat in het Franse onderzoek sprake is geweest van een evidente schending van artikel 6 EVRM dan wel van een schending van artikel 8 EVRM die zodanig ernstig is dat deze tevens een schending van artikel 6 EVRM oplevert. De rechtspraak van het EHRM waarop de verdediging een beroep heeft gedaan is in een geval als het onderhavige niet van toepassing (vgl. ECLI:NL:HR:2023:913, r.o. 6.24.4 en voetnoot 25). Die rechtspraak ziet immers niet op de interceptie van gegevens in het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar de aanbieders van diensten waarmee berichten versleuteld kunnen worden verzonden, en naar de gebruikers van die diensten, in verband met de in relatie tot het aanbieden en het gebruik gerezen verdenkingen. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel is dan ook onverkort van toepassing en brengt mee dat de Nederlandse strafrechter erop moet vertrouwen dat voor de interceptie in Frankrijk een toereikende wettelijke grondslag heeft bestaan en dat die interceptie in overeenstemming met het EVRM heeft plaatsgevonden.
De rechtbank verwerpt eveneens het verweer dat de verkrijging van de Encrochat- en SkyECC-gegevens in strijd is met Richtlijn 2002/58/EG en Richtlijn (EU) 2016/680. Richtlijn 2002/58/EG mist in deze zaak toepassing. Deze Richtlijn is erop gericht persoonsgegevens die worden geregistreerd of anderszins bekend worden door het gebruik van openbare elektronische-communicatiediensten te beschermen, onder meer doordat nader wordt genormeerd in welke gevallen en onder welke voorwaarden dergelijke gegevens mogen worden bewaard dan wel aan overheidsinstanties toegang kan worden verleend tot die gegevens. Dat is in deze zaak niet aan de orde (zie daarover verder ECLI:NL:HR:2023:913, r.o. 6.27.3). Richtlijn (EU) 2016/680 ziet op de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten ten behoeve van de voorkoming, opsporing en vervolging van strafbare feiten en de tenuitvoerlegging van straffen, en dus niet op de verkrijging daarvan.
Derde rechtmatigheidsverweer
Verwerking van Encrochat- en SkyECC-gegevens
Het verwerken van de Encrochat- en SkyECC-gegevens valt onder de werkingssfeer van Richtlijn (EU) 2016/680 (in Nederland geïmplementeerd in de Wet politiegegevens en de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens) en daarmee onder het Handvest. De Nederlandse wet biedt geen expliciete grondslag voor de verwerking van gegevens als in deze zaak aan de orde, die zijn verkregen in het kader van een buitenlands opsporingsonderzoek. Ook artikel 126uba Sv biedt die grondslag in strikte zin niet.
Het ontbreken van een wettelijke grondslag staat er echter niet aan in de weg dat het openbaar ministerie een machtiging vordert van de rechter-commissaris voor het gebruik van dergelijke gegevens in een strafrechtelijk onderzoek en dat die rechter-commissaris op die vordering beslist buiten situaties waarin de wet dit eist. Die bevoegdheid vloeit voort uit het systeem van de wet, waarin de rechter-commissaris krachtens artikel 170 Sv is belast met toezichthoudende bevoegdheden met betrekking tot het opsporingsonderzoek. In het algemeen wordt hieruit de opdracht afgeleid te waken over de rechtmatigheid en volledigheid van het opsporingsonderzoek. Aldus kan ook buiten het wettelijk kader betrokkenheid van de rechter-commissaris een noodzakelijke voorwaarde zijn om een bepaalde opsporingsmethode rechtmatig te doen zijn. In het bijzonder kan worden gedacht aan een machtiging door de rechter-commissaris ter zake van het gebruik van communicatiegegevens in gevallen waarin op voorhand is te verwachten of is te voorzien, dat de inbreuk op persoonlijke levenssfeer zeer ingrijpend kan zijn.
In de onderzoeken 26Lemont en 26Argus hebben rechters-commissarissen, naar aanleiding van vorderingen van officieren van justitie, machtigingen gegeven voor het binnendringen van een geautomatiseerd netwerk op grond van artikel 126uba Sv.
Conclusie
De rechtbank verwerpt de verweren van de verdediging.
5.5
Bewijsoverwegingen
De rechtbank heeft in bijlage 2 opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
5.5.1
PGP-berichten als bewijsmiddel
De verdediging heeft aangevoerd dat ontsleutelde berichten uit encrypted telefoons onvoldoende bewijs vormen, omdat sprake is van één bron en niet is voldaan aan het bewijsminimum van 342, lid 2, Sv. Ook is aangevoerd dat indien een bericht van de verdachte voor het bewijs wordt gebruikt, dit bericht als ‘verklaring van de verdachte’ moet worden aangemerkt, waarop artikel 341, lid 4, Sv van toepassing is. Daarin is bepaald dat het bewijs dat de verdachte een feit heeft begaan niet uitsluitend kan worden aangenomen op grond van zijn eigen verklaring. Voorts moet behoedzaam met de inhoud van berichten worden omgegaan. Het is mogelijk dat berichten ontbreken. De context is niet altijd duidelijk. Er kan niet klakkeloos worden aangenomen dat berichten steeds over drugs gaan. De verdachten hebben bovendien maar wat geroepen, ze hebben opgeschept, onzin gepraat en uit verveling maar wat verstuurd. Voorts is onduidelijk of sprake is van doorgestuurde berichten. Hetzelfde geldt voor afgeluisterde gesprekken, aldus de verdediging.
De rechtbank stelt voorop dat de bewijsregel van artikel 342, lid 2, Sv betrekking heeft op getuigenverklaringen. Het bewijs van een strafbaar feit mag niet uitsluitend worden gevonden in de verklaring van één getuige. Ontsleutelde berichten zijn evenwel schriftelijke bescheiden, meer in het bijzonder ‘andere geschriften’ als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 5, Sv en kunnen voor het bewijs worden gebruikt ‘in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen’. Een ander bewijsmiddel kan tevens een ‘ander geschrift’ zijn (ECLI:NL:HR:2004:AO9131). Een bewezenverklaring die enkel op pgp-berichten steunt, betekent dus niet dat artikel 344, eerste lid, onder 5, Sv is geschonden, nu het bewijsmiddel van het ene andere geschrift (een pgp-bericht) steun vindt in een tweede ander geschrift (pgp-bericht) (vgl. conclusie AG ECLI:NL:PHR:2023:163). Omdat ontsleutelde berichten ‘andere geschriften’ zijn van de verschillende verdachten en geen verklaringen van die verdachten in de zin van artikel 341, lid 4, Sv zijn, is ook dit artikel niet van toepassing.
Wel heeft de rechtbank behoedzaamheid betracht bij het gebruik van ontsleutelde berichten voor het bewijs. Indien de context onvoldoende blijkt, bijvoorbeeld omdat berichten ontbreken, heeft dat uiteraard consequenties voor de bewijswaarde. De rechtbank heeft steeds beoordeeld of voldoende duidelijk is waarover de berichten gaan en heeft de context van die berichten en het overige bewijsmateriaal bij de duiding betrokken. Dat de verdachten vaak maar wat riepen en uit verveling maar wat verstuurden, blijkt niet uit het dossier.
Hetzelfde geldt voor afgeluisterde gesprekken. Ook bij de beoordeling van de bewijswaarde van deze gesprekken heeft de rechtbank steeds de context en het overige bewijsmateriaal betrokken.
De stelling dat niet altijd duidelijk zou zijn of het gaat om doorgestuurde berichten, volgt de rechtbank niet. Het dossier bevat talloze berichten waarin de naam van de oorspronkelijke schrijver van het bericht is te zien. Die berichten zijn kennelijk doorgestuurd. Wanneer berichtenreeksen zijn doorgestuurd, zijn steeds beide namen van de deelnemers van dat gesprek te zien in de doorgestuurde berichten.
Tot slot is nog door meerdere verdachten aangevoerd dat ook anderen gebruik maakten van hun PGP-account(s), zodat de inhoud van de berichten niet (altijd) voor hun rekening kan komen. De rechtbank stelt hierbij voorop dat geen van de verdachten zelf duidelijk heeft gemaakt wie degene(n) dan zou(den) zijn geweest die van hun account gebruik maakte(n) en wanneer. Daarbij heeft de rechtbank gezien dat doorgaans de berichten van één account qua aard, inhoud en taalgebruik passen bij één gebruiker. Ook heeft de rechtbank geconstateerd dat bij de deelnemers aan de gesprekken geen enkele verwarring bestond met wie werd gecommuniceerd. Dat zou je wel verwachten als meerdere personen van het account gebruik zouden maken, zeker ook gezien de onderwerpen die besproken werden. Het zou logisch zijn dat dan bij het starten van een gesprek de gebruiker zou aangeven wie hij was. Dat heeft de rechtbank ook geconstateerd bij de accounts sportsvr/audirszes die zijn toegeschreven aan [verdachte 13] . In sommige berichten valt te lezen dat de gebruiker schreef: “Ik ben Tyson”, zodat duidelijk werd dat het niet [verdachte 13] was die op dat moment gebruik maakte van die accounts. Deze berichten van “Tyson” worden door de rechtbank dan ook niet toegeschreven aan [verdachte 13] . Verder heeft de rechtbank bij de verschillende berichtenreeksen een dergelijke aankondiging niet gezien.
Deze verweren worden dan ook verworpen.
5.5.2
PGP-identificaties
5.5.2.1 PGP-identificatie [verdachte 1]
Ennetcom
Aan [verdachte 1] wordt het Ennetcom-account ‘935v735886@ennetcom.com’ toegeschreven.
Uit het dossier volgt dat [verdachte 2] dit account in de periode van 13 maart 2013 tot en met 9 mei 2013 heeft gebruikt. Op 28 april 2013 zei [verdachte 2] tegen ‘Jutter’ dat hij deze telefoon aan “ouwe” gaat geven. Ouwe betreft een bijnaam van [verdachte 1] .
Vanaf 9 mei 2013 heeft ‘Jutter’ dit account opgeslagen als ‘Walter’. Uit het dossier volgt dat ook de gebruiker van het Encrochat-account ‘borneos’ ( [verdachte 18] ), het account van [verdachte 1] (‘outdoorfeline’) heeft opgeslagen als ‘Walter’.
[betrokkene 8] heeft voorts verklaard dat hij contact heeft gehad met ene ‘Walter’ over de handel in cocaïne en dat de echte naam van ‘Walter’ [verdachte 1] is. Tijdens zijn verhoor zijn foto’s getoond van [verdachte 1] en [betrokkene 8] heeft hem herkend als [verdachte 1] /Walter.
Op 9 mei 2013 vroeg ‘Jutter’ aan ‘Walter’ of hij hem morgen nog ergens heen moest brengen. Walter reageerde daarop dat dit niet hoefde, maar dat hij morgen jarig was en dat ‘Jutter’ welkom was. [verdachte 1] is op [geboortedag] jarig.
Tot slot is het taalgebruik van ‘Walter’ herkenbaar, bijvoorbeeld doordat hij het woord “moet” schrijft als “moed”. Dit komt ook naar voren bij de gesprekken die door [verdachte 1] worden gevoerd via zijn Encrochat-account ‘outdoorfeline’ (zie hierna).
Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat [verdachte 1] vanaf 9 mei 2013 de gebruiker is geweest van het Ennetcom-account 935v735886@ennetcom.com.
PGP-Safe
Aan [verdachte 1] wordt het PGP-Safe-account ‘180cm37@pgpvipclub.com’ toegeschreven.
Dit account stond bij een andere PGP-Safe gebruiker, te weten ‘mwcv265v@pgpsafe.net’ opgeslagen als “ouwe ouwe”. Zoals hiervoor overwogen is ‘ouwe’ een bijnaam van [verdachte 1] .
Uit de gesprekken tussen hen in de periode van 30 april 2017 tot en met 1 mei 2017 volgt dat ‘ouwe ouwe’ een zanger nodig heeft voor een begrafenis op 4 april 2017 om 13.00 uur. Uit verdere tapgesprekken blijkt dat een bekende van [verdachte 1] euthanasie heeft gepleegd en dat de begrafenis plaatsvond op 4 mei 2017 om 13.00 uur.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat de accounts ‘secretram’ en ‘prizehunter’ opvolgende accounts van elkaar zijn en door één en dezelfde persoon zijn gebruikt. Bij beide Encrochat-accounts werden immers overeenkomstige bijnamen gebruikt en de gebruiker van het account ‘prizehunter’ stelt zich ten aanzien van andere Encrochat-accounts voor met dezelfde bijnaam ‘kuifje’ die eerder was verbonden aan het Encrochat-account ‘secretram’.
Gelet op al het voorgaande stelt de rechtbank voorts vast dat [verdachte 5] de gebruiker is geweest van de Encrochat-accounts ‘secretram’ en ‘prizehunter’. De verdediging heeft aangevoerd dat de ontmoeting tussen [betrokkene 9] en [verdachte 5] niet heeft plaatsgevonden omdat [betrokkene 9] zegt dat hij geen ontmoeting heeft gehad. Dit volgt de rechtbank niet. Uit het observatieverslag volgt immers dat de verbalisanten [betrokkene 9] en [verdachte 5] herkend hebben van een foto van het tactisch team. De rechtbank heeft geen reden eraan te twijfelen. Daarbij komt dat diezelfde dag een screenshot van het rijbewijs van [betrokkene 9] aan ‘secretram’ gestuurd was met de mededeling dat deze naar ‘secretram’ zou komen én de gebruiker van ‘secretram’ een adres opgeeft dat bij [verdachte 5] in gebruik is. Bovendien wijzen de overige genoemde feiten en omstandigheden in de richting van [verdachte 5] . Dit alles tezamen maakt dat er bij de rechtbank geen twijfel is dat [verdachte 5] de gebruiker is van ‘secretram’. Nu ‘prizehunter’ het opvolgende account is, is [verdachte 5] ook de gebruiker van dat account.
De berichten die met deze accounts zijn ontvangen en verzonden, volgen logisch op elkaar en de rechtbank heeft geen enkele aanwijzing dat er meerdere personen gebruik hebben gemaakt van deze accounts. Daarmee oordeelt de rechtbank dat alle berichten van [verdachte 5] afkomstig waren of voor hem bestemd.
SkyECC
Aan de verdachte wordt het SkyECC-account ‘TG7XF7’ toegeschreven. De verdachte heeft geen verklaring afgelegd over het gebruik van SkyECC-account ‘TG7XF7’. De rechtbank overweegt als volgt.
Uit het onderzoek 26Argus volgt dat de mobiele telefoon met IMEI- [nummer 8] was gekoppeld aan het SkyECC-account ‘TG7XF7’. Dit IMEI-nummer was gekoppeld aan een mobiele telefoon van het merk Apple, model IPhone 6. Bij de aanhouding van de verdachte en de daaropvolgende doorzoeking in de woning van de verdachte werd een Apple IPhone 6 met het IMEI- [nummer 9] aangetroffen. Deze mobiele telefoon bleek voorzien van de SkyECC-applicatie.
Vervolgens zijn in de periode van 1 juli 2020 tot en met 16 september 2020 de historische verkeersgegevens van de mobiele telefoon met het IMEI- [nummer 9] onderzocht. Hieruit bleek dat in voornoemde periode het meest aangestraalde basisstation was gelegen aan [locatie 13] te Spaarndam. Het verblijfadres van [verdachte 5] valt binnen de zendrichting en het theoretische bereik van voornoemd basisstation.
Op grond van het voornoemde stelt de rechtbank vast dat [verdachte 5] de gebruiker is geweest van het SkyECC-account ‘TG7XF7’ in de periode van 1 juli 2020 tot en met 16 september 2020.
5.5.2.5 PGP-identificatie [verdachte 10]
Encrochat
Aan [verdachte 10] wordt het Encrochat-account ‘inanimatemuffin’ toegeschreven. De verdachte heeft zich beroepen op zijn zwijgrecht.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat het IMEI- [nummer 10] behoort bij een PGP-telefoon. De user-ID ‘inanimatemuffin’ maakte gebruik van een mobiele telefoon met dit IMEI-nummer. Uit de verkeersgegevens van deze mobiele telefoon bleek dat het toestel verbindingen maakte in de periode van 3 maart 2020 tot met 11 juni 2020. In deze periode maakte de mobiele telefoon hoofdzakelijk verbinding met het basisstation gelegen aan [locatie 17] te Rijswijk. [verdachte 10] stond in die periode ingeschreven op [locatie 18] te 's-Gravenhage. Dit adres valt binnen het theoretische bereik van dit basisstation.
Verder volgt uit een chatgesprek van 25 april 2020 tussen de Encrochat-accounts ‘inanimatemuffin’ en ‘outdoorfeline’ (het Encrochat-account van [verdachte 1] ) dat voor drie personen tickets waren geregeld en door ‘inanimatemuffin’ waren ontvangen op zijn privé telefoon. Uit afgeluisterde telefoongesprekken tussen [verdachte 4] en [verdachte 1] bleek dat zij op 25 april 2020 spraken over het boeken van een vlucht van Malaga naar Dublin en vervolgens naar Amsterdam. Hierbij werd gesproken over drie tickets, waarbij ook een ticket voor ‘Ben’ moest worden besteld. Uit de Passagiers Informatie ten aanzien van [verdachte 1] bleek dat op 25 april 2020 drie vliegtickets waren geboekt voor [verdachte 1] , [betrokkene 11] [betrokkene 12] en [verdachte 10] . Uit afgeluisterde telefoongesprekken van 29 april 2020 tussen [verdachte 1] en [verdachte 2] bleek de vlucht niet door te gaan. Op diezelfde dag liet ‘outdoorfeline’ aan ‘inanimatemuffin’ weten dat de vlucht niet door zou gaan en dat zij met de auto zouden vertrekken. In de IPhone van [verdachte 1] staat het gewone telefoonnummer van [verdachte 10] onder de naam ‘Ben Ali’ opgeslagen.
Uit voorgaande volgt dat [verdachte 10] de gebruiker is van het Encrochat-account ‘inanimatemuffin’. Daarbij zijn de berichten en het afgeluisterde gesprek aangaande de reis naar Spanje het meest in het oog springend. Daaruit volgt dat er voor onder andere [verdachte 10] en [verdachte 1] een vlucht was geboekt en dat aan ‘inanimatemuffin’ en het Encrochat-account van [verdachte 1] wordt doorgegeven dat de vlucht niet doorgaat. Hieruit volgt zonder twijfel dat ‘inanimatemuffin’ [verdachte 10] is. De aanwijzingen van de naam ‘Ben’ en het bereik van het basisstation vormen daarvoor bovendien steunbewijs.
De berichten die met dit account zijn verzonden en ontvangen, volgen voorts logisch op elkaar en de rechtbank heeft onvoldoende aanwijzing dat meerdere personen gebruik hebben gemaakt van dit account. Dat de gebruiker met verschillende namen in telefoons van anderen is opgeslagen is daarvoor geen aanwijzing. Anderen kunnen [verdachte 10] immers op verschillende wijze opslaan. Daarbij is nergens een bericht te zien waarin iemand zich kenbaar maakt als iemand anders dan [verdachte 10] en evenmin is te zien dat iemand zich afvraagt of ze met [verdachte 10] of met iemand anders te maken hebben. Dat iemand de bijnaam ‘Ben’ niet kent, maakt niet dat deze dacht dat verschillende gebruikers gebruik maakten van dit in account. Overigens zegt [verdachte 10] ook zelf niet welke berichten hij dan wel of niet zou hebben gestuurd en evenmin dat hij deze telefoon met meerderen (bijvoorbeeld met zijn broers zoals door de verdediging is betoogd) heeft gebruikt. Daarmee oordeelt de rechtbank dat alle berichten van en naar dit account van [verdachte 10] afkomstig en voor hem bestemd waren.
SkyECC
Aan [verdachte 10] wordt het SkyECC-account ‘K617LO’ toegeschreven. De verdachte heeft zich beroepen op zijn zwijgrecht.
Op 16 september 2020 is uit een BMW voorzien van [kenteken 1] een Apple IPhone 7 mobiele telefoon in beslaggenomen. Deze auto was in gebruik bij [verdachte 10] . Deze mobiele telefoon is uitgelezen en daarop is de SKY-applicatie aangetroffen. Deze telefoon bevat gesprekken van het Sky ECC-account K617LO met gebruikersnaam ‘Plakband’. Uit het dossier blijkt dat Encrochat-account ‘inanimatemuffin’ (zoals hiervoor is vastgesteld in gebruik bij [verdachte 10] ) door Encrochat-account ‘ancientpuppy’ ook was opgeslagen als ‘plakband’.
Conclusie
De rechtbank gaat voorbij aan deze verklaringen van [verdachte 1] en stelt ze als onaannemelijk terzijde.
5.5.3.4 Zaaksdossiers
5.5.3.4.1 B1.2 Biba 4.600 kilo cocaïne, B1 4.4. [geboortedag] t/m oktober 2017 Avdi Biba 4.600 kilo cocaïne en 13 Rosasiet, B1 4.4.11 Januari t/m oktober 2017 Restinformatie onderzoek Pollino, B1 4.4.11.1 Aanvulling AMB.3468, B1 4.4.11.2 Aanvulling AMB.4405 en 5.9 [betrokkene 2]
Aan [verdachte 1] is ten laste gelegd dat hij samen met anderen 4.600 kilogram cocaïne heeft ingevoerd, vervoerd en aanwezig gehad en dat hij dit vervolgens heeft afgeleverd, verstrekt en heeft verkocht, in ieder geval een deel daarvan, te weten 30 kilogram aan [betrokkene 1] en/of 1.000 kilogram aan een onbekend gebleven persoon (feit 1).
De rechtbank stelt vast dat de zaaksdossiers B1.2 en B1 4.4.10, B1 4.4.11, B1 4.4.11.1 en B 4.4.11.2 niet in de bijlage bij de tenlastelegging van [verdachte 1] onder feit 3 staan genoemd zodat deze zaaksdossiers, zoals eerder overwogen, niet als voorbereidingshandelingen ten laste zijn gelegd.
De verdenkingen zijn mede gebaseerd op informatie afkomstig uit twee anderen opsporingsonderzoeken, te weten het Duitse onderzoek Pollino en het Nederlandse onderzoek Rosasiet.
Onderzoek Pollino
Het onderzoek Pollino is een Duits opsporingsonderzoek dat zich richtte op handel in verdovende middelen. In dat onderzoek zijn onder andere [betrokkene 20] en [betrokkene 8] als verdachten aangemerkt. Uit dit onderzoek is informatie ter beschikking gesteld aan het onderzoek Taxus.
Chatberichten
In de periode van 24 januari 2017 tot en met 26 oktober 2017 hadden [betrokkene 20] en [betrokkene 8] contact met elkaar via de PGP-telefoon. Uit deze chatgesprekken leidt de rechtbank het volgende af.
Op 25 januari 2017 stuurde [betrokkene 8] naar [betrokkene 20] dat ze 20 stuks konden nemen voor “21,5” en dat Walter hem vertelde dat hij die week ervoor 300 stuks voor 21,5 had verkocht. [betrokkene 8] zei daarbij dat het “collo materiaal” was met een stempel van UFC erin.
Op 30 januari 2017 vond een ontmoeting plaats tussen [betrokkene 20] , [betrokkene 8] en Walter. Na die ontmoeting bespraken [betrokkene 20] en [betrokkene 8] via de PGP-telefoon wat er tijdens de ontmoeting was besproken. Uit de gesprekken volgt dat [betrokkene 21] , een contactpersoon van [betrokkene 20] , niet kon werken volgens het systeem van Walter omdat hij geen “farm” had, maar dat ze de garantie hadden om in de haven van Santa Marta te plaatsen. Walter had twee bedrijven in Santa Marta die spullen naar “bici” of “intelligent” stuurden en [betrokkene 21] moest gaan kijken of hij “25” in de haven kon brengen in de containers van Walter.
Op 26 maart 2017 zei [betrokkene 20] tegen [betrokkene 8] dat hij controle had over een koffiebedrijf in Buenaventura en dat ze met een liftsysteem konden gaan werken als Walter daar bedrijven had.
Op 3 april 2017 stuurde [betrokkene 8] naar [betrokkene 20] : "tell [betrokkene 21] 30% if we gett it from walterrr "25 prcnt then me and you take the 5prcnt..!" [betrokkene 21] bleek niet op tijd met de juiste informatie te komen die zij nodig hadden. Ze kregen van Walter drie dagen de tijd om het te regelen. Uiteindelijk besloot [betrokkene 20] dat hij niet meer ging samenwerken met [betrokkene 21] .
Op 30 juni 2017 en 1 juli 2017 hadden [betrokkene 8] en [betrokkene 20] wederom contact. [betrokkene 20] vertelde dat hij een Turkse man had gevonden die vanuit Turbo werkte en “25” wilde transporteren naar “bici” of “intelligent” en hij vroeg of ze met Walter vanuit Turbo konden werken. Die Turkse man wilde beginnen met 100 stuks en daarna 800 stuks. [betrokkene 8] zei dat Walter begon met een minimum van 300 of meer en dat hij niet werkte met 100 stuks omdat hij dan teveel kosten had. [betrokkene 20] zei dat de Turkse man mensen had die de spullen in de bananenplantage erin konden doen in plaats van in de haven en dat dit was wat Walter wilde. Op 3 juli 2017 liet de “garageman” aan [betrokkene 8] weten dat het mogelijk was om te werken via Turbo maar dat ze moesten wachten omdat Walter nog op vakantie was. Hij zei wel dat Walter met zijn eigen bedrijven werkte en dat de Turkse man het moest brengen bij de plantage waar de bedrijven van Walter het ophaalden.
Op 6 september 2017 zei [betrokkene 8] dat hij die dag bij Walter was geweest en dat Walter tegen hem had gezegd dat hij het beste via Cartagena kon vliegen omdat daar geen controle was.
Op 4 oktober 2017 had [betrokkene 8] wederom een afspraak met Walter. Na deze afspraak stuurde hij naar [betrokkene 20] dat Walter druk was geweest want “the motherfuckerr make this week 4.5 ton..”. Na het weekend zou hij een bedrijf geven dat werkte van Uraba (Colombia) naar Algaciras (Spanje). Dat bedrijf zou elke keer 30 containers ontvangen. Walter had ook douane mensen die het eruit haalde. [betrokkene 8] zei dat Walter de 4.5 ton naar “bici” had gestuurd, direct vanaf ‘Pyasos’ en dat hij niet een paar stuks verkocht, maar 10 of meer. Walter had 300 stuks aan één klant verkocht en in een paar dagen tijd al 1.000 stuks voor € 25.000,- per stuk.
Op 7 oktober 2017 zei [betrokkene 20] tegen [betrokkene 8] dat zij Walter niet nodig hadden omdat ze met “patron” konden werken. Later bleek dat patron ook voor Walter werkte. Patron had verteld dat hij die week 4.5 ton had binnen gebracht en toen [betrokkene 20] vroeg of dat voor Walter was, zei hij ja. [betrokkene 8] zei dat hij Walter dat weekend zou zien en dat Walter een groot bedrijf had in Algaciras met ‘douane’. [betrokkene 20] zei dat in Algaciras de Marokkanen de controle hadden over de “25” business. [betrokkene 8] zei dat de douanebeambte die voor Walter werkte ook een Marokkaan was.
Op 26 oktober 2017 vroeg [betrokkene 20] aan [betrokkene 8] wat de echte naam was van Walter waarop [betrokkene 8] antwoordde “ [verdachte 1] ”.
Verklaringen [betrokkene 8] en [betrokkene 20]
[betrokkene 8] en [betrokkene 20] zijn over deze berichten gehoord door de Duitse politie. Zij hebben hierover verklaringen afgelegd en duiding gegeven aan de door hen verstuurde berichten.
[betrokkene 8] verklaarde dat hij door een [betrokkene 22] werd voorgesteld aan ene Walter die goed was in de cocaïne business. [betrokkene 8] had een ontmoeting met Walter bij een autobedrijf tussen Eindhoven en Helmond. Hierbij waren [betrokkene 8] , [betrokkene 20] , Walter en nog twee mensen aanwezig. Tijdens het gesprek werd er gesproken over een mogelijke samenwerking in de cocaïnehandel. Walter vertelde tijdens die ontmoeting dat hij twee bedrijven in Colombia onder controle had. De fruitcontainers voor deze bedrijven kwamen aan in de haven van Antwerpen. Walter had medewerkers in de haven of in de depots van het bedrijf die de goederen er voor hem uithaalde. [betrokkene 8] verklaarde verder over de mogelijkheid om mee te liften bij een bestaand bedrijf of via de zwangere methode, namelijk het openbreken van containers en goederen erbij zetten. Met “bici” werd Nederland bedoeld en met “intelligent” België. Cocaïne werd ook aangeduid door het getal 25. [betrokkene 8] verklaarde verder dat echte naam van Walter [verdachte 1] was en hij herkende [verdachte 1] op de door de politie getoonde foto’s.
Beoordeling
Invoer 4.600 kilogram cocaïne en verkoop 1.000 kilogram cocaïne
De rechtbank overweegt het volgende.
De 4.600 kilogram cocaïne is niet aangetroffen en in beslag genomen. Uit de jurisprudentie volgt dat als uitgangspunt wordt genomen dat de opzettelijke invoer van verdovende middelen in beginsel pas voor bewezenverklaring in aanmerking komt als gedurende het opsporingsonderzoek ook een hoeveelheid cocaïne is aangetroffen. Dit is anders wanneer de inhoud van de bewijsmiddelen, in het licht wat verder vastgesteld kan worden, niet anders kan worden uitgelegd dan dat er een voltooide invoer heeft plaatsgevonden.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat [verdachte 1] bezig was met de invoer van cocaïne vanuit Zuid-Amerika, in het bijzonder Colombia, naar Nederland en België. Hij sprak hierover concreet en gedetailleerd met [betrokkene 8] en [betrokkene 20] , maar ook, zoals hierna zal volgen, met een undercoveragent in Spanje. [verdachte 1] vertelde hierbij steeds globaal hetzelfde verhaal.
De rechtbank overweegt verder dat door twee verschillende bronnen die geen enkele connectie met elkaar hebben onafhankelijk van elkaar werd gesproken over de invoer van 4,5 ton/4.600 kilogram cocaïne door [verdachte 1] . Niet alleen hadden zij het over
– afgerond – dezelfde hoeveelheid in dezelfde periode, ook de details, zoals de verkoop van 1.000 kilogram voor ongeveer € 25.000,- per kilogram, komen overeen. De ene bron, [betrokkene 8] , heeft de informatie gekregen van [verdachte 1] en de andere bron, [betrokkene 23] , heeft zijn informatie van [betrokkene 1] . Het kan dan ook niet anders zijn dat dat zij verklaren over hetzelfde transport waar [verdachte 1] en [betrokkene 1] hebben samengewerkt. Dit maakt dat de rechtbank oordeelt dat deze gesprekken samen voldoende wettig en overtuigend bewijs opleveren voor de voltooide invoer van 4.600 kilogram cocaïne.
[verdachte 1] was de organisator van het transport en de eigenaar van in ieder geval een deel van de ingevoerde cocaïne. Hij had contact met een douanebeambte en hij was bevoegd om een deel van de cocaïne te verkopen en heeft hier veel geld mee verdiend.
De rechtbank verklaart op grond van het bovenstaande wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte 1] samen met anderen 4.600 kilogram cocaïne heeft ingevoerd in Nederland en dat hij 1.000 kilogram cocaïne heeft verkocht aan een onbekend gebleven persoon.
Verstrekking 30 kilogram cocaïne aan [betrokkene 1]
Uit het gesprek tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 23] op 25 oktober 2017 kan worden afgeleid dat [betrokkene 1] was bedonderd door een aantal anderen toen hij vast zat in Macedonië en geen geld had ontvangen voor de verkoop van cocaïne waar hij wel recht op had. In datzelfde gesprek zei [betrokkene 1] tegen [betrokkene 23] over [verdachte 1] : “ik heb bij/van hem 30 broden genomen” en ook dat hij [verdachte 1] een auto wilde geven “want hij gaf mij 30 broden en 750.000 Euro, dus 200.000..”. [verdachte 1] heeft hierover ter terechtzitting verklaard dat [betrokkene 1] recht had op het geld van 30 stuks cocaïne en dat hij daarvoor met hem naar Amsterdam was gegaan en heeft geregeld dat hij € 750.000,- kreeg. Als bedankje had [verdachte 1] een auto van hem gehad.
De rechtbank overweegt dat het gesprek waarin [betrokkene 1] spreekt over de 30 broden voor meerdere interpretaties vatbaar is en dat de verklaring van [verdachte 1] op dit punt niet hoogst onwaarschijnlijk is. De rechtbank kan dan ook niet vaststellen of [betrokkene 1] 30 kilogram cocaïne van [verdachte 1] heeft ontvangen of dat [verdachte 1] , zoals hij heeft verklaard, heeft bemiddeld bij het verkrijgen van € 750.000,-. De rechtbank spreekt [verdachte 1] voor dit gedeelte van het zaaksdossier dan ook vrij.
5.5.3.4.2 B1.3 Spanje en B1 4.5.5 Maart 2018 t/m oktober 2018 Spanje
Inleiding
In het zaaksdossier Spanje zijn feiten en omstandigheden gerelateerd die betrekking hebben op de bevindingen van een undercoveragent (hierna ook: UCA) in een Spaans strafrechtelijk onderzoek naar de Spaanse verdachte [betrokkene 25] (hierna: [betrokkene 25] ). Deze zou zich bezig hebben gehouden met de invoer van cocaïne vanuit Panama. In dit Spaanse onderzoek is de UCA ingezet die zich voordeed als een corrupte douaneambtenaar. Tijdens dit onderzoek zijn [verdachte 1] , [verdachte 2] en [verdachte 8] als verdachten naar voren gekomen. Door Nederland en Spanje is voor dit onderzoek samengewerkt in een JIT.
Tenlastelegging
Aan [verdachte 1] en [verdachte 8] is in dit zaaksdossier ten laste gelegd dat zij samen met anderen voorbereidingshandelingen hebben gepleegd om cocaïne in te voeren vanuit Zuid-Amerika naar Spanje. Daarnaast wordt hen verweten dat zij samen met anderen een Spaanse politieambtenaar, die zich voordeed als een Spaanse douaneambtenaar, hebben omgekocht.
Aan [verdachte 2] is dit zaaksdossier, gelet op de bijlage bij de tenlastelegging, alleen ten laste gelegd onder feit 2, te weten deelname aan een criminele organisatie die als oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in de artikelen 10, 10a en 11 van de Opiumwet.
Niet-ontvankelijkheidsverweer inzake [verdachte 8]
is in Spanje aangehouden en overgeleverd aan Nederland. Op grond van artikel 27, tweede lid, van het Kaderbesluit 2002/584/JBZ wordt een overgeleverd persoon niet vervolgd, berecht of anderszins van zijn vrijheid beroofd wegens enig ander vóór de overlevering begaan feit dan dat de reden tot de overlevering is geweest, behoudens in de in het eerste en derde lid bedoelde gevallen.
De raadsman van [verdachte 8] heeft aangevoerd dat [verdachte 8] voor een drietal strafbare feiten is overgeleverd aan Nederland. Deze zijn in het dictum van de beschikking van de Spaanse onderzoeksrechter van 9 oktober 2020 omschreven, te weten deelname aan een criminele organisatie, witwassen van geld en misdrijven tegen de volksgezondheid. Dat betekent dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging ten aanzien van de verweten omkoping (feit 5) nu dit hier niet onder valt, aldus de raadsman
De rechtbank overweegt dat in het Europees aanhoudingsbevel dat aan de beschikking van de Spaanse rechter ten grondslag ligt artikel 177 Sr uitdrukkelijk staat vermeld. In de beschikking staan de verdenkingen opgesomd waarvoor de overlevering van [verdachte 8] is verzocht. De beschikking vermeldt daaromtrent onder meer als onderdeel van die verdenkingen:
Aangenomen wordt dat [verdachte 8] gedurende de genoemde periode persoonlijk contact heeft onderhouden en ook via de PGP, met [verdachte 1] en namens deze met (een) tussenperso(o)n(en) die een rol had(den) bij de import en export van cocaïne vanuit Zuid-Amerika, met name Colombia, naar Spanje. Een van deze mensen was een ambtenaar die invloed kon hebben op het doorlaten van de containers.
Beoordeling
De rechtbank overweegt ten aanzien van het undercovertraject dat het interstatelijke vertrouwensbeginsel meebrengt dat het niet aan de Nederlandse strafrechter is om te beoordelen of al dan niet een toereikende wettelijke grondslag bestond voor de verrichtte onderzoekshandelingen binnen het undercovertraject in Spanje.
Het feit dat de eerder genoemde hoofdinspecteur en opsporingsambtenaar zelf verdachten zijn in een (ander) strafrechtelijk onderzoek kan wel van belang zijn voor de betrouwbaarheid van de onderzoeksbevindingen, in het bijzonder de bevindingen van de UCA. Die betrouwbaarheid ligt wel aan de beoordeling van de rechtbank voor.
De UCA heeft bij de rechters-commissarissen verklaard dat hij de hoofdinspecteur niet kent. De UCA werkte voor de eenheid undercoveragenten en stuurde zijn bevindingen naar de baas van die eenheid. De hoofdinspecteur maakte geen deel uit van diezelfde eenheid en was dan ook niet de leidinggevende van de UCA. De UCA heeft eveneens verklaard de opsporingsambtenaar [betrokkene 27] niet te kennen. Hij wist niet welke opsporingsambtenaren betrokken waren bij de observaties van ontmoetingen die de UCA had met verdachten uit het onderzoek. Er is dan ook geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de informatie afkomstig van de UCA, zoals gerelateerd in de ambtshandelingen die zijn opgemaakt door de hoofdinspecteur. Nu de ambtshandelingen zijn ondertekend door de hoofdinspecteur zal de rechtbank de ambtshandelingen zelf niet gebruiken voor het bewijs, maar uitsluitend de door de UCA bij de rechter-commissaris afgelegde verklaringen en de daarin geciteerde stukken uit AMB.1272 en AMB.1273.
De verklaringen die de UCA heeft afgelegd bij de rechters-commissarissen acht de rechtbank betrouwbaar. Zoals reeds is overwogen maakten de van strafbare feiten verdachte hoofdinspecteur en opsporingsambtenaar immers geen deel uit van het undercoverteam waarin de UCA werkte. Hij kende ze niet en zij hadden ook geen invloed op het werk van de UCA. Daarnaast overweegt de rechtbank dat de UCA heeft verklaard over een aantal ontmoetingen met onder meer [verdachte 1] , [verdachte 8] en [verdachte 2] . Alle verdachten bevestigen dat deze ontmoetingen hebben plaatsgevonden. Zij bevestigen ook de verklaring van de UCA dat is gesproken over de mogelijkheid om verdovende middelen vanuit Zuid-Amerika in te voeren in Spanje en dat de UCA de mogelijkheid zou hebben om partijen met verdovende middelen door te laten in de havens van Spanje. De UCA heeft bovendien op hoofdlijnen consistent verklaard. Dat de verklaringen kleine tegenstrijdigheden bevatten is niet gek gelet op het tijdsverloop. De UCA noemde in zijn verklaringen ook details, zoals namen van bedrijven, waarvan één bedrijf, “Seven Days”, ook terugkomt op andere plaatsen in het Taxus onderzoek.
Ten aanzien van de verslaglegging overweegt de rechtbank nog het volgende. Weliswaar voldoet de verslaglegging van het undercovertraject in Spanje niet aan de Nederlandse maatstaven, maar dat maakt niet dat de verklaringen van de UCA onbruikbaar zijn voor het bewijs. De inhoud wordt immers, zoals hierboven reeds is overwogen, op belangrijke punten ondersteund. De verdediging heeft nog aangevoerd dat het undercovertraject in Spanje bewust in strijd met de Nederlandse wet is opgestart om zo, in de hoop dat [verdachte 8] contact op zou nemen met [verdachte 1] , bewijs te vergaren tegen [verdachte 1] . Dit zou een dermate omslachtige manier van bewijsvergaring zijn en is aan dusdanig veel onzekerheden onderworpen dat de rechtbank dit volstrekt onaannemelijk acht. De rechtbank verwerpt het verweer.
Beoordeling
Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank het volgende af.
In een Spaanse strafrechtelijk onderzoek was de UCA in contact gekomen met [betrokkene 25] . [betrokkene 25] hield zich bezig met de handel van verdovende middelen van Latijns-Amerika naar Europa. De UCA heeft meerdere ontmoetingen gehad met [betrokkene 25] en andere personen.
Tijdens één van hun ontmoetingen op 13 maart 2018 introduceerde [betrokkene 25] een kennis van hem, [verdachte 8] . [verdachte 8] vertelde tijdens deze ontmoeting dat hij een partner had in Nederland met een vooraanstaande organisatie die cocaïne invoerde naar Nederland en plannen had om dit ook in Spanje in te voeren. De UCA had tegen [verdachte 8] verteld dat hij een douaneambtenaar op landelijk niveau was in Spanje en dat hij kon verzekeren dat containers in de haven niet aan controle zouden worden onderworpen.
Op 20 april 2018 vond er opnieuw een ontmoeting plaats waarbij de UCA, [betrokkene 25] , [verdachte 8] en ook [verdachte 1] aanwezig waren. [verdachte 8] introduceerde [verdachte 1] als het hoofd van een belangrijke organisatie die zich bezig hield met de invoer van cocaïne vanuit Zuid-Amerika naar Nederland en België en zei daarbij dat hij manieren zocht om de cocaïne ook in Spanje in te voeren vanwege het grote aantal klanten in het zuiden van Spanje. [verdachte 1] vertelde dat hij bedrijven ter beschikking zou stellen aan [betrokkene 25] . Dat waren bedrijven in Nederland, Spanje en Zuid-Amerika, voornamelijk Colombia. Via deze bedrijven zouden de verdovende middelen worden verstuurd. [verdachte 1] vertelde dat hij twee methodes had om drugs te versturen, van “bedrijf naar bedrijf” en de “zwangere methode”. De functie van de UCA zou hierbij hetzelfde zijn, namelijk zorgen dat de drugs de haven konden verlaten zonder aan controles te worden onderworpen. [verdachte 1] stelde tijdens deze bijeenkomst technische vragen aan de UCA over de haven en hoe de UCA ervoor kon zorgen dat gemarkeerde containers, containers waar mogelijk drugs in zouden zitten, toch niet zouden worden gecontroleerd. [verdachte 1] vertelde dat hij al lange tijd drugs uit Zuid-Amerika liet binnenkomen in de havens van Nederland en België. [betrokkene 25] gaf tijdens deze ontmoeting namens [verdachte 1] een PGP-telefoon aan de UCA.
Aan het einde van de bijeenkomst zei [verdachte 1] tegen de UCA dat hij hem later geld zou geven zodat de UCA zag en besefte dat zijn organisatie serieus en belangrijk was. [verdachte 1] vertelde dat zijn organisatie alleen grote zendingen cocaïne naar Europa verzond. De eerste zending zou de kleinste zending zijn van 1000 kilogram. Daarna zouden het hoeveelheden van zeker 3000 kilogram zijn. [verdachte 1] vertelde de UCA verder dat de drugs uit Colombia kwamen, maar dat hij ook de mogelijkheid had om deze te versturen vanuit Brazilië of Ecuador.
Na deze ontmoeting ontving de UCA berichten van [betrokkene 25] via zijn PGP-telefoon dat [verdachte 1] hem geld zou geven en dat hij dit geld op zijn beurt aan de UCA zou geven.
Op 11 mei 2018 vond een ontmoeting plaats tussen [betrokkene 25] en de UCA. [betrokkene 25] had tijdens deze ontmoeting een papieren zak bij zich waarin € 50.000,- zat. Hij vertelde dat dit bedrag afkomstig was van de organisatie van [verdachte 1] . Hij had het geld in Spanje overhandigd gekregen van iemand van de organisatie van [verdachte 1] . Er was de UCA meer geld beloofd, afhankelijk van de hoeveelheden drugs die zouden binnenkomen. De UCA moest daarvoor de binnenkomst van de drugs in Spanje verzekeren. De drugs zouden via containerschepen vanuit Colombia de haven van Spanje binnenkomen.
Op 18 juni 2018 vond wederom een ontmoeting plaats. Dit keer met [betrokkene 25] , de UCA, [verdachte 8] , [verdachte 1] en [verdachte 2] . [verdachte 1] vertelde dat zijn organisatie alles al klaar had om cocaïne van Colombia naar Spanje te verzenden volgens de “zwangere methode”. Hoewel ze een grote hoeveelheid klaar hadden gemaakt voor verzending zouden ze met de eerste zending een niet te grote hoeveelheid verzenden. [verdachte 1] zei dat vanaf de tweede zending de hoeveelheden groter zouden zijn zodat de opbrengsten ook zouden toenemen. Hij vertelde dat hij al verschillende bedrijven had voorbereid, zowel in Colombia als in Spanje, bestemd voor de verzending en de ontvangst van de cocaïne. [verdachte 1] zei dat de eerste zending, van 300 kilogram cocaïne, al min of meer klaar stond om verzonden te worden en dat deze lading op 27 juni 2018 de haven van Buenaventura in Colombia zou verlaten en rond 20 juli 2018 in de haven van Valencia zou aankomen. Vervolgens nam [verdachte 2] het woord. Hij vertelde dat hij de bus zou aanleveren, een geprepareerde bestelauto met een verborgen ruimte, om de cocaïne veilig uit de haven te vervoeren en zo mogelijke politiecontroles konden vermijden. Vervolgens zei [betrokkene 25] tegen de UCA dat hij over twee weken weer een nieuwe PGP-telefoon zou krijgen omdat [verdachte 1] wilde dat alle mensen die voor hem werkten telefoons hadden met verschillende beveiligingstoepassingen voor het geval er een kapot zou gaan.
Na deze laatste ontmoeting heeft [betrokkene 25] nog meerdere keren contact opgenomen met de UCA via zijn PGP-telefoon. Na 15 oktober 2018 heeft de UCA niets meer van hem vernomen en van een daadwerkelijk transport van cocaïne van Zuid-Amerika naar Spanje is het bij zijn weten niet gekomen. Uiteindelijk is de lading van 300 kilogram nooit verzonden vanwege problemen in Zuid-Amerika.
Voorbereidingshandelingen
De rechtbank overweegt dat de verklaringen van de UCA ondersteuning vinden in andere bewijsmiddelen. Zo zeggen [verdachte 1] , [verdachte 8] en [verdachte 2] dat er ontmoetingen hebben plaatsgevonden. De verklaring van de UCA vindt ook steun in de verklaringen van [betrokkene 8] en [betrokkene 20] . Zij hebben immers verklaard dat [verdachte 1] aan hen heeft verteld hoe (de organisatie van) [verdachte 1] drugs importeerde. Die beschrijving komt grotendeels overeen met de beschrijving die de UCA van [verdachte 1] zegt te hebben gekregen. De verklaringen van [verdachte 1] en [verdachte 8] vinden op dit punt, naast de verklaringen van de UCA en [verdachte 2] , ook steun in elkaars verklaringen en aldus zal de rechtbank deze gedeeltes van hun verklaringen gebruiken voor het bewijs. De rechtbank stelt aldus vast dat deze ontmoetingen hebben plaatsgevonden op de wijze zoals door de UCA is verklaard. [verdachte 1] en [verdachte 8] hebben tijdens die ontmoetingen zeer concrete plannen uit de doeken gedaan om cocaïne vanuit Colombia naar Spanje te vervoeren. Ook hebben zij de UCA, waarvan zij dachten dat deze douaneambtenaar was, daarbij willen inschakelen. Dit leveren concrete handelingen op die erop gericht waren cocaïne in te voeren in Spanje.
[verdachte 1] heeft verklaard dat hij gelijk door had dat hij met een politieagent te maken had en dat hij enkel in die ontmoetingen heeft gesproken over verdovende middelen om deze man te ontmaskeren. [verdachte 8] heeft verklaard dat het hem om de invoer van hasj ging en hij [verdachte 1] had meegevraagd omdat ook hij het niet vertrouwde. Deze verklaringen acht de rechtbank volstrekt ongeloofwaardig. Tijdens de eerste ontmoeting is immers vrij concreet over de invoer van cocaïne uit Zuid-Amerika gesproken en daarna is er vervolgens nóg een afspraak gemaakt waarbij zeer concreet met elkaar in gesprek is gegaan over de plannen met betrekking tot de invoer van cocaïne. Bovendien is aan de UCA namens [verdachte 1] en [verdachte 8] een bedrag betaald (zie hierna bij omkoping). Dit maakt dat de rechtbank dit deel van de verklaringen van [verdachte 1] en [verdachte 8] als onaannemelijk terzijde stelt.
Conclusie
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat [verdachte 8] , [verdachte 1] , [verdachte 5] , [verdachte 3] en [verdachte 2] gezamenlijk betrokken zijn geweest bij de voltooide invoer van een partij hasj van ruim 11.000 kilo hasj. Zij hadden een gezamenlijk plan om een partij hasj vanuit Casablanca in te voeren in Nederland en hadden ieder een eigen en tevens essentiële rol in het geheel als initiator, eigenaar of aanpakker. Dat de partij hasj nog vóór het aanpakken in Nederland door de Belgische autoriteiten was onderschept, doet daar niets aan af. Gelet op de onderlinge communicatie, afstemming en onderlinge rolverdeling is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking en dus van het medeplegen van de invoer van de partij hasj van ruim 11.000 kilo.
Bewezenverklaring
Voor [verdachte 2] geldt dat dit zaaksdossier niet als afzonderlijk feit ten laste is gelegd, maar enkel is opgenomen in de verdenking van deelname aan een criminele organisatie.
Aan [verdachte 8] en [verdachte 5] is (het medeplegen van) de invoer van 11.000 kilogram hasj ten laste gelegd. Aan [verdachte 1] en [verdachte 3] is (het medeplegen van) de invoer van 2550 kilogram hasj ten laste gelegd.
Hoewel de rechtbank van oordeel is dat alle genoemde personen betrokken zijn geweest bij de invoer van de gehele partij hasj, zal de rechtbank per verdachte de hoeveelheid bewezen verklaren overeenkomstig de in de tenlastelegging opgenomen hoeveelheid van die verdachte.
5.5.3.4.4 B.1.7 16.000 liter Formamide Hamburg – IJmuiden
In dit zaaksdossier is aan [verdachte 1] , [verdachte 6] , [verdachte 12] , [verdachte 11] , [verdachte 3] en [verdachte 19] het medeplegen van voorbereidingshandelingen met betrekking tot een aangetroffen partij formamide van in totaal 16.000 liter.
Chatberichten en onderzoeksresultaten van het onderzoek ‘Definitive’
Op 5 juni 2020 werd een partij van 16.000 liter – naar later bleek – formamide in beslag genomen aan de [locatie 34] in IJmuiden. De formamide zat in 80 vaten van 200 liter per vat. Op de buitenkant van de vaten stond als inhoud koelvloeistof vermeld. Een deel van de vaten werd in een loods aangetroffen, een deel op een heftruck en een deel nog in een vrachtwagen van waaruit de vaten werden gelost. Formamide is een grondstof voor de productie van amfetamine. Deze aangetroffen hoeveelheid zou volgens de politie gemiddeld genomen 17.100 – 22.800 kilogram onversneden amfetaminepasta op kunnen leveren.
De rechtbank leidt uit de chatberichten in de periode van 30 maart 2020 en 6 juni 2020 het volgende af.
[verdachte 11] en [verdachte 6] regelden een transport van een partij 16.000 liter formamide vanuit Hamburg naar IJmuiden met de hulp van diverse personen. [verdachte 11] berichtte [verdachte 6] op 30 maart 2020 dat een ‘bak forma’ onderweg was en vroeg aan [verdachte 6] of hij een koper voor de forma wist. Vervolgens berichtte [verdachte 6] [verdachte 12] voor een factuur van een inklaarder voor het betaling van invoerrechten van een bak die binnenkort aan zou komen. Verder vroeg [verdachte 6] aan [verdachte 12] om een opslag te vinden voor een container. [verdachte 12] stuurde aan [verdachte 6] dat hij het ging regelen en stuurde niet veel later screenshots van twee overboekingen. [verdachte 12] stuurde vervolgens screenshots van een gesprek waarin werd gesproken over een zending koelvloeistof. [verdachte 12] vroeg aan het account ‘osmanlifatih’ of hij niet een loods wist om twee dagen grondstoffen te stallen. Intussen vroeg [verdachte 12] aan [verdachte 6] hoeveel hij mocht betalen voor de opslag van de loods, waarop [verdachte 6] antwoordde: “2500”. [verdachte 6] benaderde ook [verdachte 19] om een loods met ruimte voor een container met 20 pallets onder te brengen. [verdachte 19] ging rondvragen. [verdachte 12] hield [verdachte 6] op de hoogte in welke loods de grondstoffen uiteindelijk werden opgeslagen.
Vervolgens berichtte [verdachte 6] [verdachte 5] en [betrokkene 29] of zij interesse hadden in een partij van 16.000 liter formamide. Uiteindelijk kwam [verdachte 6] met [betrokkene 29] een verkoopprijs overeen van € 88.000,- en een Rolex. [verdachte 6] zou de formamide naar [betrokkene 29] vervoeren en schakelde hiervoor [verdachte 3] in. [verdachte 3] stuurde hiervoor contactgegevens van [betrokkene 30] van het [transportbedrijf] door naar [verdachte 6] en stelde voor om de partij per bakwagen per 10 pallets in twee transporten te vervoeren. [verdachte 6] ontving vervolgens het telefoonnummer van de chauffeur en het adres [locatie 34] te IJmuiden en vroeg [verdachte 12] om deze gegevens door te geven aan [betrokkene 30] [transportbedrijf] .
[verdachte 3] en [verdachte 6] hielden elkaar op 4 juni 2020 op de hoogte van het verloop van het eerste transport van 10 pallets waaronder de vertrektijd van het transport en de verwachtte aankomsttijd. Uiteindelijk stuurde [betrokkene 29] naar [verdachte 6] dat het transport gelukt was en stuurde daarbij het CAS-nummer: CAS 75-12-7, zijnde het CAS-nummer van formamide. [verdachte 6] liet hierop aan [verdachte 1] weten dat het transport gelukt was, waarop [verdachte 1] stuurde: “top”.
Blijkens chatberichten vond de volgende dag - 5 juni 2020 - het tweede transport plaats. [betrokkene 29] liet [verdachte 6] weten dat het helemaal fout was, dat tijdens het uitladen van de vaten 18 man van het arrestatieteam aanwezig waren bij de loods. [verdachte 6] liet dit op zijn beurt aan [verdachte 3] en [verdachte 12] weten. [verdachte 12] vroeg aan [verdachte 6] of ze al wisten dat het geen koelvloeistof was wat in beslag was genomen. Daarnaast stuurde [verdachte 6] een afbeelding van een nieuwsartikel over aanhoudingen in IJmuiden naar [verdachte 11] en dat ‘de bak forma weg is’. [verdachte 11] stuurde op zijn beurt naar verschillende Encrochat-accounts dezelfde afbeelding van het nieuwsartikel en een foto van een ander nieuwsartikel met de titel: "Megadrugsvondsten in havengebied IJmuiden: 6 arrestaties” onder de begeleidende tekst “daar gaan mijn vaten, 16.000L formamide” en “80 vaten, bij tweede helft lossen er op geklapt” en sprak daarbij over “mijn vaten formamide”.
Rol [verdachte 11]
De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen af dat [verdachte 11] zowel aan het begin als aan het einde betrokken was als (mede)eigenaar van de partij formamide. Hij voerde uitvoerig overleg met [verdachte 6] over de aanschafprijs van de partij formamide en de totale aan te schaffen hoeveelheid. Daarnaast bespraken zij de uiteindelijke verkoopprijs van de partij en het vervoer naar Hamburg. Ook hielden zij elkaar op de hoogte van het verloop van het transport. Nadat de partij formamide door de politie was gepakt, berichtte [verdachte 11] diverse personen en sprak daarbij over zijn vaten formamide.
Rol [verdachte 6]
De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen af dat [verdachte 6] zowel aan het begin als aan het einde betrokken was als (mede)eigenaar van de partij formamide. Hij overlegde met [verdachte 11] over de aanschafprijs van de partij formamide en de totale aan te schaffen hoeveelheid. Daarnaast was [verdachte 6] actief op zoek naar afzetmogelijkheden. Zo bood hij de gehele partij aan [verdachte 5] aan en kwam hij uiteindelijk met [betrokkene 29] tot overeenstemming over de verkoopprijs. Verder benaderde hij [verdachte 12] en [verdachte 3] voor het verdere transport van de partij formamide vanuit de opslagplaats in Liempde naar de loods van de afnemer [betrokkene 29] in IJmuiden.
Conclusie
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat ten aanzien van [verdachte 11] , [verdachte 6] , [verdachte 12] en [verdachte 3] wettig en overtuigend bewezen kan worden dat zij voorbereidingshandelingen hebben gepleegd ten aanzien van de productie van (meth)amfetamine .
De onderlinge verhoudingen en communicatie tussen [verdachte 11] en [verdachte 6] enerzijds en [verdachte 6] , [verdachte 3] en [verdachte 12] anderzijds geven blijk van een concrete samenwerking. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat ten aanzien van allen sprake is van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking en dus van medeplegen.
5.5.3.4.5 B1.8 [locatie 1] Randwijk
Op 16 september 2020 heeft een doorzoeking plaatsgevonden in een loods op het perceel [locatie 1] te Randwijk. In de loods werden diverse goederen en chemicaliën aangetroffen die volgens de politie zouden duiden op de restanten van een lab voor de fabricering van synthetische drugs. Zo werden waterstofgasflessen, jerrycans, een ketel, centrifuges, vriezers, maatbekers en vaten aangetroffen met daarin – onder andere – aceton, zoutzuur, ethanol, caustic soda en tolueen. Daarnaast werd in totaal 100 liter vloeistof bevattende MDMA en 415 liter vloeistof bevattende methamfetamine aangetroffen.
Aan [verdachte 1] en [verdachte 4] (subsidiair als opdrachtgever dan wel feitelijke leidinggever van [verdachte 29] , hierna: [verdachte 29] ) is ten laste gelegd dat zij de MDMA en methamfetamine voorhanden hebben gehad. [verdachte 4] en [verdachte 1] hebben ontkend iets te hebben geweten van deze spullen in de loods.
De rechtbank stelt vast dat dat de loods vanaf 14 februari 2018 eigendom was van [verdachte 29] . In de administratie van [verdachte 29] zijn geen huurinkomsten met betrekking tot het perceel aangetroffen. De loods was dus in haar bezit en werd blijkbaar niet verhuurd. Verder is uit telecomgegevens gebleken dat [verdachte 4] zich op 7 oktober 2019 en 25 mei 2020 in Randwijk heeft bevonden, nu zijn mobiele telefoon op voornoemde data een zendmast op [locatie 35] te Randwijk heeft aangestraald. Ook is gebleken dat er een voertuig is aangetroffen bij de loods die op naam heeft gestaan van [verdachte 27] en heeft [verdachte 4] in een gesprek op 25 mei 2020 gezegd dat een auto van een klant op het afgesloten terrein van de loods aan de [locatie 1] stond.
Voor de beoordeling van de vraag of een verdachte een voorwerp opzettelijk voorhanden heeft gehad, is van belang of de verdachte zich in meer of mindere mate bewust moet zijn geweest van de aanwezigheid van de goederen en daar een zekere beschikkingsmacht over kon uitoefenen (vgl. ECLI:NL:HR:2020:504).
Alhoewel is vastgesteld dat [verdachte 4] in Randwijk aanwezig is geweest, de loods op naam stond van een bedrijf waar hij directeur van was en hij er een auto heeft gestald, valt uit het dossier verder onvoldoende op te maken dat [verdachte 4] zich in meer of mindere mate bewust moet zijn geweest van de inhoud van de loods. Immers, onduidelijk is wanneer de goederen in de loods zijn gekomen en uit niets blijkt dat [verdachte 4] daar vaker is geweest dan twee keer in acht maanden tijd.
Ten aanzien van [verdachte 1] kan wel worden vastgesteld dat hij betrokken was bij de aanschaf van de loods door [verdachte 29] begin 2018, maar kan niet worden vastgesteld dat hij (nadien) ook maar één keer in de loods aan de [locatie 1] is geweest. Dat hij zich in meer of mindere mate bewust moet zijn geweest van de inhoud van de loods blijkt dan ook nergens uit.
Dit betekent dat het (opzettelijk) aanwezig hebben van die verdovende middelen niet wettig en overtuigend bewezenverklaard kan worden. [verdachte 1] wordt dan ook vrijgesproken van het onder 1, sub g ten laste gelegde feit en [verdachte 4] van het onder 7 primair ten laste gelegde feit.
Aan [verdachte 4] is onder feit 7 subsidiair nog ten laste gelegd dat hij als opdrachtgever dan wel feitelijke leidinggever van [verdachte 29] zich schuldig heeft gemaakt aan het (opzettelijk) aanwezig hebben van de verdovende middelen. Hiervoor dient eerst te worden vastgesteld dat de rechtspersoon een strafbaar feit heeft begaan en daarna of [verdachte 4] voor die gedraging strafrechtelijk aansprakelijk is.
De rechtbank is van oordeel dat de aanwezigheid van voornoemde verdovende middelen niet aan [verdachte 29] kan worden toegerekend. De aanwezigheid van verdovende middelen heeft niet plaatsgevonden in de sfeer van de rechtspersoon, past niet in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon en is de rechtspersoon ook niet dienstig geweest.
[verdachte 29] heeft geen strafbaar feit gepleegd, zodat [verdachte 4] ook wordt vrijgesproken van het onder 7 subsidiair ten laste gelegde feit.
5.5.3.4.6 B1 4.4.4 Restinformatie 26Sassenheim
Inleiding
26Sassenheim is een onderzoek van de Landelijke Eenheid. Uit dit onderzoek is informatie ter beschikking gesteld aan het onderzoek Taxus. Het betreft chatberichten van de aanbieder PGP-safe, die strekken over een periode van 18 april 2017 tot en met 2 mei 2017 van onder andere de accounts die werden gebruikt door [verdachte 1] , [verdachte 6] , [betrokkene 31] , [verdachte 3] en [betrokkene 32] .
Tenlastelegging
Aan [verdachte 1] , [verdachte 3] en [verdachte 6] is ten laste gelegd dat zij in de periode van 18 april 2017 tot en met 2 mei 2017 voorbereidingshandelingen met betrekking tot verdovende middelen (lijst I) hebben gepleegd omdat zij (pre)precursoren en/of grondstoffen voor de productie van synthetische drugs hebben bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervoerd, vervaardigd en/of aanwezig hebben gehad.
Aan [verdachte 1] , [verdachte 3] en [verdachte 6] is verder ten laste gelegd de productie en het aanwezig hebben van MDMA en (meth)amfetamine in de periode van 18 april tot en met 2 mei 2017.
Voorbereidingshandelingen
Lijst I stoffen: A-olie, “m” en “a”
Uit de chatberichten blijkt dat [verdachte 6] op 24 april 2017 bij [betrokkene 31] informeerde of hij nog A-olie had staan. In dit chatgesprek werden verder termen gebruikt als “apaan” en “af te draaien”. Vervolgens stuurde [verdachte 6] aan [betrokkene 31] het bericht “als je vandaag cash wil 20 liter A olie staan?”.
Gezien de context concludeert de rechtbank dat hier werd gesproken over amfetamine-olie. Amfetamine-olie is een grondstof voor de productie van (meth)amfetamine.
Door de verdediging is aangevoerd dat het enkele informeren naar de beschikbaarheid van (grondstoffen voor) verdovende middelen onvoldoende is om te kunnen spreken van voorbereidingshandelingen in de zin van artikel 10a van de Opiumwet. Naar het oordeel van de rechtbank kan het uitzetten van een dergelijke vraag onder omstandigheden wel degelijk een strafbare voorbereidingshandeling opleveren indien deze handeling concreet op een misdadig doel is gericht. Gelet op de context van de berichten is de rechtbank van oordeel dat [verdachte 6] meer deed dan een oriënterende vraag uitzetten.
Beoordeling
Op grond van deze gesprekken stelt de rechtbank vast dat [verdachte 1] , [verdachte 18] en [verdachte 3] samen met [betrokkene 35] en ‘literaltooth’ voorbereidingshandelingen hebben gepleegd voor de opzet van een transportlijn tussen Colombia en Antwerpen.
Zo is er een schone testlading naar Antwerpen verstuurd die aankwam op een verkeerde kaai. [verdachte 1] had hierover contact met [verdachte 18] en ‘wombatpearl’. Er werd besproken dat er nog een schone lading zou worden verstuurd om het proces in de gaten te kunnen houden zodat het niet nog eens fout zou gaan. [verdachte 1] en [verdachte 18] verschaften elkaar over en weer verdere inlichtingen over de op te zetten lijn en bespraken de details. Dat het de bedoeling was om via deze lijn verdovende middelen te gaan importeren en vervoeren vanuit Colombia naar Antwerpen leidt de rechtbank af uit het feit dat er wordt gesproken over ‘schone ladingen’, ‘liften’, ‘uithaal’, ‘geen hulp in de haven’, ‘smokkelen’, en het moeten wikkelen in ‘x-ray proof’ papier met lood. Deze termen kan de rechtbank niet anders interpreteren dan dat het ging om de handel in verdovende middelen en dat [verdachte 1] en [verdachte 18] hiervan op de hoogte waren.
[verdachte 3] en [verdachte 1] hadden contact over de te bestellen limoenen en welke bedrijven de bestellingen zouden plaatsen. [verdachte 3] wist ook dat het om verdovende middelen ging aangezien hij vaker met [verdachte 1] in verdovende middelen handelde en hij sprak over “hun tp” én gelet op het feit dat [verdachte 3] erg boos werd toen hij er achter kwam dat andere mensen mogelijk ook in de limoenen zouden handelen. Als dit om legale limoenenhandel zou gaan was er voor [verdachte 3] geen reden om zo boos te zijn.
Dat het om verdovende middelen ging is evident. Uit de verstuurde berichten blijkt evenwel niet of het om middelen van lijst I of lijst II van de Opiumwet gaat. Het enkele feit dat de verdovende middelen uit Colombia komen is onvoldoende om vast te stellen dat het om cocaïne zou gaan en dus een lijst I middel gaat, zoals ten laste is gelegd. De rechtbank acht dan ook niet wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte 1] , [verdachte 3] en [verdachte 18] voorbereidingshandelingen hebben gepleegd voor de invoer van verdovende middelen zoals genoemd op lijst I van de Opiumwet en spreekt hen hiervan ten aanzien van dit zaaksdossier vrij.
Transport limoenen naar Zweden – [verdachte 6]
Op 14 en 15 mei 2020 hadden [betrokkene 35] en ‘literaltooth’ contact over een transportlijn om limoenen naar Zweden te versturen. Zij bespraken wederom dat er eerst schone ladingen moesten worden verstuurd. [betrokkene 35] onderhield hierover eveneens contact met [verdachte 6] . [verdachte 6] had op zijn beurt weer contact met [betrokkene 36] over een Zweeds fruitbedrijf waar zij een prijsopgave konden doen voor een testcontainer met limoenen vanuit Colombia. [verdachte 6] zei dat het ging om “handel verwerkt in de limoenen”.
Op 25 mei 2020 hadden [betrokkene 35] en ‘literaltooth’ weer contact over Zweden. [betrokkene 35] zei dat zijn vriend hem een screenshot zou sturen als die vriend had gemaild over de limoenen. Een dag later stuurde [verdachte 6] een screenshot van deze mail aan [betrokkene 35] . Uit dit screenshot volgt dat een bedrijf uit Stockholm, [bedrijf 5] , een prijsopgave deed voor limoenen bij het Colombiaanse [bedrijf 6]
Beoordeling
De rechtbank stelt aan de hand van deze gesprekken vast dat [verdachte 6] samen met [betrokkene 36] en [betrokkene 35] voorbereidingshandelingen heeft gepleegd om een transportlijn tussen Colombia en Zweden op te zetten. Dat dit een transportlijn voor verdovende middelen was leidt de rechtbank af uit het feit dat zij spraken over het eerst sturen van een schone lading en de opmerking van [verdachte 6] dat het ging om handel die verwerkt werd in de limoenen.
Dat het om verdovende middelen ging is evident. Uit de verstuurde berichten blijkt echter niet of het om middelen van lijst I of lijst II van de Opiumwet gaat. Zoals reeds eerder overwogen is het enkele feit dat de verdovende middelen uit Colombia komen, onvoldoende om vast te stellen dat het om cocaïne zou gaan en dus een lijst I middel gaat, zoals ten laste is gelegd. De rechtbank acht dan ook niet wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte 6] voorbereidingshandelingen heeft gepleegd voor de invoer van verdovende middelen zoals genoemd op lijst I van de Opiumwet en spreekt hem hiervan ten aanzien van dit zaaksdossier vrij.
5.5.3.4.13 B1 4.7.4.2.10 Lijn shredders Australië en B1 4.8.1.2.1 Aanvulling shredders
Aan [verdachte 6] , [verdachte 9] , [verdachte 12] en [verdachte 1] zijn in dit zaaksdossier voorbereidingshandelingen voor de uitvoer van verdovende middelen (op lijst I) naar Australië ten laste gelegd. Dit zaaksdossier is aan [verdachte 1] ook ten laste gelegd als voltooide uitvoer.
Chatberichten en observaties
Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank het volgende af.
In dit zaaksdossier werd in de periode van 19 maart 2020 tot en met 15 mei 2020 een zeer groot aantal chatberichten uitgewisseld tussen de verschillende verdachten. Ook werd contact onderhouden met [betrokkene 37] en de Encrochat-gebruikers Omelhor en Dxb-bkk.
De berichten vangen aan op 27 maart 2020 tussen [verdachte 9] en Omelhor. Daaruit volgt dat er gedoe was met de stashbouwer en over de vraag welke shredder was besteld. [betrokkene 37] was heel boos, hij had er geld in gestoken en hield [verdachte 9] verantwoordelijk voor het geld dat hij had geïnvesteerd. Een dag later bespraken [verdachte 9] en Omelhor dat ‘Don Pedro’ ( [verdachte 6] ) en de ‘grote P’ ( [verdachte 1] ) investeerders waren.
[verdachte 9] had op 29 maart 2020 een afspraak met [verdachte 6] . Hij vertelde Omelhor dat [verdachte 1] overal over ging en dat [betrokkene 37] voor de verkoop was. Ook met [verdachte 6] werd het gedoe met de stashbouwer besproken. Er was discussie over of [verdachte 1] ook wist wat er allemaal aan de hand was.
Op 30 maart 2020 berichtte [verdachte 9] aan Omelhor dat er een nieuwe machine was en een nieuwe stashbouwer. [verdachte 6] verzocht vervolgens aan [verdachte 9] zijn neef ‘toe te voegen’ en stuurde het PGP-ID van [verdachte 1] door. Daarop chatte [verdachte 9] naar [verdachte 1] wat er allemaal mis was gegaan en dat hij de chronologische volgorde zou geven. [verdachte 9] stuurde deze chats door aan [verdachte 6] .
[verdachte 9] en Omelhor bespraken vervolgens welk product erin zou gaan. [verdachte 9] chatte “M en Ice, blokken is niet gezegd”.
Op 31 maart 2020 bespraken [verdachte 1] en [verdachte 9] dat [verdachte 1] er voor een kwart in zat en welke mogelijkheden er verder waren voor stash met metaalshredders. Aan Omelhor liet [verdachte 9] weten dat Skip (Australië) had overgemaakt en dat [verdachte 1] dat had doorgedrukt. Diezelfde dag was [verdachte 9] bij de stashbouwer.
Op 2 april 2020 stuurde Omelhor een email door aan [verdachte 9] waarin alle kosten benoemd werden voor het transport van de shredder vanuit Nederland via Oporto en Gioia Tauro naar Sidney. Dit bericht werd door [verdachte 9] doorgestuurd naar [verdachte 6] en op 5 april 2020 ook naar [verdachte 1] .
Uit het chatgesprek op 4 april 2020 volgt dat [verdachte 6] en [verdachte 1] ieder voor 25% investeerders waren en dat er nog 2 anderen waren. Omelhor en [verdachte 9] bespraken vervolgens dat de stash voor 1000 stuks geschikt werd gemaakt, maar als men M stuurde dat het volume dan groter was dan Bricks formaat. Ice kilo’s in broodtrommels waren qua formaat mogelijk weer anders. De stash moest niet te klein zijn en [verdachte 9] ging ervan uit dat het M zou gaan worden. [verdachte 9] stuurde deze chat ook door naar [verdachte 6] .
Omelhor reageerde heel boos hierop omdat was afgesproken dat ze 5% zouden krijgen en dat was afgesproken dat het Ice zou zijn. [verdachte 9] chatte over de ruimte van de stash en dat de maten van Ice en bricks anders waren en dat de hoogte, breedte en lengte van M aangehouden werd en dat het volume zeker 1000 stuks zou worden. Toen Omelhor wilde weten hoever [verdachte 1] hierin betrokken was, zei [verdachte 9] dat [verdachte 1] nu voor 50% investeerder was omdat er een investeerder was weggevallen.
[verdachte 9] chatte aan [verdachte 6] dat de machine klaar was en dat ze enkel de tweede machine wilden vullen en versturen. [verdachte 9] chatte vervolgens aan [verdachte 6] over een deal op 1000 of 2000 stuks Ice en dat als het M werd er gezeik zou komen. [verdachte 6] chatte dat of er nou Ice of M werd verstuurd er altijd een enorm bedrag aan percentage zou overblijven. [verdachte 6] chatte dat hij een afspraak had met [betrokkene 37] en [verdachte 1] .
[verdachte 6] chatte op 24 april 2020 dat hij met de stashbouwer zat en dat deze de stash kon maken, dat deze na demontage gevuld kon worden en er dan weer terug gemonteerd kon worden.
Op 30 april 2020 vroeg [verdachte 6] aan [verdachte 12] of hij geld van een B.V. uit Nederland naar Portugal wilde sturen. [verdachte 12] vroeg of dat persé van een B.V. rekening moest en of het een 'klap bv' moest zijn. [verdachte 6] chatte dat hij het cash kreeg en dat hij 7% mag hebben.
Op 6 mei 2020 bespraken [verdachte 9] en [verdachte 6] dat de machine eind van de week zou vertrekken. Over de tweede machine moest nog nagedacht worden. Omelhor chatte vervolgens aan [verdachte 9] dat de machine op 15 mei 2020 weg zou gaan en dat bericht werd aan [verdachte 6] doorgestuurd.
Uit chatberichten op 11 mei 2020 volgt dat de lege machine naar Australië was verstuurd en dat als de route goed ging er over vijf weken een volle zou volgen. Er werd een foto meegestuurd waarop een shredder te zien was. Tussen [verdachte 6] en [betrokkene 37] werd vervolgens de aanbetaling voor de tweede machine besproken.
Op 22 mei 2020 had [verdachte 6] een afspraak met [verdachte 1] en [betrokkene 37] . Het observatieteam zag [verdachte 1] ook bij het woonwagenkamp waar [verdachte 6] woonde. In chatgesprekken tussen Omelhor en [verdachte 9] ging het over deze ontmoeting en dat die ging over een factuur die betaald moest worden en dat [verdachte 6] de rechterhand was van [verdachte 1] . [verdachte 1] was de hoofdinvesteerder volgens [verdachte 9] .
Vervolgens bleek dat de firma waaraan de shredder verstuurd werd een brievenbusfirma was van drie maanden oud. [verdachte 9] vertelde Omelhor dat hij weinig hoop had dat het zou gaan lukken. [verdachte 1] was er nu over aan het nadenken en [verdachte 9] dacht dat deze ermee wilde gaan stoppen.
Op 8 juni 2020 hadden [betrokkene 37] en [verdachte 1] contact met elkaar. [betrokkene 37] chatte dat het echt een goede B.V.
Conclusie
De rechtbank is van oordeel dat tussen [verdachte 7] , [verdachte 1] en [verdachte 18] een duidelijke samenwerking en rolverdeling bestond omtrent het opzetten van een lijn voor het versturen van verdovende middelen vanuit Colombia met als deklading kolen. [verdachte 7] was de initiator van de op te zetten lijn en betrok [verdachte 1] door hem om nadere informatie en advies te vragen. [verdachte 1] vroeg op zijn beurt alle informatie op bij zijn contact in Zuid-Amerika en schakelde hiervoor de hulp van [verdachte 18] in. De rechtbank is van oordeel uit de bewijsmiddelen onvoldoende concreet kan worden afgeleid dat de lijn betrekking zou hebben op verdovende middelen zoals genoemd op lijst I van de Opiumwet Dit betekent dat [verdachte 7] , [verdachte 1] en [verdachte 18] van dit zaaksdossier worden vrijgesproken.
5.5.3.4.15 B1 4.7.4.2.12 Lijn deklading soja en schroot
[verdachte 1] , [verdachte 3] , [verdachte 7] en [verdachte 2] worden er in dit zaaksdossier van verdacht dat zij voorbereidingshandelingen in het kader van de Opiumwet (lijst I) hebben gepleegd met betrekking tot het opzetten van een lijn vanuit Bolivia met als deklading soja en schroot.
Chatberichten
De verdenkingen zijn gebaseerd op Encrochat-berichten uit de periode van 27 maart 2020 tot en met 12 juni 2020. De rechtbank leidt uit de in de bewijsmiddelen opgenomen chatberichten het volgende af.
[verdachte 3] stond vanaf 27 maart 2020 in contact met diverse personen over het stilliggen van de aanvoer van soja in verband met in beslag genomen blokken in Brazilië, bestemd voor Antwerpen. In de periode van 3 tot en met 11 mei 2020 stuurde [verdachte 1] verschillende berichten. Zo stuurde [verdachte 1] aan [verdachte 3] en [verdachte 7] dat hij soja kon gaan opstarten en stuurde de website van een Boliviaanse B.V. naar hen door. Daarnaast stuurde [verdachte 1] dat hij snel aan de gang kon. [verdachte 7] vroeg of ‘het’ in schroot kon worden verwerkt, of met eigen ‘tp’ en uithalen voordat het bij de B.V. was. [verdachte 1] stuurde [verdachte 7] dat allebei mogelijk was. [verdachte 7] stuurde dit op zijn beurt door naar zijn contacten. Verder liet [verdachte 1] op 28 mei 2020 aan [verdachte 3] weten dat soja ook klaar was om te beginnen en op te bouwen met ‘onze producten’. [verdachte 3] stuurde aan [verdachte 1] dat hij deze week een afspraak had met ‘sojaman’ en dat hij [verdachte 1] op de hoogte zou houden. [verdachte 2] stuurde op 12 juni 2020 aan ‘richfire’ informatie door van de Boliviaanse B.V. en stelde [verdachte 1] hiervan op de hoogte.
Wat levert het op?
Op grond van voorgaande is de rechtbank van oordeel dat tussen [verdachte 1] , [verdachte 7] en [verdachte 3] een duidelijke samenwerking en rolverdeling bestond omtrent het opzetten van een lijn met deklading van soja of schroot vanuit Bolivia. [verdachte 1] liet [verdachte 3] en [verdachte 7] weten klaar te zijn om aan de gang te gaan en voorzag hen van informatie. [verdachte 7] en [verdachte 3] vroegen in hun omgeving rond om een en ander op te starten. Naar het oordeel van de rechtbank is gelet op de bewoordingen blokken, ‘het’ verwerkt in schroot, eigen ‘tp’ en uithalen evident sprake van het opzetten van een lijn met deklading om verdovende middelen vanuit Zuid-Amerika te versturen. Voor concrete betrokkenheid van [verdachte 2] hierbij is geen sprake zodat hij reeds daarom van dit zaaksdossier wordt vrijgesproken. Ten aanzien van [verdachte 7] , [verdachte 1] en [verdachte 3] geldt dat uit de bewijsmiddelen onvoldoende concreet kan worden afgeleid dat de lijn betrekking zou hebben op verdovende middelen zoals genoemd op lijst I van de Opiumwet. Dit betekent dat zij van dit zaaksdossier met betrekking tot voorbereidingshandelingen in het kader van de Opiumwet (lijst I) worden vrijgesproken.
5.5.3.4.16 B1 4.7.4.2.14 Lijn Barcelona
[verdachte 1] , [verdachte 7] en [verdachte 18] worden er in dit zaaksdossier van verdacht dat zij voorbereidingshandelingen in het kader van de Opiumwet (lijst I) hebben gepleegd met betrekking tot het opzetten van een lijn naar Barcelona.
Chatberichten
De verdenkingen zijn gebaseerd op Encrochat-berichten uit de periode 26 maart 2020 tot en met 26 mei 2020. De rechtbank leidt uit de in de bewijsmiddelen opgenomen chatberichten het volgende af.
Op 26 maart 2020 en 27 maart 2020 hadden [verdachte 1] en [betrokkene 39] veelvuldig contact over een transport via de haven van Barcelona. [betrokkene 39] stuurde [verdachte 1] een mogelijkheid om via de haven van Barcelona te werken en voorzag hem van alle nodige informatie die hij had vernomen van zijn contactpersoon in de haven, te weten de gebruiker van het Encrochat-account ‘Spacelord’. [verdachte 1] mocht een test doen van “300 voor 25% en boven de 1000 voor 15%”. [verdachte 1] was geïnteresseerd en vroeg naar de kosten en stuurde dat hij er “500 had liggen in Peru om mee te beginnen”. Vervolgens gaf [verdachte 1] [betrokkene 39] instructies wat hij moest vragen aan zijn contactpersoon omtrent kosten, de mogelijkheid voor ‘liften in droge bak’ en of hij niet de naam van de boot en het bedrijf kon geven. [betrokkene 39] vroeg dit na bij ‘Spacelord’ en stuurde [verdachte 1] gedetailleerde informatie over de te gebruiken lijn, rederij en terminal. Verder liet [betrokkene 39] aan [verdachte 1] weten dat ‘Spacelord’ ging kijken waar de handelswaar in gestopt moest worden, maar dat hij klaar was om te ontvangen wanneer [verdachte 1] wilde. [verdachte 1] stuurde dat hij ging kijken of hij vanaf ‘Colo’ en Peru kon gaan vullen.
Vervolgens hadden [verdachte 18] en [verdachte 1] contact over het controleren van een bedrijf dat vanuit Peru containers verzond naar Barcelona. [verdachte 18] stuurde dat ‘ [betrokkene 38] ’ en zijn mensen klaar stonden en dat [verdachte 1] enkel groen licht hoefde te geven om vanuit Peru naar Barcelona te versturen. Vervolgens stuurde [verdachte 1] de informatie over het bedrijf dat vanuit Peru kon versturen door naar [betrokkene 39] , die het op zijn beurt doorstuurde naar ‘Spacelord’. Volgens ‘Spacelord’ was het bedrijf niet geschikt, omdat de terminal onjuist was. [verdachte 1] koppelde dit terug aan [verdachte 18] . Hierna vond overleg plaats tussen [verdachte 18] en [verdachte 1] . [verdachte 18] vroeg aan [verdachte 1] of hij geen emailadres voor ‘ [betrokkene 38] ’ had, zodat hij daar alle informatie over Barcelona heen kon sturen. [verdachte 1] ging dit regelen en schakelde hiervoor [verdachte 7] in. [verdachte 7] stuurde hierop een emailadres en inloggegevens naar [verdachte 18] .
Conclusie
De rechtbank is van oordeel dat tussen [verdachte 1] , [betrokkene 39] en [verdachte 18] een duidelijke samenwerking bestond omtrent het opzetten van een lijn vanuit Peru naar Barcelona die was gericht op het transport van verdovende middelen. Zo werd gesproken over aantallen en hoeveelheden, liften droge bak en kosten in procenten. Nadat [verdachte 1] de concrete werkwijze doorgestuurd had gekregen, nam hij contact op met [verdachte 18] om het bedrijf te bepalen waarmee vanuit Zuid-Amerika verstuurd zou worden. Voor concrete betrokkenheid van [verdachte 7] hierbij is geen sprake zodat hij reeds daarom van dit zaaksdossier wordt vrijgesproken. Ten aanzien van [verdachte 1] en [verdachte 18] geldt dat uit de bewijsmiddelen onvoldoende concreet kan worden afgeleid dat de lijn betrekking zou hebben op verdovende middelen zoals genoemd op lijst I van de Opiumwet. Dit betekent dat [verdachte 1] en [verdachte 18] van dit zaaksdossier worden vrijgesproken.
5.5.3.4.17 B1 4.7.4.2.15 Lijn Costa Rica – Vlissingen
[verdachte 1] , [verdachte 6] , [verdachte 18] en [verdachte 9] worden er in dit zaaksdossier van verdacht dat zij voorbereidingshandelingen in het kader van de Opiumwet (lijst I) hebben gepleegd met betrekking tot het opzetten van een lijn voor de invoer van verdovende middelen vanuit Costa Rica naar Vlissingen.
Chatberichten
De verdenkingen zijn gebaseerd op Encrochat-berichten in de periode van 28 maart 2020 tot en met 23 april 2020. De rechtbank leidt uit de in de bewijsmiddelen opgenomen chatberichten het volgende af.
Op 28 maart 2020 vroeg ‘fabledpants’ aan ‘haggardcider’ of hij “nog wat op Vlissingen wil doen via Costa”. ‘Haggardcider’ vroeg of het ‘lift’ was of ‘Bv-Bv’, waarop ‘fabledpants’ antwoordde: “Ik heb een uithaalploeg”. ‘Haggardcider’ stelde lift voor, waarop ‘fabledpants’ wilde weten of het in pallets gezet kon worden met Chiquita of Amigo bananen en of ‘haggardcider’ een palletnummer kon geven, dan konden de uithalers dit testen. [verdachte 9] stuurde screenshots van de gesprekken tussen ‘fabledpants’ aan ‘haggardcider’ door naar [verdachte 6] , die het “goed vond klinken”. [verdachte 6] vroeg [verdachte 9] “wat ze rekenen voor het naar buiten brengen” en “pallets”. [verdachte 9] stuurde deze vragen op zijn beurt weer door naar ‘haggardcider’. Vervolgens stuurde ‘fabledpants’ aan ‘haggardcider’ de volgende werkwijze: “Aan de kant waar de spullen in de pallets word gezet daar op de dozen zitten een sticker met een barcode en een nr, als ze die sticker een foto van maken dan kan ik die naar de uithaalgroep sturen en weten we 100% zeker dat die pallets bij hun aankomen.” In aanvulling op deze uitleg stuurde ‘fabledpants’ een foto van een sticker met diverse barcodes waarop het nummer 402 was omcirkeld.
De berichten over de werkwijze en de foto stuurde [verdachte 9] door naar [verdachte 6] , die dit doorstuurde naar [verdachte 1] . [verdachte 6] vroeg aan [verdachte 1] of “hij pallets naar Vlissingen kan, omdat hij ( [verdachte 6] ) nu uithaal heeft”. [verdachte 1] reageerde hierop dat het moest wachten tot half april, maar dat hij het had doorgestuurd. Intussen stuurde [verdachte 1] de foto’s en berichten door naar [verdachte 18] , die dit op zijn beurt doorstuurde naar ‘rubbercake’. [verdachte 18] vertaalde in de communicatie tussen [verdachte 1] en ‘rubbercake’. Daarnaast gaf [verdachte 1] [verdachte 18] de opdracht om aan ‘rubbercake’ te vragen “of hij niet 300 naar Valencia of Barcelona wil sturen liften droge bak, of 1700 Antwerpen ben ook bezig Vlissingen.” [verdachte 18] liet [verdachte 1] weten dat hij foto’s van de dozen die daar aan zouden komen moest sturen, dan kon ‘rubbercake’ ze daar controleren.
Conclusie
De rechtbank is van oordeel dat tussen [verdachte 1] , [verdachte 18] , [verdachte 6] en [verdachte 9] een duidelijke samenwerking bestond omtrent het opzetten van een lijn met deklading vanuit Zuid-Amerika naar Vlissingen. [verdachte 9] was op de hoogte van een mogelijke werkwijze middels een uithaalploeg en stuurde dit door naar [verdachte 6] . [verdachte 6] vroeg concreet naar de kosten en stuurde de werkwijze door naar [verdachte 1] , die op zijn beurt, middels de vertaling van [verdachte 18] , zijn contact in Zuid-Amerika op de hoogte bracht van de mogelijkheid.
Naar het oordeel van de rechtbank is evident sprake van het opzetten van een lijn met deklading om verdovende middelen vanuit Zuid-Amerika naar Vlissingen te vervoeren. Immers, er wordt gesproken over liften droge bak, BV./B.V. en uithaalploeg. Uit de bewijsmiddelen kan evenwel onvoldoende concreet worden afgeleid dat de lijn betrekking zou hebben op verdovende middelen zoals genoemd op lijst I van de Opiumwet. Dit betekent dat [verdachte 1] , [verdachte 18] , [verdachte 6] en [verdachte 9] van dit zaaksdossier worden vrijgesproken.
5.5.3.4.18 B1 4.7.4.2.16 Voorbereiding transport Zuid-Amerika – Nederland – Engeland [verdachte 7] met Grizzlywind
Aan [verdachte 1] , [verdachte 7] en [verdachte 4] is ten laste gelegd dat zij samen met anderen voorbereidingshandelingen hebben gepleegd voor de uitvoer van cocaïne. Aan [verdachte 1] is dit feit ook als voltooide uitvoer ten laste gelegd.
Chatberichten
In de periode van 16 mei 2020 tot en met 2 juni 2020 hadden [verdachte 1] en [verdachte 7] contact met [betrokkene 40] .
Op 16 mei 2020 vroeg [betrokkene 40] aan [verdachte 7] of hij middelen had om 20 stuks van Nederland naar Engeland te versturen. [verdachte 7] reageerde daarop dat [betrokkene 40] dat aan hun vriend moest vragen. Direct daarna vroeg [betrokkene 40] aan [verdachte 1] of hij 20 blokken naar Engeland kon sturen en zei dat er nog 120 aankwamen. “Ik kan dat” reageerde [verdachte 1] .
Op 19 mei 2020 zei [betrokkene 40] tegen [verdachte 1] dat hij nu met die jongen voor die transporten zat en dat de mannen in Liverpool contact wilden leggen. Hij vroeg aan [verdachte 1] of het contact via zijn jongen die “hier” was kon lopen. [verdachte 1] zei dat dit goed was. [betrokkene 40] is woonachtig in Panama. [verdachte 7] verbleef van 8 maart 2020 tot 13 maart 2020 in Panama.
[betrokkene 40] nam vervolgens per abuis contact op met [verdachte 4] . Hij moest [verdachte 7] hebben. Daarna hadden [betrokkene 40] en [verdachte 7] contact over een transport van Nederland naar Engeland. [verdachte 7] had later ook zelf contact met de contactpersoon in Liverpool over de mogelijkheden van een transport. [verdachte 7] zei dat hij het de volgende dag zou bevestigen. Twee dagen later zei [verdachte 7] tegen de contactpersoon in Engeland dat hij hem niet was vergeten, maar dat hij nog wachtte op antwoord van zijn transportman. Daarna had [verdachte 7] weer contact met [betrokkene 40] . [betrokkene 40] zei dat er nog 120 lagen die naar Nederland moesten en stuurde een foto mee. Op de foto zijn veel witte verpakte blokken te zien. Deze kwamen uit Peru. [verdachte 7] wilde de persoon uit Engeland in persoon zien. Op 2 juni 2020 zei [betrokkene 40] dat die jongen uit Engeland in Amsterdam was en dat [verdachte 7] contact met hem moest opnemen als hij hem wilde zien. Of zij elkaar uiteindelijk hebben ontmoet volgt niet uit de berichten.
Cocaïne?
Dat het ging om cocaïne leidt de rechtbank af uit het feit dat er werd gesproken over blokken uit Peru in combinatie met de foto van witte blokken, lijkend op blokken cocaïne.
Conclusie
De rechtbank leidt uit de berichten af dat [verdachte 1] voor [betrokkene 40] een transport kon regelen voor blokken van Nederland naar Engeland. [betrokkene 40] regelde dit vervolgens met goedkeuring van [verdachte 1] met [verdachte 7] . [verdachte 7] had hierover contact met de contactpersoon in Engeland en wilde hem in persoon zien om hierover te praten. [verdachte 7] had dit uitgezet bij zijn transportman, maar wachtte nog op antwoord. De handelingen van [verdachte 1] en [verdachte 7] waren concreet gericht op het organiseren van een transport van cocaïne van Nederland naar Engeland.
De rechtbank verklaart op grond van het vorenstaande wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte 1] en [verdachte 7] samen met anderen voorbereidingshandelingen hebben gepleegd voor het uitvoeren van cocaïne naar Engeland.
Nu niet is vast komen te staan dat daadwerkelijk cocaïne is verstuurd naar Engeland wordt [verdachte 1] vrijgesproken van dit zaaksdossier ten aanzien van feit 1, de voltooide uitvoer.
[verdachte 4] heeft in dit zaaksdossier geen rol gespeeld, anders dan dat per ongeluk contact met hem werd opgenomen door [betrokkene 40] . De rechtbank spreekt hem daarom vrij van dit zaaksdossier.
5.5.3.4.19 B1 4.7.4.2.18 Voorbereiding uitvoer Australië drones
Aan [verdachte 1] , [verdachte 6] en [verdachte 11] is ten laste gelegd dat zij samen voorbereidingshandelingen hebben gepleegd om methamfetamine (ICE) uit te voeren naar Australië. Aan [verdachte 1] is dit zaaksdossier ook als voltooide uitvoer ten laste gelegd.
Chatberichten
De verdenkingen zijn gebaseerd op Encrochat-chatberichten die op 11 en 12 juni 2020 onder andere zijn verstuurd en ontvangen door [verdachte 1] , [verdachte 6] , [verdachte 11] , [betrokkene 37] en de onbekende gebruiker van het Encrochat-account ‘dxb-bkk’.
Uit de chatberichten leidt de rechtbank het volgende af.
Op 11 juni 2020 stuurde ‘dxb-bkk’ naar [betrokkene 37] een foto van een koffer met daarin een drone en de bijbehorende benodigdheden. ‘Dxb-bkk’ zei daarbij dat er een kilo ICE in zat en dat dit niet te zien was op een scan.
[betrokkene 37] stuurde de foto van de koffer met de drone direct door naar [verdachte 1] en zei daarbij: “zit 1 kg ice in kan je niet zien, gaat door scan en hondenvrij”. [verdachte 1] reageerde daarop met het bericht: “wij kunnen versturen ook en ontv”. [betrokkene 37] stelde daarna voor om met 15 stuks te beginnen en dat ze “skip” voor een deel mee konden laten doen. [betrokkene 37] zei dat hij onderdelen kon bestellen en ze binnen 2 à 3 weken klaar kon hebben. “Oké” antwoordde [verdachte 1] . [betrokkene 37] koppelde dit terug aan ‘dxb-bkk’ en zij bespraken verder de verdeling, de voorbereiding en de wijze van transport. De verdeling zou worden: [verdachte 1] 40, [betrokkene 37] 20 en ‘dxb-bkk’ 20. [betrokkene 37] sprak op 12 juni 2020 met [verdachte 1] af om hierover te praten.
[betrokkene 37] stuurde de foto van de drone op 11 juni 2020 ook door naar [verdachte 6] . [verdachte 6] was hierin geïnteresseerd en er werd meteen over aantallen gesproken om te versturen. [verdachte 6] stuurde de foto van de koffer met de drone door naar [verdachte 11] . [verdachte 11] reageerde hierop: “is drone toch, gelijk wegvliegen bij de douane, zit in de koffer? Dubbelbodem?”. [verdachte 11] zei dat Ice hoog stond in “AU” en zij chatten vervolgens over de mogelijke opbrengst in Australië. De volgende dag zei [verdachte 11] dat het versturen en ontvangen geen probleem was en dat hij een pallet via [bedrijf 9] kon versturen en dat hij daarvoor een bedrijf in Lelystad kon gebruiken.
Voorbereidingshandelingen [betrokkene 37] en [verdachte 1]
Uit de bewijsmiddelen volgt dat [betrokkene 37] en [verdachte 1] plannen maakten om drones met daarin Ice (methamfetamine) te versturen naar Australië. Er werd gesproken over het laten meedoen van ‘Skip’. ‘Skip’ is een gangbare benaming voor Australië, zoals ook volgt uit de bewijsmiddelen bij het zaaksdossier Shredders. De rechtbank stelt dan ook vast dat het de bedoeling was de drones met Ice uit Nederland naar Australië uit te voeren. Kennelijk wist [verdachte 1] ook wat de bedoeling was, aangezien hij meteen aangaf dat hij het kon versturen en ontvangen. Dat het zou moeten worden uitgevoerd volgt uit het feit dat werd gezegd dat het door de scan kon en hondenvrij was. [verdachte 1] had dan ook wetenschap dat de drones naar Australië zouden worden verstuurd. Dat hij alleen nieuwsgierig was acht de rechtbank niet aannemelijk. Immers, [betrokkene 37] deed een zeer concreet voorstel, [verdachte 1] ging daarmee direct akkoord. Bovendien werd zeer concreet over een aandeel gesproken in de verdeling en zou [betrokkene 37] zelfs al onderdelen gaan bestellen. Dit zou allemaal zeer onlogisch zijn, als [verdachte 1] enkel uit nieuwsgierigheid informatie wilde inwinnen. De rechtbank gaat dan ook voorbij aan deze verklaring van [verdachte 1] .
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte 1] samen met een ander voorbereidingshandelingen heeft gepleegd om methamfetamine in drones vanuit Nederland naar Australië uit te voeren. Nu van een voltooide uitvoer geen sprake is, zal [verdachte 1] daarvan worden vrijgesproken.
Voorbereidingshandelingen [betrokkene 37] , [verdachte 6] en [verdachte 11]
Uit de bewijsmiddelen volgt voorts dat [verdachte 6] en [verdachte 11] ook plannen maakten om drones met Ice (methamfetamine) uit te voeren naar Australië. Nadat [verdachte 6] de informatie van [betrokkene 37] had gekregen over de drones bespraken zij op welke wijze zij drones konden uitvoeren en wat het zou opbrengen. Zodoende is wettig en overtuigend bewezen dat zij samen met anderen voorbereidingshandelingen in de zin van Opiumwet (lijst I) hebben gepleegd.
5.5.3.4.20 B1 4.7.4.2.19 Voorbereiding blokken in fruit per luchtvracht en B1 4.7.4.2.20 Voorbereiding blokken in cilinders
Aan [verdachte 1] , [verdachte 13] en [verdachte 18] is ten laste gelegd dat zij in de periode van 28 maart 2020 tot en met 8 mei 2020 voorbereidingshandelingen hebben gepleegd voor het opzetten van een transportlijn ten behoeve van de invoer van harddrugs via luchtvracht. Aan [verdachte 13] en [verdachte 1] is verder ten laste gelegd dat zij in die periode voorbereidingshandelingen hebben gepleegd voor het vervoeren van harddrugs in cilinders.
B1 4.7.4.2.19 Voorbereiding blokken in fruit per luchtvracht
Chatberichten
Uit de chatberichten leidt de rechtbank het volgende af.
De Encrochat-gebruikers Methetboekje en Palacepizza hadden eind maart 2020 contact met elkaar over een megaverhaal met gesneden passiefruit per luchtvracht voor 22 ton per week uit Zuid- Amerika. Het was een schoon bedrijf met bijna geen controle die [bedrijf 7] en Albert Heijn bevoorraadde. Ook werd gesproken over een Nederlandse B.V. Deze berichtenwisseling stuurde Palacepizza vervolgens door aan [verdachte 13] . Zij bespraken samen vervolgens of ‘Ouwe’ mee wilde bewegen waarop [verdachte 13] berichtte dat deze het sowieso kon laten ‘draaien’. Vervolgens bespraken ze dat ze er base in konden doen of hele blokken. [verdachte 13] nam daarop contact op met [verdachte 1] en vroeg wat hij ervan vond. [verdachte 1] berichtte dat 22 ton niks was en dat ‘ [betrokkene 38] ’ alleen goed was in bananen.
Conclusie
Dat [verdachte 1] en [betrokkene 3] het in deze berichten hadden over het invoeren van verdovende middelen uit Cartagena is evident. Uit de verstuurde berichten blijkt evenwel niet of het om middelen van lijst I of lijst II van de Opiumwet gaat. Het enkele feit dat de verdovende middelen uit Colombia komen is onvoldoende om vast te stellen dat het om cocaïne zou gaan en dus een lijst I middel gaat, zoals ten laste is gelegd. Dat er daadwerkelijk een partij is ingevoerd volgt ook niet uit de gesprekken. De rechtbank acht dan ook niet wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte 1] verdovende middelen van lijst I heeft ingevoerd dan wel dat hij hiervoor voorbereidingshandelingen heeft gepleegd en spreekt hem hiervan ten aanzien van dit zaaksdossier vrij.
5.5.3.4.22 B1 4.7.4.3.1 Rekeningoverzicht [verdachte 17] , [verdachte 1] en [verdachte 10]
[verdachte 1] en [verdachte 17] worden er in dit zaaksdossier van verdacht dat zij heroïne voorhanden hebben gehad en hebben verstrekt/vervoerd/afgeleverd. [verdachte 10] wordt – naast het voorhanden hebben/verstrekken/vervoeren/ afleveren van heroïne – ook verdacht van voorbereidingshandelingen met betrekking tot de handel in heroïne.
Chatberichten
De verdenkingen zijn gebaseerd op Encrochat-berichten uit de periode van 4 april 2020 tot en met 22 mei 2020. De rechtbank leidt uit de in de bewijsmiddelen opgenomen chatberichten het volgende af.
Op 4 april 2020 stuurde [verdachte 17] naar [verdachte 10] dat hij cash nodig had in Holland en dat hij enkel veel cash had in Spanje. [verdachte 17] stuurde dat er “van nl bruin nog bijna 250k open stond” en dat hij “met spoed 100k nodig had in Holland”. Verder vroeg hij of [verdachte 10] al wist wanneer zijn klant de rekening glad ging trekken. [verdachte 17] stuurde [verdachte 10] twee foto’s van het scherm van een mobiele telefoon met daarop notities getiteld ‘Ouwe bruine’ met een lijst van stuks en betalingen. In het overzicht stond de totaalsom van 229 stuks voor 7500 per stuk, wat 1.717.500 opleverde, waarvan 1.533.750 betaald was en dus nog 183.750 open stond. Daar kwam nog 66.000 bij, waardoor in totaal 249.750 open stond. [verdachte 10] stuurde [verdachte 17] dat hij het geld bij elkaar ging krijgen. In de daarop volgende dagen hadden [verdachte 10] en [verdachte 17] over en weer contact over betalingen, de openstaande rekening en het pushen door [verdachte 10] van zijn klanten.
Op [geboortedag] 2020 hadden [verdachte 10] en [verdachte 17] wederom contact over de openstaande rekening. [verdachte 17] stuurde [verdachte 10] dat “hij met Spanje erbij nu nog 379.750 euro kreeg”. [verdachte 10] stelde voor om samen te zitten om de boekhouding door te nemen, ook om “de laatste dingen door te nemen die jij hebt verrekend en geruild met ouwe”. [verdachte 17] stuurde [verdachte 10] dat dit al in het eerder verstuurde overzicht stond opgenomen, namelijk “twee keer ouwe. 202k en 202.5k en te goed ouwe 66k”.
Op 18 mei 2020 stuurde [verdachte 10] dat [verdachte 17] deze week het geld van het bruin uit Spanje zou ontvangen en binnen 10 dagen ook geld in Nederland zou ontvangen. [verdachte 17] stuurde een gesprek tussen hem en [verdachte 10] over de betalingen vervolgens door aan ‘superdokterbos’, die vroeg of dit de ‘klant van ouwe’ was, hetgeen [verdachte 17] bevestigde.
Tussen 17 en 21 mei 2020 hadden [verdachte 1] en [verdachte 10] contact met elkaar over de onbekend gebleven Encrochat-gebruiker ebi-vught. [verdachte 10] sprak in het Turks met ebi-vught, die op zijn beurt ‘lichte en donker bruin’ wilde ruilen met ‘de ouwe’. [verdachte 10] stuurde hem dat hij het zou navragen en nam direct contact op met [verdachte 1] en besprak met hem deze informatie.
Op 22 mei 2020 vroeg [verdachte 10] aan ebi-vught wanneer het geld kwam. Ebi-vught stuurde dat hij 10 kilo had verkocht en € 30.000,- had achtergelaten in het huis van ouwe. Hij wilde de markt in handen houden. Als vóór zondag nog 14 kilo zou lukken, dan zou hij later € 70.000,- of € 80.000,- kunnen betalen. [verdachte 10] stuurde [verdachte 17] dat er 30 ruggen in Spanje lagen en dat er zondag nog meer geld in Spanje zou komen. Verder vroeg [verdachte 10] aan [verdachte 17] of hij maandag of dinsdag een ‘tp’ kon sturen voor het bruin, dan kon [verdachte 10] gelijk wat papieren mee sturen.
Op 22 mei 2020 stuurde [verdachte 17] opnieuw twee afbeeldingen aan [verdachte 10] van hetzelfde overzicht, aangevuld met “plus 10 bruin Spanje en 3 mix 100.000 euro. totaal open nl en Spanje 249.750 +100.000 = totaal te goed in nl en sp 349.750”.
Wat levert dit op?
Uit de inhoud van de verstuurde overzichten en gesprekken over stuks, ‘bruin’ en bedragen leidt de rechtbank af dat tussen [verdachte 10] en [verdachte 17] werd gesproken over de handel in verdovende middelen’, te weten stuks ‘bruin’ . Zoals eerder is overwogen, wordt met ‘bruin’ doorgaans heroïne bedoeld. De in het verstuurde overzicht en de gevoerde gesprekken genoemde bedragen en hoeveelheden passen ook bij de verkoop van heroïne.
Verder stelt de rechtbank vast dat in de gesprekken tussen [verdachte 17] en [verdachte 10] werd gedoeld op de handel tussen [verdachte 17] en [verdachte 1] . Zo was de titel van het overzicht ‘ouwe bruine’ en wilde [verdachte 10] met [verdachte 17] de boekhouding doornemen, inclusief hetgeen geruild en verrekend zou zijn met ‘ouwe’. Zoals eerder is overwogen, is ‘ouwe’ een bijnaam van [verdachte 1] . [verdachte 17] had het Encrochat-account van [verdachte 1] (outdoorfeline) zelf ook opgeslagen als ‘ouwe’. Bovendien nam [verdachte 10] na een gesprek met ebi-vught waarin [verdachte 10] zei dat hij het bij ‘de ouwe’ ging navragen direct contact op met [verdachte 1] . Dit alles maakt dat kan worden vastgesteld dat in het rekeningoverzicht met ‘ouwe’ [verdachte 1] wordt bedoeld.
Gezien de verschillende berekeningen op het rekeningoverzicht en de verrekeningen die blijkens het overzicht hebben plaatsgevonden in combinatie met de gesprekken daarover, stelt de rechtbank voorts vast dat ook sprake is van daadwerkelijke verkoop van 229 stuks plus 10 stuks van [verdachte 17] aan [verdachte 1] . Ook volgt uit de chatberichten dat [verdachte 1] 10 stuks heeft verkocht aan ebi-vught.
Halve of hele kilo’s?
De raadsvrouw van [verdachte 17] heeft betoogd dat de in het overzicht genoemde prijs van € 7.500,- per stuk overeenkomt met een waarde van een halve kilo heroïne, in plaats van een kilo heroïne. De rechtbank overweegt als volgt. [verdachte 17] en [verdachte 10] spraken consequent over stuks. [verdachte 10] en Ebi-vught spraken consequent over kilo’s. Het lijkt er daarbij op dat dezelfde hoeveelheid wordt bedoeld. De rechtbank stelt voorts vast dat [verdachte 17] , [verdachte 1] , [verdachte 10] en ebi-vught in dezelfde periode van april en mei 2020 ook spraken over onderlinge handel in stuks, waarbij duidelijk was dat daar kilo’s werden bedoeld (zie: zaaksdossier 4.7.4.3.6, handel 14 kilo bruin Valencia). De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding, ook niet in de onderling afgesproken prijs, dat hier sprake zou zijn van handel in halve kilo’s in plaats van kilo’s.
Rol [verdachte 1] en [verdachte 17]
Uit bovenstaande volgt dat [verdachte 1] in totaal 239 kilo heroïne van [verdachte 17] heeft afgenomen. [verdachte 1] heeft daarmee deze hoeveelheid heroïne voorhanden gehad en [verdachte 17] heeft deze hoeveelheid heroïne ook voorhanden gehad en verkocht aan [verdachte 1] .
Conclusie
Gelet op al het voorgaande verklaart de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte 7] in de periode van 30 maart 2020 tot en met 30 juni 2020 in vereniging met anderen methamfetamine heeft bereid, verwerkt, verkocht, bewerkt, verwerkt, afgeleverd, verstrekt, vervoerd, vervaardigd en aanwezig gehad.
De rechtbank spreekt [verdachte 1] vrij van het vervaardigen van methamfetamine met [betrokkene 41] .
5.5.3.4.24 B1 4.7.4.3.5 Handel blokken Valencia en B1 4.7.4.2.17 [verdachte 10] transport cocaïne
[verdachte 1] , [verdachte 10] en [verdachte 2] worden er in dit zaaksdossier van verdacht dat zij in de periode van 29 maart 2020 tot en met 29 april 2020 voorbereidingshandelingen hebben gepleegd met betrekking tot de verkoop van een grote hoeveelheid cocaïne.
Chatberichten
Uit de in de bewijsmiddelen opgenomen chatberichten leidt de rechtbank het volgende af.
Het account genaamd Tastefullmallet berichtte op 29 maart 2020 aan [verdachte 1] dat hij er misschien 50 kon doen in Valencia en vroeg naar de stempel en een foto. [verdachte 1] gaf daarop aan dat het kledingmerk erop stond. [verdachte 17] stuurde vervolgens begin april aan [verdachte 1] dat er nog een stuk of 200 ‘GVY’ waren en dat deze 8.5 waren en hij ze kon geven voor 26.5. Uit het verdere contact tussen [verdachte 1] en [verdachte 17] volgt dat Tastefullmallet er 20 wilde hebben voor 30 en dat ze er één wilden testen. Toen volgde er nog contact tussen Tastefullmallet en [verdachte 17] waarin geprobeerd werd een deal te sluiten, maar de deal ging uiteindelijk niet door omdat het blokken ‘boli’ waren en geen ‘colo’. Op 24 april 2002 is er nog contact geweest tussen [verdachte 1] en Tastefullmallet waarin [verdachte 1] vroeg of Tastefullmallet wat kon met 3 kg wit van het mode merk G.
Op 9 april 2020 berichtte [verdachte 10] aan het account Evinrude dat hij coke kon kopen in Valencia en dat er 250 kilo was en dat hij 27 moest betalen. Evinrude wilde weten of het ‘colo’ was. Direct daarna is er contact tussen [verdachte 17] en [verdachte 10] geweest dat het blokken ‘boli’ waren en dat deze in Valencia lagen. Vervolgens stuurde [verdachte 10] aan Evinrude een foto van een blok waarop GVY stond.
Een week later stuurde [verdachte 10] ook aan het account Pearlblazer dat hij 250 blokken kon krijgen in Valencia voor 27 en weer een week later vroeg [verdachte 10] aan het account Longpalm of deze geen klant had voor ‘coca’ in Valencia.
Uit de berichten volgt verder dat er afspraken werden gemaakt tussen [verdachte 10] en Longpalm om ‘coca’ te kopen. [verdachte 10] berichtte direct daarop aan [verdachte 17] of hij nog blokken in Valencia had liggen, waarop [verdachte 17] dat bevestigde. [verdachte 10] berichtte vervolgens aan [verdachte 17] dat zijn klant er wel 10 of 20 per dag wilde afnemen voor 28. Er werden toen concrete afspraken gemaakt tussen [verdachte 17] en [verdachte 10] dat de klant van [verdachte 10] er één kon zien in Valencia. Uiteindelijk ging dat niet door omdat de man van [verdachte 17] was gepakt. Tussendoor gaf [verdachte 10] aan [verdachte 1] door dat hij een klant had die blokken wilde afnemen en of [verdachte 1] wilde meewerken. Dat wilde [verdachte 1] wel en ze bespraken wat ze er zelf aan konden overhouden.
Tot slot volgt uit de chatberichten nog dat [verdachte 2] op 27 april 2020 naar Megamarbz het volgende bericht heeft gestuurd: “Liggen er blokken in Valencia moeten wij 27 betalen”.
Kilo’s cocaïne?
Uit de berichten waarin de prijzen en kwaliteit worden genoemd en waarin het gaat om ‘coca’ en ‘coke’, in combinatie met de foto van het blok, leidt de rechtbank af dat het in de chatberichten ging om blokken cocaïne. [verdachte 1] heeft ook verklaard dat op de foto van het blok een blok cocaïne te zien is en dat met het getal 8.5 de kwaliteit en met het getal 26.5 de prijs werd bedoeld. Deze verklaring van [verdachte 1] vindt ondersteuning in de overige bewijsmiddelen en zal de rechtbank dan ook voor het bewijs gebruiken. Gezien de prijzen die worden genoemd en het gegeven dat [verdachte 10] het heeft over ‘kg’ stelt de rechtbank ook vast dat het ging om kilo’s.
Rol [verdachte 1]
heeft door met Tastefullmallet en [verdachte 17] gesprekken te voeren over een concrete deal voor de afname van blokken cocaïne voorbereidingshandelingen gepleegd voor de verkoop van die blokken cocaïne. Ook heeft hij samen met [verdachte 10] voorbereidingshandelingen gepleegd die erop gericht waren blokken cocaïne te verkopen, door met [verdachte 10] gesprekken te voeren over het meewerken met een klant en daarbij te bespreken wat zij daaraan konden verdienen.
Rol [verdachte 10]
heeft voorbereidingshandelingen gepleegd die erop gericht waren een grote hoeveelheid cocaïne te verkopen. Zo heeft hij meerdere potentiële klanten benaderd en was er sprake van concrete deals en afspraken. Hij sprak niet alleen met de klanten maar ook met de leverancier, te weten [verdachte 17] . Daarnaast heeft hij met [verdachte 1] concrete afspraken gemaakt over een klant voor blokken cocaïne en besproken wat zij konden verdienen.
Rol [verdachte 2]
Voor [verdachte 2] geldt dat hij weliswaar een bericht heeft gestuurd over blokken die in Valencia lagen, maar verder heeft [verdachte 2] geen concrete handelingen verricht die gericht waren op de handel in deze blokken. Dit enkele bericht zonder verdere context levert dan ook onvoldoende wettig en overtuigend bewijs op voor voorbereidings-handelingen en [verdachte 2] wordt daarom vrijgesproken van dit zaakdossier.
5.5.3.4.25 B1 4.7.4.3.6 Handel 14 kilo bruin Valencia
[verdachte 1] , [verdachte 17] , [verdachte 4] , [verdachte 6] , [verdachte 10] , [verdachte 2] en [verdachte 13] worden er in dit zaaksdossier van verdacht in de periode van 29 maart 2020 tot en met 22 mei 2020 voorbereidingshandelingen te hebben gepleegd voor – kort gezegd – de handel in 14 kilo heroïne en [verdachte 17] en [verdachte 1] – kort gezegd – voor het aanwezig hebben en verkoop van die partij drugs.
Het openbaar ministerie is niet-ontvankelijk verklaard ten aanzien van dit zaaksdossier inzake [verdachte 17] .
Ten laste gelegd?
Bij [verdachte 6] en [verdachte 4] is dit zaaksdossier niet in de bijlage genoemd en evenmin is de 14 kilo heroïne expliciet genoemd in de tekst van de tenlastelegging. Dit betekent dat dit zaaksdossier niet aan hen is ten laste gelegd.
Chatberichten
De rechtbank leidt uit de in de bewijsmiddelen opgenomen chatberichten het volgende af.
Op 23 april 2020 stuurde [verdachte 17] naar [verdachte 1] “heb bruin en wat blokken nog als je klokken heb met stale band wil ik ruilen nog”. [verdachte 1] vroeg vervolgens aan [verdachte 4] of er nog klokken waren. [verdachte 4] stuurde daarop foto’s van horloges door aan [verdachte 1] . [verdachte 1] en [verdachte 17] onderhandelden over de prijs en kwamen eruit. Er werd afgesproken dat [verdachte 17] 14 stuks bruin gaf voor drie klokken van [verdachte 1] . [verdachte 17] stuurde dat hij 10 stuks goede bruine en 4 stuks donker sterke bruine in Valencia klaar zou leggen.
Conclusie
De rechtbank verklaart ten aanzien van [verdachte 1] en [verdachte 6] het bestellen, betalen en gebruiken van PGP-telefoons en/of PGP-abonnementen dan ook wettig en overtuigend bewezen.
De rechtbank verklaart voorts het gebruik van PGP-telefoons door [verdachte 7] en [verdachte 9] wettig en overtuigend bewezen.
Ten aanzien van [verdachte 12] verklaart de rechtbank het laten bestellen en laten betalen en het gebruiken van PGP-telefoons en/of PGP-abonnementen wettig en overtuigend bewezen.
Uit de bewijsmiddelen volgt ten aanzien van [verdachte 4] niet dat hij gebruik heeft gemaakt van de PGP-telefoon(s) ten behoeve van voorbereidingshandelingen ten aanzien van verdovende middelen zoals genoemd op lijst I van de Opiumwet. Evenmin volgt uit de bewijsmiddelen dat [verdachte 4] bij het verlengen van de PGP-abonnementen wist dat dit dienstig zou zijn aan - kort gezegd - de handel in harddrugs. De rechtbank spreekt [verdachte 4] dan ook vrij van dit zaaksdossier.
Ten aanzien van [verdachte 18] overweegt de rechtbank dat zij op grond van de zaaksdossiers niet kan vaststellen dat hij gebruik heeft gemaakt van de PGP-telefoon(s) ten behoeve van voorbereidingshandelingen ten aanzien van verdovende middelen vermeld op lijst I van de Opiumwet, zodat hij ook van dit zaaksdossier zal worden vrijgesproken.
5.5.3.4.32 B1 4.7.4.4.2 Stash algemeen en B1 4.7.4.4.3 Stashauto’s
Aan [verdachte 1] , [verdachte 5] , [verdachte 4] , [verdachte 6] en [verdachte 12] is ten laste gelegd dat zij voorbereidingshandelingen hebben gepleegd voor de invoer, uitvoer dan wel handel in verdovende middelen zoals genoemd op lijst I van de Opiumwet en daarbij gebruik te maken van (voertuigen met) stashplekken. Aan [verdachte 1] is dit ook als voltooid delict ten laste gelegd.
In de zaaksdossiers worden deze voorbereidingshandelingen ook aan [verdachte 10] , [verdachte 9] , [verdachte 3] , [verdachte 11] en [verdachte 7] verweten. Deze zaaksdossiers staan echter niet genoemd op de bijlagen bij de tenlasteleggingen van [verdachte 10] , [verdachte 9] , [verdachte 3] , [verdachte 11] en [verdachte 7] . Nu in de tekst van de tenlastelegging expliciet stashauto’s worden genoemd, acht de rechtbank de dagvaarding in zoverre voldoende bepaald en was het voor de verdachten duidelijk dat zij van dit zaaksdossier werden verdacht. De rechtbank zal dit onderdeel van de tenlastelegging in hun zaak dan ook beoordelen.
Dat geldt niet voor [verdachte 17] . Op de bijlage bij zijn tenlastelegging staan deze zaaksdossiers niet genoemd en ook uit de tekst van de tenlastelegging volgt dit niet zodat deze zaaksdossiers niet aan hem ten laste zijn gelegd. De rechtbank zal zich in zijn geval dan ook niet buigen over de vraag of hij voorbereidingshandelingen heeft gepleegd door gebruik te maken van stashplekken.
[verdachte 9]
Op 7 april 2020 had [verdachte 9] contact met ‘meneer Dalton’ over het versturen van ‘vieze’ naar Liverpool in stash. Zij spraken over aantallen en het vervoer via [bedrijf 9] in stash.
Op 13 april 2020 had [verdachte 9] contact met goldspeedy over de kosten van het versturen van onder andere 10 “bruin” naar Engeland via een stash transport.
Zoals eerder overwogen wordt met vieze en bruin doorgaans heroïne bedoeld, behoudens contra-indicaties, en deze termen worden afwisselend gebruikt met “bottems”. [verdachte 9] heeft geen verklaring afgelegd welke betekenis hier - anders dan de gangbare betekenis – aan kan worden gegeven. Mede in het licht van de bewijsmiddelen in andere zaaksdossiers waarin het ook gaat over stashplekken en stashtransporten voor harddrugs, stelt de rechtbank vast dat [verdachte 9] daarover kon beschikken en aldus met anderen voorbereidingshandelingen heeft gepleegd in het kader van de Opiumwet (lijst I).
[verdachte 11]
Op 6 juni 2020 had [verdachte 11] contact met snailsoldier over een transport ‘miauw’ in een stashplek. Zoals eerder overwogen wordt met miauw miauw doorgaans mefedron bedoeld, behoudens contra-indicaties. [verdachte 11] heeft geen verklaring afgelegd welke betekenis hier - anders dan de gangbare betekenis - aan kan worden gegeven.
Mede in het licht van de bewijsmiddelen in andere zaaksdossiers waarin het ook gaat over stashplekken en stashtransporten voor harddrugs, stelt de rechtbank vast dat [verdachte 11] daarover kon beschikken en aldus met anderen voorbereidingshandelingen heeft gepleegd in het kader van de Opiumwet (lijst I).
[verdachte 1] , [verdachte 5] , [verdachte 4] , [verdachte 6] , [verdachte 12] , [verdachte 10] en [verdachte 7]
Uit de chatgesprekken volgt dat deze verdachten gebruik hebben gemaakt van stashplekken en voertuigen met stashplekken. Uit de bewijsmiddelen in andere zaaksdossiers volgt dat [verdachte 1] , [verdachte 5] , [verdachte 6] , [verdachte 12] , [verdachte 10] en [verdachte 7] daarvan gebruik hebben gemaakt voor de (voorbereiding van) ‘handel’ in harddrugs. Aldus stelt de rechtbank vast dat deze verdachten door daarover te beschikken en gebruik te maken voorbereidingshandelingen hebben gepleegd in het kader van de Opiumwet (lijst I).
Dat is anders voor [verdachte 4] . Onvoldoende kan worden vastgesteld dat de voertuigen met stashplekken waarover hij beschikte, bestemd waren voor handel in harddrugs. Hij wordt van dit zaaksdossier in zoverre dan ook vrijgesproken.
5.5.3.4.33 B1 4.7.4.4.4 Corruptie – betrokkenheid externen
Aan [verdachte 1] , [verdachte 3] , [verdachte 6] , [verdachte 11] , [verdachte 9] en [verdachte 7] is ten laste gelegd dat zij voorbereidingshandelingen hebben gepleegd voor de invoer, uitvoer dan wel handel in verdovende middelen zoals genoemd op lijst I van de Opiumwet door daarbij gebruik te maken van personen als corrupte douanemedewerkers of havenmedewerkers. Dit feit is aan [verdachte 1] ook als voltooid delict ten laste gelegd.
In dit zaaksdossier wordt dit ook aan [verdachte 18] , [verdachte 7] en [verdachte 8] verweten. Dit zaaksdossier staat echter niet genoemd op de bijlagen van de tenlasteleggingen. Nu in de tekst van de tenlastelegging expliciet douanemedewerkers/havenmedewerkers worden genoemd, acht de rechtbank de dagvaarding in zoverre voldoende bepaald en was het voor de verdachten duidelijk dat zij van dit zaaksdossier werden verdacht. De rechtbank zal dit onderdeel van de tenlastelegging in hun zaak dan ook beoordelen.
Dat geldt niet voor [verdachte 17] . Op de bijlage bij zijn tenlastelegging staat dit zaaksdossier niet genoemd en ook uit de tekst van de tenlastelegging volgt dit niet zodat dit zaaksdossier niet aan hem ten laste is gelegd. De rechtbank zal zich in zijn geval dan ook niet buigen over de vraag of hij voorbereidingshandelingen heeft gepleegd door gebruik te maken van corrupte douanemedewerkers of havenmedewerkers.
Beoordeling
Uit de chatgesprekken in dit zaaksdossier volgt dat voornoemde verdachten contacten hadden met dan wel de beschikking hadden over corruptie douanemedewerkers of havenmedewerkers die behulpzaam waren bij de handel in verdovende middelen door bijvoorbeeld containers door te laten zonder controle of bij aankomst de verdovende middelen uit de containers haalden. Mede in het licht van de bewijsmiddelen in andere zaaksdossiers met betrekking tot [verdachte 1] , [verdachte 3] , [verdachte 9] , [verdachte 7] en [verdachte 8] waarin het ook hierover gaat in het kader van de (voorbereiding van) ‘handel’ in harddrugs, stelt de rechtbank vast dat al deze verdachten aldus met anderen voorbereidingshandelingen hebben gepleegd in het kader van de Opiumwet (lijst I).
Ten aanzien van [verdachte 18] is dat anders nu hij in alle zaaksdossiers van voorbereidingshandelingen in het kader van de Opiumwet (lijst I) wordt vrijgesproken. Hij zal dan ook van dit zaaksdossier worden vrijgesproken.
5.5.3.4.34 B1 4.7.4.4.8 SkyECC berichten voorbereiding export amfetamine(pasta)
[verdachte 1] , [verdachte 2] , [verdachte 5] en [verdachte 3] worden er in dit zaaksdossier van verdacht dat zij voorbereidingshandelingen hebben gepleegd in het kader van de Opiumwet (lijst I) met betrekking tot de export van amfetaminepasta.
Ten laste gelegd?
Dit zaaksdossier is niet afzonderlijk in de bijlage bij de tenlastelegging van [verdachte 2] en [verdachte 3] genoemd. Nu in de tekst van de tenlastelegging - bij een wijziging van de tenlastelegging - expliciet amfetaminepasta is opgenomen en deze term in geen van de andere zaaksdossiers wordt genoemd, acht de rechtbank de dagvaarding in zoverre voldoende bepaald en was het voor de verschillende verdachten duidelijk dat zij van dit zaaksdossier werden verdacht. De rechtbank zal dit onderdeel van de tenlastelegging in hun zaken dan ook beoordelen.
Bij [verdachte 5] is dit zaaksdossier niet in de bijlage genoemd en evenmin is de term amfetaminepasta expliciet genoemd in de tekst van de tenlastelegging. Dit betekent dat dit zaaksdossier niet aan hem is ten laste gelegd.
Chatberichten
De verdenkingen zijn gebaseerd op SkyECC-berichten in de periode 17 augustus 2020 tot en met 15 september 2020. De rechtbank leidt uit de berichten het volgende af.
Op 20 augustus 2020 stuurde [verdachte 3] naar [verdachte 2] dat hij ‘tp’ voor hem ging regelen. Dit kon voor de kostprijs, als [verdachte 3] zelf maar mee kon lopen. Hij had zelf namelijk ook nog ‘snelle’ liggen en wilde alleen tp doen als hij zelf minimaal 10% mocht meelopen. Volgens [verdachte 3] had hij deze week nog een succesvol tp naar Israël en Egypte gedaan en kreeg hij daar 20% tot 25%, dus de 10% was speciaal voor [verdachte 2] . Op 21 augustus 2020 spraken [verdachte 3] en [verdachte 2] over de afleverplek en de manier van transport, eventueel tussen de lading. [verdachte 2] ging het navragen.
Op 2 september 2020 stuurde [verdachte 2] aan [verdachte 3] dat hij nu bij de jongens zat en dat ze toestemming hadden gegeven om [verdachte 3] voor 10% mee te laten lopen. Volgens [verdachte 2] wilden ze iedere twee weken 150 doen. [verdachte 2] vroeg aan [verdachte 3] naar de kosten van het transport een deelde mee dat de opbrengst 1500 zou zijn. Verder vroeg [verdachte 2] of [verdachte 3] nog spullen had liggen voor 150. Volgens [verdachte 2] hadden ‘ze’ het over oliekleur appelsap. [verdachte 3] had niets liggen en antwoordde: “je moet het laten opkloppen. De a-olie staat op dat moment 850 dus als je opklopt op 2/2 heb je mooie stijven spullen”. [verdachte 3] stuurde dat zijn tp 125 kon, maar hij zou het wel verder uitleggen als hij [verdachte 2] zou zien.
Vervolgens vroeg [verdachte 2] advies aan [verdachte 1] . [verdachte 2] stuurde: “wat vind jij dat TP Madrid mag kosten voor snelle iedere 2 weken 150, maar bril wil 10% ook nog is mee lopen en zegt tp kost inkoop € 300,-.” [verdachte 1] antwoordde dat dit 700 of 750 mocht kosten. Een hele goede 2.2 mocht 800 kosten.
Op 7 september 2020 hadden [verdachte 1] en [verdachte 2] wederom contact en vroeg [verdachte 2] hoelang het duurde om 150 snelle te maken uit appelsapolie. Hij wilde namelijk volgende week versturen en morgen kijken wanneer het tp kon vertrekken. Hij wilde beginnen met 150 en daarna iedere 14 dagen 300 sturen. [verdachte 1] antwoordde dat je beter gelijk met 300 kon beginnen, dat scheelde qua transport. [verdachte 2] stuurde dat hij morgen bril zou zien.
Uit berichten van 8 september 2020 tussen [verdachte 2] en [verdachte 3] bleek dat zij elkaar ontmoet hadden. Diezelfde dag vroeg [verdachte 5] aan [verdachte 1] wat hij wilde, 75 kg boter of 75 liter laten opkloppen. [verdachte 1] antwoorde: “hij heeft 150 kilo nodig. Geel bril weet hoe”. Vervolgens stuurde [verdachte 1] het SkyECC-account van [verdachte 3] door naar [verdachte 5] , die daarop contact opnam met [verdachte 3] met de vraag: “wilde je A?”
Op 11 september 2020 vond over en weer overleg plaats tussen [verdachte 1] , [verdachte 5] en [verdachte 3] over de prijs van het opkloppen, hoe op te kloppen, de op te kloppen hoeveelheid olie en het al dan niet toevoegen van gele olie. Uiteindelijk stuurde [verdachte 3] aan [verdachte 5] dat ‘het’ na vacuüm trekken en afwassen in bakjes van 1 kilo geplaatst kon worden en in dozen van 10 tot 15 kilo maandag kon worden afgeleverd in Etten-Leur. Het tp was namelijk geregeld en stond klaar voor vertrek. [verdachte 5] stuurde dat het niet doorging omdat ‘oud’ niet wilde dat ‘hun’ gingen opkloppen. Hierop stuurde [verdachte 3] dat hij ‘oud’ ging mailen en nam direct contact op met [verdachte 1] .
Vervolgens hadden [verdachte 1] en [verdachte 3] over en weer contact over het risico van opkloppen. [verdachte 1] stuurde dat hij het niet wilde als ze geen garantie konden geven en stelde voor om olie van [verdachte 5] te gebruiken. [verdachte 3] wilde dit niet en ging zelf wel olie regelen. [verdachte 3] stuurde naar [verdachte 2] dat alles nu veranderd was, maar dat het in orde zou komen. Ze spraken af elkaar de volgende dag te zien. Intussen stuurde [verdachte 1] aan [verdachte 2] dat hij op moest passen met het laten opkloppen door anderen, omdat die er dan mee konden kloten.
Op 13 september 2020 had [verdachte 2] contact met het SkyECC-account VXXMIU. [verdachte 2] stuurde dat het TP klaar stond en ze alleen nog wachtten op het product. VXXMIU vroeg of er voor het inladen een heftruck nodig was. [verdachte 2] stuurde deze vraag door aan [verdachte 3] . Verder zei [verdachte 2] dat hij nu een groep had die in twee dagen 140 kon maken en invriezen en vroeg of [verdachte 3] het tp niet kon rekken. [verdachte 3] stuurde dat hij het tp wel wat zou geven om ze te behouden, maar dat ze nu eerst goede spullen moesten regelen.
Op 14 september 2020 stuurde [verdachte 2] naar [verdachte 3] dat de spullen nu werden gemaakt en het weekend klaar zouden zijn. Hij vroeg of [verdachte 3] zo snel mogelijk tp kon regelen. [verdachte 3] stuurde dat het tp dan zondag kon vertrekken en dinsdag in Spanje zou zijn. [verdachte 2] stuurde dit op zijn beurt door naar VXXMIU. [verdachte 2] stuurde dat het product van de beste kwaliteit nu werd gemaakt en zijn kant op kwam.
Op 15 september 2020 stuurde [verdachte 3] naar [verdachte 2] dat hij bij tp-man zat en dat hij een paar liters kon ophalen op het [adres 5] in Etten-Leur. Als [verdachte 2] daar heen zou komen, zouden ze alles kunnen bespreken.
Conclusie
Uit voornoemde chatberichten leidt de rechtbank af dat [verdachte 2] en [verdachte 3] samen het transport van 150 kilo ‘snelle’ naar Spanje organiseerden. Met ‘snelle’ wordt ook wel amfetamine bedoeld, behoudens contra-indicaties. Uit de context van de berichten over de processen die te maken hebben met de productie van synthetische drugs en de daarin gebruikte terminologie zoals vacuüm trekken, opkloppen en appelsapolie, leidt de rechtbank af dat werd gesproken over amfetaminepasta. Immers, indien amfetamineolie wordt gekristalliseerd, ook wel opkloppen genoemd, houdt men een pasta-achtige substantie over.
Rollen van [verdachte 3] en [verdachte 2]
[verdachte 3] en [verdachte 2] waren van het begin tot het einde samen betrokken bij het transport. [verdachte 3] stelde voor om het transport te regelen en [verdachte 2] ging hier op in. Ze voerden uitvoerig overleg met elkaar over de te nemen stappen, zowel op het gebied van het transport als over de productie van de amfetaminepasta. Ze bespraken kosten, opbrengsten en percentages en de benodigde grondstoffen voor het maken van een hoeveelheid van 150 kilogram amfetaminepasta. Ook hadden ze uitvoerig contact over de productieprocessen voor het produceren van amfetaminepasta en hadden daarvoor allebei contact met [verdachte 1] . Uit de berichten bleek dat [verdachte 2] in contact stond met de producent van de amfetaminepasta en [verdachte 3] in contact stond met de transporteur en een opklopper. Ze hielden elkaar op de hoogte van de vorderingen op hun eigen gebied om tot een succesvol transport te komen. [verdachte 2] had bovendien contact met de ontvanger van het eindproduct en stuurde vragen van die ontvanger door naar [verdachte 3] . Het enkele feit dat beiden op 16 september 2020 zijn aangehouden, maakt dat niet tot een geslaagd transport is gekomen.
De onderlinge verhoudingen en communicatie tussen [verdachte 2] en [verdachte 3] geven blijk van gelijkwaardigheid. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat voor [verdachte 2] en [verdachte 3] sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking en dus van medeplegen. De handelingen van [verdachte 2] en [verdachte 3] waren concreet en gericht op de uitvoer van 150 kilogram amfetaminepasta naar Spanje. Daarmee hebben zij samen voorbereidingshandelingen in het kader van de Opiumwet (lijst I) gepleegd.
Rollen van [verdachte 1] en [verdachte 5]
[verdachte 1] en [verdachte 5] werden door [verdachte 2] en [verdachte 3] benaderd voor informatie over het transport en productieproces van de amfetaminepasta. [verdachte 2] vroeg letterlijk aan [verdachte 1] wat hij van het transportvoorstel van [verdachte 3] vond. [verdachte 1] adviseerde [verdachte 2] over de kosten van het transport en over de productie van de amfetaminepasta en verwees hem hiervoor naar [verdachte 5] . [verdachte 3] en [verdachte 5] hadden uitvoerig contact over de te gebruiken olie, het opkloppen van die olie voor de productie van amfetaminepasta en door wie dit opkloppen moest gebeuren. Ook ten aanzien van [verdachte 1] is de rechtbank van oordeel dat sprake is van voldoende wettig en overtuigend bewijs voor het medeplegen van voorbereidingshandelingen in het kader van de Opiumwet.
De rechtbank zal dan ook ten aanzien van [verdachte 1] , [verdachte 2] en [verdachte 3] de voorbereidingshandelingen in het kader van de Opiumwet met betrekking tot amfetaminepasta bewezen verklaren.
5.5.3.4.35 B1 4.8.1.1.1 Handel ‘critical hasj’
Ter terechtzitting heeft de rechtbank het zaaksdossier 4.8.1.1.1 besproken met [verdachte 1] . De officieren van justitie hebben ter zake van dit zaaksdossier geen standpunt ingenomen. Zoals hiervoor overwogen acht de rechtbank in beginsel zaaksdossiers die niet op de bijlage van de tenlastelegging staan genoemd als niet ten laste gelegd. Dit zaaksdossier staat niet genoemd op de bijlage bij de tenlastelegging van [verdachte 1] en de tekst van de tenlastelegging is op dit punt onvoldoende bepaald. De rechtbank is dan ook van oordeel dat dit zaaksdossier niet aan [verdachte 1] ten laste is gelegd en zal zich niet buigen over de vraag of op grond van dit zaaksdossier strafbare feiten bewezen kunnen worden verklaard.
5.5.3.4.36 B1 4.8.1.2.3 Colombialijn
[verdachte 1] en [verdachte 18] worden er in dit zaaksdossier van verdacht dat zij voorbereidingshandelingen in het kader van de Opiumwet hebben gepleegd met betrekking tot het opzetten van een lijn voor het transport van verdovende middelen (lijst I) vanuit Colombia.
Chatberichten
De verdenkingen zijn gebaseerd op SkyECC-gesprekken in de periode van 7 januari 2020 tot en met 22 december 2020. Deze gesprekken vonden plaats in twee verschillende groepschats en tussen personen onderling.
Op 7 januari 2020 werd de groepschat genaamd ‘809066:34’ door het SkyECC-account 809D66 gestart. In deze groepschat zaten onder andere [betrokkene 3] en ene [betrokkene 48] en [betrokkene 49] . Uit de inhoud van de berichten blijkt dat [betrokkene 48] en [betrokkene 49] in Nederland de contactpersonen waren van het groente- en [fruitbedrijf] . Twee andere personen uit de groepschat zouden alles regelen in Colombia. Hiervoor diende het [bedrijf 10] certificaten te regelen voor een bedrijf in Santa Marta. In de groepschat werden door [betrokkene 3] schermafbeeldingen gestuurd van gesprekken met [verdachte 18] , die op zijn beurt contact had met [betrokkene 38] . Er werd door [betrokkene 38] geprobeerd een e-mail aan te vragen en hij koppelde dit terug naar [verdachte 18] . Uit de gesprekken bleek verder dat er over en weer SkyECC-accounts werden geregeld. Zo regelde ‘de zoon van ouwe’ voor [betrokkene 48] en [betrokkene 49] de verlenging van hun SkyECC-account.
Op 1 juli 2020 werd een nieuwe groepschat aangemaakt waarin [betrokkene 3] uitlegde dat hij SKY niet meer vertrouwde en niet alle informatie via SKY zou bespreken, maar namen, nummers of data via een ander systeem zou versturen. [betrokkene 3] sprak apart van de groepschat met [verdachte 18] en [verdachte 1] over het gebruiken van een andere B.V. en een bedrijf in Santa Marta waar facturen voor betaald moesten worden. Vervolgens koppelde [betrokkene 3] dit terug via de groepschat en stuurde hij het antwoord uit de groepschat weer naar [verdachte 1] .
Op 16 september 2020 stuurde [verdachte 18] naar [betrokkene 38] dat de ouwe was opgepakt en dat bijna de helft van de groep was opgepakt. Er waren in totaal 17 mensen opgepakt, waaronder de zoon van ouwe. Op 18 september 2020 stuurde [betrokkene 3] in de groepschat dat men het waarschijnlijk wel had gehoord, namelijk dat hun contactpersoon was opgepakt en het voor nu ophield met de groep.
[betrokkene 3] wilde zelf nog wel contact houden omdat hij misschien nog andere mensen kon vinden die interesse hadden in ‘dit verhaal’. Hij had mensen gesproken die vroegen welk bedrijf al werkte en stelde in de groepschat voor om dat bedrijf ‘zwanger te maken’. Het voordeel van zwanger maken was dat ze niet met een nieuw bedrijf hoefden te mailen. Vanuit de groepschat werd gestuurd dat ‘zwanger maken’ niet tot de opties behoorde.
Inleiding
Productie synthetische drugs, [locatie 2] te Leiden 91
5.5.3.4.24 B1 4.7.4.3.5 Handel blokken Valencia en B1 4.7.4.2.17 [verdachte 10] transport cocaïne 94
5.5.3.4.25 B1 4.7.4.3.6 Handel 14 kilo bruin Valencia 96
5.5.3.4.26 B1 4.7.4.3.9 Handel 2C-B 98
5.5.3.4.27 B1 4.7.4.3.10 [verdachte 2] als makelaar tp 99
5.5.3.4.28 B1 4.7.4.3.2 Productie synthetische drugs, locatie onbekend, B1 4.7.4.3.11 Handel apaan, B1 4.7.4.3.12 Handel apaan 99
5.5.3.4.29 B1 4.7.4.3.13 levering en handel ‘nepapaan’ 101
5.5.3.4.30 B1 4.7.4.3.16 handel wijnsteenzuur 102
5.5.3.4.31 B1 4.7.4.4.1 Gebruik, betalingen en verlengingen PGP’s 103
5.5.3.4.32 B1 4.7.4.4.2 Stash algemeen en B1 4.7.4.4.3 Stashauto’s 105
5.5.3.4.33 B1 4.7.4.4.4 Corruptie – betrokkenheid externen 106
5.5.3.4.34 B1 4.7.4.4.8 SkyECC berichten voorbereiding export amfetamine(pasta) 107
5.5.3.4.35 B1 4.8.1.1.1 Handel ‘critical hasj’ 110
5.5.3.4.36 B1 4.8.1.2.3 Colombialijn 110
5.5.3.4.37 B1 4.8.1.3.1 Handel wijnsteenzuur 111
5.5.3.5 Overige vrijspraken 112
5.5.4 B.3 Gewoontewitwassen (feit 4) 113
5.5.4.1 Juridische kaders witwassen, daderschap rechtspersoon en feitelijke leidinggeven 113
5.5.4.2 B.3 Financieel Inleiding 114
5.5.4.2.1 Financiële situatie van [verdachte 1] 115
5.5.4.2.2 [verdachte 1] als autohandelaar 117
5.5.4.2.3 Achtergrond, financiële situatie en rol van [verdachte 4] 118
5.5.4.2.4 Samenwerking tussen [verdachte 1] en [verdachte 4] 120
5.5.4.3 B3.1 Witwassen [bedrijf 1] 121
5.5.4.3.1 Zestien en/of 46 en/of vier door [verdachte 27] van [bedrijf 1] overgenomen voertuigen 123
5.5.4.3.2 Het startkapitaal van [betrokkene(n) 4] , [verdachte 27] en [verdachte 28] 126
5.5.4.4 Inleiding verdere beoordeling 128
5.5.4.4.4 Kwaliteit van de administratie van de [betrokkene(n) 4] / [verdachte 30] 134
5.5.4.4.5 Verhullingshandelingen binnen de [betrokkene(n) 4] / [verdachte 30] 136
5.5.4.4.6 (Ook) legale bedrijfsactiviteiten? 137
5.5.4.4.7 Wetenschap van [verdachte 4] 138
5.5.4.4.8 Feitelijke leidinggeven door [verdachte 1] 140
5.5.4.4.9 Daderschap rechtspersonen 141
5.5.4.5 B3.2 Witwassen [verdachte 27] en [verdachte 28] en B3.4 Witwassen [verdachte 32] 142
5.5.4.5.1 Witwassen voertuigen, twee boten, 24 horloges en twee geldbedragen 142
5.5.4.6 B3.3 Witwassen [verdachte 29] 149
5.5.4.6.1 B3.3.1 Pakket Roosendaal 149
5.5.4.6.1.1 Valsheid in geschrifte 149
5.5.4.6.1.2 [locatie's 1] te Roosendaal en [locatie's 2] te Roosendaal 154
5.5.4.6.2 B3.3.2 [locatie 3] 157
5.5.4.6.3 B3.3.3 [locatie 4] , B3.3.4 [locatie 5] Dongen, B3.3.5 [locatie 6] te Den Bosch en B5.15 Amigo S bestand 159
5.5.4.6.3.1 Geldigheid dagvaarding [verdachte 15] 160
5.5.4.6.3.2 Omvang van de tenlastelegging van [verdachte 1] , [verdachte 14] en [verdachte 15] met betrekking tot het Excel-bestand ‘vanamigostraat’ 160
5.5.4.6.3.3 Vrijspraak van [verdachte 4] met betrekking tot het Excel-bestand ‘vanamigostraat’ 160
5.5.4.6.3.4 [locatie 4] , [locatie 5] Dongen en [locatie 6] te Den Bosch 161
5.5.4.6.3.5 [verdachte 29] en het Amigo S bestand 169
5.5.4.6.3.6 [verdachte 15] € 51.500,-- 173
5.5.4.6.3.7 Wetenschap van [verdachte 14] 175
5.5.4.6.4 B3.3.6 [locatie 7] te Lijnden 176
5.5.4.6.5 B3.3.7 [locatie's 3] te Rhenen 181
5.5.4.6.6 B3.3.8 Panden [betrokkene 5] 183
5.5.4.6.6.1 [locatie 1] te Randwijk 183
5.5.4.6.6.2 [locatie 8] te Alphen 186
5.5.4.7 B3.5 Witwassen [bedrijf 2] 188
5.5.4.8 B3.6 Witwassen [bedrijf 3] 200
5.5.4.9 B3.7 Witwassen overig vastgoed Spanje 202
5.5.4.10 Gewoonte 207
5.5.5 B.2 Geweldsfeiten (feiten 6, 7 en 8) 207
5.5.5.1 B2.1 bedreiging mishandeling [betrokkene 6] en [betrokkene 7] 207
5.5.6 Voorhanden hebben vuurwapens (feit 9) 212
5.5.7 B5.2 Edobet (feit 10) 213
5.5.7.1 Ontvankelijkheid openbaar ministerie inzake [verdachte 1] 213
5.5.8 B.4 Criminele organisatie ex artikel 11b van de Opiumwet en 140 lid 3 Sr (feit 11) 214
5.5.9 B.4 Criminele organisatie witwassen en valsheid in geschrifte (feit 12) 221
5.5.10 B.4 Criminele organisatie geweld (feit 13) 226
5.5.11 Dagvaarding met parketnummer 13/217316-18 226
5.5.12 De bewezenverklaring 229
6. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde 230
7. De strafbaarheid van de verdachte 230
8. De strafoplegging 230
9. De inbeslaggenomen voorwerpen 233
10. De toepasselijke wetsartikelen 234
Dictum
In ruil daarvoor konden verdachten profiteren van zijn succesvolle drugshandel.
Luxe goederen
De opbrengsten werden volgens het Openbaar Ministerie witgewassen in luxe auto's, dure horloges, zonnebankstudio's en vastgoed in binnen- en buitenland. Om dit te verhullen werd een complexe constructie met meerdere bedrijfjes opgezet die in dienst stond van de criminele organisatie.
Zo zijn onder meer twee penthouses, een appartement en een villa in Spanje inbeslaggenomen, als ook verschillende (bedrijfs)panden in Nederland. Verder is er beslag gelegd op boten en tientallen dure horloges en auto's. Terwijl de verdachten vaak geen (noemenswaardige) legale bron van inkomsten hadden. Hun geld werd buiten het zicht van de instanties gehouden. "Nog nooit één gulden belasting betaald", vertelden ze elkaar trots. Belasting betalen is voor sukkels.
Zitting
De rechtbank in Den Haag zal vanaf 6 maart tot en met medio juli het dossier Taxus behandelen met de verdachten. In het najaar wordt een uitspraak verwacht.”
4.1.3
Het wettelijk kader
Het vermoeden van onschuld is neergelegd in art. 6 lid 2 EVRM, art. 14 lid 2 IVBPR en art. 48 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
Het tweede lid van art. 6 EVRM bepaalt dat een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, voor onschuldig wordt gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan. Deze bepaling vormt een bijzondere toepassing van het eerste lid, waarin het fair trial-beginsel is neergelegd. Een inbreuk op de onschuldpresumptie kan daarom, afhankelijk van de omstandigheden, ook een schending opleveren van het eerste lid van art. 6 EVRM.
Het vermoeden van onschuld is voorts neergelegd in de Richtlijn (EU) 2016/343 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn (hierna: de Richtlijn).
In de preambule bij de Richtlijn is opgenomen:
“(16) Het vermoeden van onschuld zou worden geschonden wanneer in openbare verklaringen van overheidsinstanties of in andere rechterlijke beslissingen dan die welke betrekking hebben op de vaststelling van schuld een verdachte of beklaagde als schuldig wordt aangeduid zolang zijn schuld niet in rechte is komen vast te staan. Dergelijke verklaringen en rechterlijke beslissingen mogen niet de mening weergeven dat deze persoon schuldig is.”
En voorts:
“(17) Onder „openbare verklaringen van overheidsinstanties” moet worden verstaan: elke verklaring waarin wordt verwezen naar een strafbaar feit, en die uitgaat van een instantie die betrokken is bij de strafrechtelijke procedure met betrekking tot dit strafbare feit — zoals de rechterlijke macht, politie en andere rechtshandhavingsinstanties — of van een andere overheidsinstantie, zoals ministers en andere gezagsdragers, met dien verstande dat dit geen afbreuk doet aan het nationale recht inzake immuniteiten.
(18) De verplichting om verdachten of beklaagden niet als schuldig aan te duiden, mag overheidsinstanties niet beletten informatie openbaar te maken over de strafprocedures wanneer dit strikt noodzakelijk is om redenen die verband houden met het strafrechtelijk onderzoek — zoals wanneer videomateriaal wordt vrijgegeven, en het publiek wordt opgeroepen om te helpen bij het identificeren van de vermeende dader van het strafbaar feit — of met het algemeen belang, zoals wanneer gegevens om veiligheidsredenen worden verstrekt aan de inwoners van een gebied dat is getroffen door een vermeend milieumisdrijf, of wanneer het Openbaar Ministerie of een andere bevoegde instantie objectieve informatie verschaft over de stand van de strafrechtelijke procedure om verstoring van de openbare orde te voorkomen. Het inroepen van dergelijke redenen moet beperkt blijven tot situaties waarin dit, gelet op alle belangen, redelijk en proportioneel zou zijn. In ieder geval mogen de wijze waarop en de context waarin de informatie wordt verspreid, niet de indruk wekken dat de persoon schuldig is alvorens zijn schuld in rechte is komen vast te staan.”
Art. 4, derde lid van de Richtlijn schrijft voor dat de voorlichtingstaak van het openbaar ministerie zich dient te beperken tot hetgeen “strikt noodzakelijk is om redenen die verband houden met het strafrechtelijk onderzoek of het algemeen belang”.
De aanwijzing voorlichting opsporing en vervolging van het openbaar ministerie (2020A004, iwtr. 01 september 2020 (hierna: de Aanwijzing) houdt in:
“Het openbaar ministerie en de opsporingsinstanties geven actief en gericht voorlichting over de aanpak en preventie van criminaliteit en over de strafrechtspleging. Hiermee informeren zij de samenleving over de manier waarop zij hun taken in het kader van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde uitvoeren en leggen zij daarover publiekelijk verantwoording af.
(…)
1.1
Als strafrechtelijke handhavers van de rechtsorde leveren het OM en de opsporingsinstanties een belangrijke bijdrage aan de maatschappelijke veiligheid. Via de media leggen zij publiekelijk verantwoording af door gericht en actief te communiceren over de aanpak en preventie van criminaliteit en over de ontwikkelingen in (concrete) onderzoeken en strafzaken (de strafrechtspleging). Hiermee voorzien zij de samenleving van de informatie die nodig is voor een goed publiek debat over de strafrechtspleging.(…)
Wanneer in communicatie over de strafrechtspleging tot een persoon herleidbare gegevens worden gebruikt, maakt publicatie daarvan inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van die persoon (artikel 8 EVRM, artikel 10 Grondwet). Een dergelijke inbreuk is ten behoeve van de openbaarheid over de strafrechtspleging toegestaan onder de voorwaarde dat daaraan een zorgvuldige belangenafweging is voorafgegaan. De vereisten van proportionaliteit, subsidiariteit en doelmatigheid zijn hierbij leidend.(…)
Het belang van voorlichting is groter naarmate de informatie relevanter is voor het publieke debat. Uitgangspunt blijft dat niet meer informatie wordt verstrekt dan noodzakelijk is voor het verwezenlijken van het belang dat is gediend met openbaarmaking.”
Het respecteren van de onschuldspresumptie wordt door de Richtlijn benoemd als een mee te wegen factor. Uitgangspunt is dat een rechtszaak niet in de media wordt gevoerd. Tevens is uitgangspunt dat vanaf het moment dat de dagvaarding is uitgebracht er een grotere terughoudendheid wordt betracht met betrekking tot inhoudelijke voorlichting over een zaak (2.2).
In het arrest Mucha vs Slowakije (EHRM 25-11-2021, ECLI:CE:ECHR:2021:1125JUD006370319 heeft het Europees hof overwogen:
“The Court reiterates that the principle of the presumption of innocence will be violated if a judicial decision or a statement made by a public official concerning a person charged with a criminal offence reflects an opinion that he or she is guilty before that person has actually been proved guilty under the law. A fundamental distinction must be made between a statement that someone is merely suspected of having committed a crime and a clear declaration, in the absence of a final conviction, that an individual has committed the crime in question.
Beoordeling
Doordat een volwaardige toetsing van de rechten van de verdachte niet mogelijk is, ontbreekt het aan effectieve rechtsbescherming ter zake grondrechten – zoals het recht op privacy zoals gewaarborgd door artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) – en is het recht op een eerlijk proces niet geëerbiedigd.
Het tweede rechtmatigheidsverweer ziet op de verkrijging van de Encrochat- en SkyECC-gegevens. De wijze van verkrijgen leidt volgens de verdediging tot de verplichting om alle gegevens van het bewijs uit te sluiten. De verdediging wijst er daarbij op dat alle gebruikers van Encrochat en SkyECC (ongedifferentieerd) zijn geraakt door de ‘hacks’ dan wel de “man in the middle”-aanvallen. Een dergelijke gegevensverzameling betreft, naar de definitie van het EHRM, bulkinterceptie. Er is daarmee sprake geweest van een zeer vergaande inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van een groot aantal ongedefinieerde personen. De verdediging wijst op het Big Brother Watch-arrest (EHRM (GK) 25 mei 2021, nrs. 58170/13, 62322/14 en 24960/15) en concludeert dat niet goed kan worden vastgesteld of aan de daarin weergegeven eisen is voldaan en dat dus geen sprake is van een deugdelijke toetsing door een rechter. Daardoor is sprake van schending van artikel 8 EVRM en daarmee artikel 6 EVRM.
Verder wijst de verdediging erop dat sprake is van schending van het Unierecht. De verkrijging en verwerking van de Encrochat en SkyECC- gegevens vallen onder de werkingssfeer van het Unierecht, in bijzonder Richtlijn 2016/680. Net als voor Richtlijn 2002/58 geldt dat bij de verkrijging van privacygevoelige informatie en van persoonsgegevens, voldaan moet worden aan het ‘evenredigheidsbeginsel’. Ook moet sprake zijn van proportionaliteit. Hierbij wijst de verdediging op het arrest van Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) van 10 april 2003, Steffensen, nr. C-276/01, ECLI:EU:C:2003:228, (ro. 75-77) waarin is geoordeeld dat een rechterlijke instantie die van oordeel is dat een partij niet in de gelegenheid is om doeltreffend commentaar te leveren op een bewijsmiddel dat betrekking heeft op een gebied waarvan de rechters geen kennis hebben en dat een doorslaggevende invloed kan hebben op de beoordeling van de feiten, moet vaststellen dat het recht op een eerlijk proces hierdoor wordt geschonden, en dat bewijsmiddel moet uitsluiten om die schending te voorkomen. De verdediging stelt dat aan beide voorwaarden van dit arrest is voldaan en acht bewijsuitsluiting dus verplicht.
De verdediging voert een derde rechtmatigheidsverweer voor wat betreft de verwerking van de gegevens. De verdediging wijst erop dat de Nederlandse wet niet voldoet aan de kwaliteitseisen die het Handvest EU en de Richtlijn 2016/680 stellen omdat geen wet bestaat voor de uitgevoerde verwerking van de ‘bulkdata’. Nu niet voldaan is aan het vereiste ‘voorzien bij wet’ ontbreekt een effectieve rechtsbescherming. Voor zover die waarborg zou kunnen worden gevonden in artikel 126uba Sv is de verdediging van mening dat een machtiging ex artikel 126uba Sv niet kan worden gebruikt. Zelfs als artikel 126uba Sv wel ziet op de verwerking van de gegevens, wijst de verdediging erop dat dit artikel wordt gebruikt ter verwerking van ‘bulkdata’, waaronder ook de gegevens van personen zonder enige verdenking. Dat mag niet.
De verdediging voert voorts aan dat de stukken uit 26Lemont en 26Argus naar het Taxusonderzoek zijn overgeheveld op grond van 126dd Sv. Dat mag ook niet. Immers, in artikel 126dd Sv staat art. 126uba Sv niet genoemd. Artikel 126dd Sv ziet echt niet op het delen van resultaten uit de ‘hacks’. Dit is dus de tweede schending van nationaal recht, ter zake de verwerking van de gegevens. Bovendien zijn de APN-gegevens in de SkyECC-zaken op een foutieve grondslag opgevraagd door het openbaar ministerie. De verdediging constateert daarom dat, naar nationaal recht, sprake is geweest van vormverzuimen in de zin van artikel 359a Sv. Volgens de verdediging is sprake van ernstige schendingen van strafvorderlijke voorschriften of rechtsbeginselen. Bewijsuitsluiting, subsidiair strafvermindering, wordt bepleit.
De verdediging voert ten slotte een betrouwbaarheidsverweer. De verdediging acht het, mede op basis van Europese jurisprudentie, onredelijk om van de verdediging te verwachten dat zij aanwijzingen voor de onbetrouwbaarheid aandragen. Het is, in de visie van de verdediging, juist het openbaar ministerie dat (als daartoe een verzoek komt) moet laten zien hoe het bewijsmateriaal zijn gang naar de rechtszaal heeft gevonden opdat de betrouwbaarheid kan worden getoetst en het bruikbaar kan worden gevonden voor het bewijs. Dat uitgangspunt geldt des te meer bij digitale gegevens. Dat heeft te maken met de onzichtbaarheid, kwetsbaarheid en veranderlijkheid (voor en door externe, natuurkundige factoren), volatiliteit en oneindige reproduceerbaarheid van digitaal bewijsmateriaal.
Verder wijst de verdediging erop dat, zowel voor de situatie van Encrochat als die van SkyECC, meer dan voldoende concrete aanwijzingen zijn dat de gebruikte gegevens niet (volledig) betrouwbaar zijn. De verdediging acht nader onderzoek geboden om na te gaan of de gegevens (chats) die er wél zijn, correct en juist zijn weergegeven. Om die reden doet de verdediging het verzoek om de PGP-gegevens niet voor het bewijs te gebruiken. Voornoemd onderzoek is ook geboden om na te kunnen gaan wat de omvang en mate van onvolledigheid van de Encrochat- en SkyECC-gegevens is. Zeker in situaties waarbij een grote hoeveelheid aan gegevens mist, is de vraag gerechtvaardigd wat dat betekent voor de gegevens die aan (het account van) de verdachte worden toegeschreven.
Het standpunt van het openbaar ministerie
Het openbaar ministerie betwist dat sprake is geweest van doelbewuste misleiding in de voorfase van het onderzoek.
Ten aanzien van de verkrijging van de Encrochat- en SkyECC-gegevens verwijst het openbaar ministerie naar de recente prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 13 juni 2023 (ECLI:NL:HR:2023:913). Hieruit volgt dat de verkrijging van de gegevens niet ter toetsing voorligt aan de rechtbank omdat het vertrouwensbeginsel van toepassing is, nu het onderzoek is uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van de Franse autoriteiten.
Ten aanzien van de interceptie van ‘bulkdata’ en de verhouding daarvan tot de Europese richtlijnen verwijst het openbaar ministerie eveneens naar voornoemde prejudiciële beslissing van de Hoge Raad, in het bijzonder de rechtsoverwegingen 6.26 en 6.27 en 7.3.4.
Ten aanzien van de gestelde onbetrouwbaarheid van de gegevens wijst het openbaar ministerie wederom op voornoemde beslissing. De Hoge Raad heeft daarin overwogen dat de betrouwbaarheid van de gegevens, verkregen uit het buitenland, in beginsel vaststaat. De betrouwbaarheid van de gegevens wordt volgens het openbaar ministerie nader onderbouwd door het NFI rapport. De [deskundige] heeft bovendien een verklaring afgelegd waaruit de betrouwbaarheid volgt. Het enkel stellen dat gegevens ‘fout’ of ‘onvolledig’ zijn, is naar de mening van het openbaar ministerie onvoldoende om tot een ander oordeel te komen.
Het openbaar ministerie concludeert ontvankelijk te zijn in de vervolging en betoogt dat de Encrochat- en SkyECC-gegevens die in het procesdossier aanwezig is voor het bewijs kunnen worden gebruikt.
Conclusie
Op 1 mei 2017 zei ‘ouwe ouwe’ dat hij bij De Lier was en daarna in het ziekenhuis bij zijn zus in Voorburg. In die periode lag de zus van [verdachte 1] in het ziekenhuis.
Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat [verdachte 1] de gebruiker is geweest van het PGP Safe-account ‘180cm37@pgpvipclub.com’.
Encrochat
Aan [verdachte 1] wordt het Encrochat-account ‘outdoorfeline’ toegeschreven.
[verdachte 1] heeft verklaard dat hij van dit Encrochat-account gebruik maakte. De rechtbank stelt daarmee vast dat [verdachte 1] de gebruiker is geweest van het Encrochat-account “outdoorfeline”.
SkyECC
Aan [verdachte 1] wordt het SkyECC-account ‘O12QLT’ toegeschreven.
[verdachte 1] heeft verklaard dat hij gebruik heeft gemaakt van de berichtendienst SkyECC.
Tijdens de doorzoeking van de woning van [verdachte 1] in Spanje is een telefoon aangetroffen met de SkyECC-applicatie. Deze mobiele telefoon heeft als IMEI- [nummer 1] . Uit de Sky ECC-(meta)data is gebleken dat het SkyECC-account ‘O12QLT’ gebruik heeft gemaakt van voornoemd IMEI-nummer.
Dit SkyECC-account maakte gebruik van de naam ‘ouwe’, een bijnaam van [verdachte 1] .
Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat [verdachte 1] de gebruiker is geweest van het Sky ECC-account ‘O12QLT”.
Ten aanzien van alle accounts
De berichten die met al deze accounts zijn verstuurd en ontvangen volgen logisch op elkaar en er is verder ook geen enkele aanwijzing dat deze accounts door meerdere personen werden gebruikt. Daarmee oordeelt de rechtbank dat alle berichten van en naar deze accounts van [verdachte 1] afkomstig en voor hem bestemd waren.
5.5.2.2 PGP-identificatie [verdachte 2]
Ennetcom
Aan [verdachte 2] wordt het Ennetcom-account 935v735886@ennetcom.com toegeschreven. Dit account zou hij in de periode van 13 maart 2013 tot en met 9 mei 2013 hebben gebruikt.
Uit het dossier volgt dat dit account bij een ander Ennetcom-account staat opgeslagen als ‘pik’. ‘Pik’ is een bijnaam van [verdachte 2] . Het account heeft op enig moment contact met iemand die staat opgeslagen als ‘jutter’. Zij voeren op 25 april 2013 gesprekken waaruit kan worden opgemaakt dat zij beiden op zoek zijn naar ‘ouwe’, de vader van ‘pik’. ‘Ouwe’ is een bijnaam voor [verdachte 1] , de vader van [verdachte 2] .
Door ‘pik’ en ‘jutter’ werden op 25 en 26 april 2013 verder gesprekken gevoerd over de aanhouding van ‘ouwe’. Op 25 april 2013 is [verdachte 1] aangehouden in Delft voor overtreding van de Opiumwet.
Op 28 april 2013 zegt ‘pik’ dat hij deze telefoon (met het account 935v735886@ennetcom.com) aan ‘ouwe’ gaat geven. Vanaf 9 mei 2013 staat het account in de telefoon van ‘jutter’ opgeslagen onder de naam ‘walter’. Dat is een andere bijnaam van [verdachte 1] .
Gelet op het vorenstaande stelt de rechtbank vast dat het Ennetcom-account 935v735886@ennetcom.com in de periode van 13 maart 2013 tot en met 8 mei 2013 toebehoorde aan [verdachte 2] . Nu er geen enkele aanwijzing is dat dit account gedurende deze periode door meerdere personen is gebruikt, oordeelt de rechtbank dat alle berichten van en naar dit account van [verdachte 2] afkomstig en voor hem bestemd waren.
Encrochat
Aan [verdachte 2] worden de Encrochat-accounts ’ancientpuppy’ en ‘infamousvest’ toegeschreven. [verdachte 2] heeft hier geen verklaring over af willen leggen.
Het account ‘ancientpuppy’ maakte gebruik van een mobiele telefoon met het IMEI- [nummer 2] . Dit IMEI-nummer was actief in de periode van 21 februari 2020 tot en met 15 mei 2020. Dit IMEI-nummer maakte in deze periode het vaakst verbinding met een basisstation aan [locatie 9] te Den Haag. De woning van [verdachte 2] aan de [locatie 10] in Den Haag valt binnen het bereik van dit basisstation. Het IMEI-nummer verplaatste zich ook tegelijk met de mobiele telefoon van [verdachte 2] met het [telefoonnnummer] .
Voor het account ‘infamousvest’ werd een mobiele telefoon gebruikt met het IMEI- [nummer 3] . Dit nummer was actief van 21 mei 2020 tot en met 12 juni 2020. Het basisstation aan [locatie 9] te Den Haag, waaronder ook de woning van [verdachte 2] valt, werd in die periode het meest aangestraald door het toestel.
Uit Encrochatgesprekken tussen ‘outdoorfeline’ (het Encrochat-account van [verdachte 1] ) en ‘inanimatemuffin’ (het Encrochat-account van [verdachte 10] ) volgt dat zij het over ‘pik’ hebben als zij het hebben over het account ‘ancientpuppy’. Tegen ‘secretram’ (het Encrochat-account van [verdachte 5] ) zegt ‘ancientpuppy’ zelf “dit is pik”.
Op 15 mei 2020 stuurt ‘ancientpuppy’ voorts een foto van de achterkant van een rijbewijs van [betrokkene 9] naar ‘secretram’ met de opmerking dat hij die persoon naar ‘secretram’ gaat brengen. Op die dag ziet het observatieteam dat [verdachte 2] en [betrokkene 9] vanaf de woning van [verdachte 2] in een auto vertrekken. Enige tijd later ziet het observatieteam dat [betrokkene 9] uit de auto van [verdachte 2] stapt en als bijrijder instapt bij [verdachte 5] .
Op 23 mei 2020 stuurde ‘inanimatemuffin’ de vraag: “wie?” naar Encrochat-gebruiker ‘infamousvest’. Deze laatste stuurde als antwoord ‘pik’. Vervolgens vroeg ‘inanimatemuffin’ of de oude mail weg kan. ‘infamousvest’ bevestigde dit.
Zowel het account van ‘ancientpuppy’ als ‘infamousvest’ zijn door anderen opgeslagen als ‘pik’. Het account ‘ancientpuppy’ staat ook opgeslagen als ‘slaapkop’ en het account ‘infamousvest’ als ‘zoon ouwe new’.
Gelet op het vorenstaande stelt de rechtbank vast dat [verdachte 2] gebruik maakte van het Encrochat-account ‘ancientpuppy’ in de periode van 21 februari 2020 tot en met 15 mei 2020 en van het Encrochat-account ‘infamousvest’ in de periode van 21 mei 2020 tot en met 12 juni 2020. De berichten die met deze accounts zijn verstuurd en ontvangen volgen logisch op elkaar en er is verder ook geen enkele aanwijzing dat deze accounts door meerdere personen werden gebruikt. Daarmee oordeelt de rechtbank dat alle berichten van en naar deze accounts van [verdachte 2] afkomstig en voor hem bestemd waren.
SkyECC
Aan [verdachte 2] wordt het SkyECC-account ‘4CA2E3’ toegeschreven. [verdachte 2] heeft hier geen verklaring voor gegeven.
Op 16 september 2020 is [verdachte 2] aangehouden in zijn woning aan de [locatie 10] te Den Haag. Deze woning is doorzocht. Tijdens deze doorzoeking werd een telefoon, een iPhone 7, aangetroffen. Op deze telefoon stond de SkyECC applicatie. Het SkyECC-account ‘4CA2E3’ maakte gebruik van deze telefoon. De bijnamen van het account ‘4CA2E3’ waren onder meer ‘pik’ en ‘zoon ouwe’. Zoals hiervoor al beschreven is een bijnaam van [verdachte 2] ‘pik’ en een bijnaam van zijn vader [verdachte 1] ‘ouwe’.
Gelet op vorenstaande stelt de rechtbank vast dat [verdachte 2] de gebruiker is geweest van het SkyECC-account ‘4CA2E3’. De berichten die met dit account zijn verstuurd volgen logisch op elkaar en er is verder ook geen enkele aanwijzing dat dit account door meerdere personen werd gebruikt.
Conclusie
Verder volgt uit een chatgesprek in de periode van 23 juni 2020 tot en met 25 juni 2020 tussen Sky-accounts ‘K617LO’ en ‘DK8UG2’ dat de gebruiker van ‘K617LO’ een werkgeversverklaring en een loonstrook naar de IND gaat sturen, waarop de burgerlijke staat ongehuwd staat vermeld, terwijl dit gehuwd moet zijn. Uit onderzoek bleek dat [verdachte 10] op 13 juli 2020 een ondertekende werkgeversverklaring en salarisstrook aan de IND heeft gestuurd waarop staat vermeld dat hij ongehuwd is. [verdachte 10] is gehuwd. De vrouw van [verdachte 10] , [betrokkene 13] , heeft de Turkse nationaliteit en beschikt over een verblijfsvergunning met als ingangsdatum 16 juni 2015. Deze verblijfsvergunning is met ingang van 14 juli 2020 verlengd tot 16 juni 2025.
Uit voorgaande volgt dat [verdachte 10] de gebruiker is geweest van SkyECC-account ‘K617LO’. De berichten die met dit account zijn verzonden, volgen logisch op elkaar en de rechtbank heeft geen enkele aanwijzing dat er meerdere personen gebruik hebben gemaakt van dit account. Voor het overige geldt hetzelfde als hiervoor is gerelateerd over het gebruik van het Encrochat-account. Daarmee oordeelt de rechtbank dat alle berichten van en naar dit account van [verdachte 10] afkomstig en voor hem bestemd waren.
5.5.2.6 PGP-identificatie [verdachte 7]
Encrochat
Aan [verdachte 7] wordt het Encrochat-account ‘bravelemur’ toegeschreven.
heeft gezwegen over het gebruik van dit account.
Het account ‘bravelemur’ werd gebruikt op een telefoon voorzien van het IMEI- [nummer 11] . Dit IMEI-nummer maakte het meest gebruik van het basisstation aan [locatie 19] te Den Haag. Onder dit basisstation valt de woning van de vriendin van [verdachte 7] , [betrokkene 14] , aan [locatie 20] in Den Haag.
Op 4 mei 2020 stuurde ‘bravelemur’ berichten aan [verdachte 1] waaruit kan volgen dat hij in Panama is geweest. In de periode vanaf 9 maart 2020 tot en met 13 maart 2020 maakte de telefoon met voormeld IMEI-nummer verbinding in Panama. Op 14 maart 2020 tussen 13.02 uur en 15.24 uur maakte het toestel verbinding in Spanje en op 14 maart 2020 vanaf 17.14 uur maakte het toestel verbinding in Nederland. Uit de vluchtgegevens van [verdachte 7] blijkt dat hij voor 14 maart 2020 een vlucht had geboekt van Madrid naar Amsterdam.
In de periode van januari 2020 tot en met maart 2020 straalde de telefoon voorts meerdere keren aan in het buitenland, waaronder Spanje. Uit de vluchtgegevens van [verdachte 7] volgt dat hij op een aantal van die momenten ook vluchten had geboekt van en naar Spanje.
Het account ‘bravelemur’ staat bovendien bij andere Encrochat-gebruikers onder andere opgeslagen als ‘Hassan’, ‘Malaga’, ‘Soef/Souf/Zoef’, ‘Leiden’ en ‘Marok’. Deze bijnamen kunnen allemaal verwijzen naar [verdachte 7] . Uit diverse gesprekken is immers gebleken dat de gebruiker van het account ‘bravelemur’ de Arabische taal spreekt en van Marokkaanse origine zou zijn. Ook zou hij regelmatig in Leiden verblijven, dan wel daar woonachtig zijn. Per 14 december 2015 is [verdachte 7] geëmigreerd naar Malaga in Spanje. Tot slot blijkt uit de berichten van ‘bravelemur’ dat hij zichzelf ‘Souf’ noemt. Uit OVC-gesprekken bij [betrokkene(n) 4] volgt dat [verdachte 4] [verdachte 7] ‘Souf’ noemt.
Gelet op het vorenstaande stelt de rechtbank vast dat [verdachte 7] de gebruiker is van het Encrochat-account ‘bravelemur’. De berichten die met dit account zijn ontvangen en verzonden, volgen logisch op elkaar en de rechtbank heeft geen enkele aanwijzing dat er meerdere personen gebruik hebben gemaakt van dit account. Daarmee oordeelt de rechtbank dat alle berichten van en naar dit account van [verdachte 7] afkomstig en voor hem bestemd waren.
SkyECC
Aan [verdachte 7] wordt het Sky ECC-account ‘5005A2’ toegeschreven. [verdachte 7] heeft gezwegen over het gebruik van dit account.
Zoals hiervoor beschreven was [verdachte 7] de gebruiker van het Encrochat-account ‘bravelemur’. Op 3 april 2020 en 18 mei 2020 vertelde [verdachte 7] via dit account aan verschillende personen dat zijn SkyECC-account ‘5005A2’ was.
Dit SkyECC-account maakte voorts gebruik van een Apple IPhone 6 met IMEI- [nummer 12] . Deze telefoon is op 16 september 2020 aangetroffen bij de doorzoeking van de verblijfplaats van [verdachte 7] .
Op grond hiervan stelt de rechtbank vast dat [verdachte 7] de gebruiker is geweest van het SkyECC-account ‘5005A2’. De berichten die met dit account zijn verzonden, volgen logisch op elkaar en de rechtbank heeft geen enkele aanwijzing dat er meerdere personen gebruik hebben gemaakt van dit account. Daarmee oordeelt de rechtbank dat alle berichten van [verdachte 7] afkomstig waren.
5.5.2.7 PGP-identificatie [verdachte 8]
Encrochat
Aan [verdachte 8] worden de Encrochat-accounts ‘sillyfly’ en ‘ithran’ toegeschreven.
heeft gezwegen over het gebruik van deze accounts.
Uit de gesprekken van ‘sillyfly’ bleek dat op 30 april 2020 een bericht was verstuurd naar ‘outdoorfeline’ ( [verdachte 1] ) "Ik heb nieuwe mail : ik heb je uitgenodigd: ithran". Vanaf het account ‘ithran’ werd voorts op 30 april 2020 een bericht verstuurd naar ‘limpbeta’ “Met Mo torrequebrada. die is mijn niuwe mail”. Hieruit volgt dat ‘sillyfly’ en ‘ithran’ opeenvolgende accounts zijn en dat deze door dezelfde persoon zijn gebruikt.
Het Encrochat-account ‘sillyfly’ maakte gebruik van een mobiele telefoon met het IMEI- [nummer 13] . De mobiele telefoon met dit IMEI-nummer was actief vanaf 1 december 2019 tot en met 1 mei 2020. In deze periode maakte de mobiele telefoon het vaakst verbinding met een viertal basisstations in Amsterdam. Het adres van [verdachte 8] , het [adres 1] Amsterdam ligt in de nabijheid van de vier aangestraalde basisstations.
Uit de berichten zoals verstuurd door ‘ithran’ blijkt deze uit Amsterdam en Benalmadena te komen, Spaans spreekt en zichzelf voorstelt als Mohamed en Mo Torrequebrada.
[verdachte 8] was woonachtig op het [adres 2] . Het [adres 2] te Benalmádena is gelegen in de wijk Torrequebrada. Daarnaast hebben diverse Encrochat-gebruikers Spaanstalige berichten naar ‘sillyfly’ en ‘ithran’ gestuurd. [verdachte 8] heeft ter zitting verklaard de Spaanse taal te spreken.
Voorts bleek dat andere Encrochat-gebruikers ‘sillyfly’ en ‘ithran’ hebben opgeslagen onder de namen: ‘Holandes’, ‘Kees’, ‘Kees 2’, ‘Amsterdam’, ‘Mo kees’, ‘Holandes Nuevo’, ‘Mokees’, ‘Mohamed Keiss’, ‘Ithiyar Neu’, ‘Kees Spanje’. Deze bijnamen kunnen verwijzen naar [verdachte 8] . Hij verbleef immers zowel in Spanje als in Nederland en uit een politieregistratie uit 2013 is gebleken dat [verdachte 8] als bijnaam ‘Kees’, Mo kees’ of een combinatie daarvan gebruikte.
Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat [verdachte 8] de gebruiker is geweest van de Encrochat-accounts ‘sillyfly’ en ‘ithran’. De berichten die met dit account zijn ontvangen en verzonden, volgen logisch op elkaar en de rechtbank heeft geen enkele aanwijzing dat er meerdere personen gebruik hebben gemaakt van dit account.
Conclusie
[betrokkene 20] verklaarde dat hij samen met [betrokkene 8] in gesprek ging met Walter bij een garage in de buurt van Eindhoven omdat hij een ingang in de haven nodig had om drugs te smokkelen. Walter zei dat hij toegang had in de havens Antwerpen of Rotterdam en dat hij 30% verlangde voor de toegang die hij verschafte. [betrokkene 20] verklaarde dat het voor iedereen bij het gesprek duidelijk was dat het om het smokkelen van cocaïne ging. Met het chatbericht dat Walter die week ervoor 300 stuks had verkocht voor 21,5 bedoelde hij dat Walter 300 kilogram cocaïne voor € 21.500,- per stuk had verkocht. Walter had [betrokkene 8] twee bedrijven aangeboden. Met het minimum van 300 werd een minimum van 300 kilogram cocaïne bedoeld zodat de kosten gedekt zouden worden. Met de tekst “Walter make this week 4.5 ton” werd bedoeld dat Walter 4.500 kilogram cocaïne had ontvangen. [betrokkene 20] verklaarde over de door de politie getoonde foto’s dat de persoon hem bekend voor kwam en dat dit Walter zou moeten zijn. Dit zelfde heeft [betrokkene 20] op grote lijnen later herhaald in zijn verhoor bij de rechters-commissarissen.
Notities
In de woning van [betrokkene 20] zijn handgeschreven notities aangetroffen waarop landen stonden geschreven die kennelijk correspondeerden met de begrippen die er achter stonden. Zo stond er onder meer “Intelligent -> Belgien”, “Biceletta -> Holanda”, “Pyasos -> Kolumbien”, “Intelligent -> B”, “Biceletta -> Ho” en “Pyasos -> Col”. [betrokkene 8] heeft daarover verklaard dat dit codes waren om aan te geven wel land werd bedoeld zodat dit in chatgesprekken niet herkenbaar was.
Telefoon [verdachte 1]
Op 30 januari 2017, 6 september 2017 en 4 oktober 2017 straalde de telefoon van [verdachte 1] een basisstation aan in Helmond.
Gaat dit over [verdachte 1] ?
[betrokkene 8] heeft verklaard dat Walter in werkelijkheid [verdachte 1] heet en hij heeft [verdachte 1] herkend op foto’s. Bovendien zei hij in een chatbericht tegen [betrokkene 20] dat de echte naam van Walter [verdachte 1] was.
Zoals eerder overwogen (zie: PGP-identificatie [verdachte 1] ) had [verdachte 18] het Encrochat-account van [verdachte 1] opgeslagen als ‘Walter’. [verdachte 2] had over zijn Ennetcom-account gezegd dat hij deze aan zijn vader zou gaan geven, waarna de accountnaam veranderde van ‘Pik’ naar ‘Walter’. Hieruit volgt dat [verdachte 1] door meerdere personen Walter werd genoemd.
Uit de chatberichten en de verklaringen van [betrokkene 8] en [betrokkene 20] volgt voorts dat [betrokkene 8] op drie momenten met Walter heeft gesproken, te weten op 30 januari 2017, op 6 september 2017 en op 4 oktober 2017, waarvan de eerste keer met [betrokkene 20] . Deze gesprekken zouden hebben plaatsgevonden bij [autobedrijf] in Helmond. Op deze dagen straalde de telefoon van [verdachte 1] het basisstation aan waaronder het autobedrijf ook onder valt.
De rechtbank stelt op grond van het vorenstaande vast dat [betrokkene 8] en [betrokkene 20] [verdachte 1] bedoelden toen zij spraken over “Walter”.
Cocaïne?
In de chatgesprekken tussen [betrokkene 8] en [betrokkene 20] werd steeds gerefereerd aan het getal 25. [betrokkene 8] heeft verklaard dat met 25 cocaïne werd bedoeld. Beiden hebben verklaard dat in deze gesprekken werd gesproken over cocaïne. Uit de gesprekken volgt ook dat [verdachte 1] 1.000 stuks had verkocht voor € 25.000,- per kilogram. Dit komt overeen met de toen gangbare prijs van een kilogram cocaïne. Gelet hierop concludeert de rechtbank dat tijdens de ontmoetingen en in de chatgesprekken werd gesproken over de handel in cocaïne.
Naar Nederland en/of België?
[betrokkene 8] heeft verklaard dat met “Bici” Nederland werd bedoeld en dat met “Intelligent” België werd aangeduid. Gelet hierop in samenhang met de verstuurde chatberichten stelt de rechtbank vast dat het de bedoeling was om cocaïne te verzenden naar Nederland en België.
Tussenconclusie
Gelet op het vorenstaande stelt de rechtbank vast dat gedurende een periode van negen maanden tijdens de ontmoetingen tussen [verdachte 1] en [betrokkene 8] , waarvan eenmaal ook met [betrokkene 20] , en in de chatgesprekken tussen deze laatsten twee werd gesproken over de mogelijkheid van cocaïnetransporten vanuit Zuid-Amerika naar Nederland of België. Ook leidt de rechtbank hieruit af dat [betrokkene 20] en [betrokkene 8] bespraken dat [verdachte 1] in de week voor 4 oktober 2017 4,5 ton cocaïne had binnengebracht in Nederland.
Onderzoek Rosasiet
Het onderzoek Rosasiet is een Nederlands opsporingsonderzoek waarin vertrouwelijke communicatie werd opgenomen tussen onder andere [betrokkene 23] en [betrokkene 1] . Een bijnaam van [betrokkene 1] was onder andere ‘Baca’. Uit dit onderzoek is informatie ter beschikking gesteld aan het onderzoek Taxus.
Op 13 oktober 2017 had [betrokkene 23] een gesprek met een onbekend gebleven persoon die “Maloku” werd genoemd, waarschijnlijk de neef van [betrokkene 23] , [betrokkene 24] . Zij spraken over “Baca” en “ [verdachte 1] ” en “4.600 broden”. [betrokkene 23] en Maloku spraken erover dat Baca en [verdachte 1] 4.600 broden hadden ingevoerd en dat Baca € 3.500.000,- aan [verdachte 1] had betaald voor de uitvoer bij de douane. Zij spraken verder over hoe machtig Baca was en dat hij met invoer veel geld verdiende. Vervolgens zei Maloku dat Baca hem had gezworen op zijn zoon dat “hij” het voor € 25.750,- aan een bekende van de hand had gedaan en dat een Engelsman 1.000 broden kwam ophalen en daar contant voor betaalde. [betrokkene 23] zei daarop “dan zou het 25.000.000 handje contantje zijn” en dat die oude man veel geld moet hebben. De afgelopen drie jaren zouden Baca en [verdachte 1] structureel hebben gewerkt en wel tot 7.000 kilogram hebben ingevoerd vanuit Colombia.
Op 25 oktober 2017 hadden [betrokkene 23] en [betrokkene 1] een gesprek over “de oude”, een vriend van [betrokkene 1] . [betrokkene 1] vertelde dat die vriend hem in zijn huis in Spanje liet verblijven en ook hier in Nederland zijn huis ter beschikking stelde en dat [betrokkene 1] hem een auto cadeau had gegeven. [betrokkene 1] vertelde dat toen hij bij die vriend in Spanje was, de directeur van de douane bij zijn villa kwam en dat hij daardoor een zekerheid, een garantie, had om 4.600 broden in te voeren. [betrokkene 23] zei over die vriend dat ze een grote partij hadden en [betrokkene 1] zei daarop dat ze sowieso niet minder doen dan 2.000, maar dat het dit keer 4.600 was. [betrokkene 1] vertelde dat zijn vriend een kalm en rustig type was, dat hij aan hem vroeg “hoeveel komen er?” en dat die vriend antwoordde “4600” en daar heel rustig onder bleef. [betrokkene 1] zei dat ze het perfect georganiseerd hadden.
Verklaring [verdachte 1]
heeft ter terechtzitting verklaard dat [betrokkene 1] enige tijd heeft verbleven in zijn woning aan [locatie 6] in Den Bosch en dat hij een Mercedes-Benz Brabus als bedankje had gekregen van hem.
Gaat dit over [verdachte 1] ?
[betrokkene 1] was een vriend van [verdachte 1] . [betrokkene 1] zei in het gesprek van 25 oktober 2017 onder meer dat de vriend waar hij over sprak hem liet verblijven in zijn woning in Nederland en dat hij hem een auto cadeau had gedaan. [verdachte 1] heeft dit ook verklaard.
Beoordeling
De verdenking bestaat dat [verdachte 8] en [verdachte 1] aan deze personen gegevens en informatie hebben verstrekt over:
- Nederlandse, Spaanse en Colombiaanse bedrijven voor het bestellen en organiseren van transporten;
- het overmaken en ontvangen van geld in Spanje en het doen van betalingen aan deze personen;
- (voorbereidingen voor) de wijze van transport vanuit Panama;
- het plannen van het tijdstip en de bestemming van de eerste zending (havens in Spanje);
- de hoeveelheid cocaïne die in de eerste zending (honderden kilo's cocaïne) en volgende zendingen (veel grotere hoeveelheden) vervoerd zou worden;
- de investeringen van [verdachte 1] in de transportlijn; het regelen van
transportdocumenten en de levering van PGP-telefoons door [verdachte 1] .
Vermoedelijk hebben [verdachte 8] en [verdachte 1] ook een contante borgsom betaald
aan bovengenoemde ambtenaar om hem te overtuigen mee te werken aan het transport van cocaïne naar Spanje en is er een telefoon verstrekt aan deze ambtenaar.
De Spaanse onderzoeksrechter heeft het verzoek tot overlevering integraal toegewezen en geen enkele overweging opgenomen waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de toestemming niet is verleend voor alle verdenkingen. Dat in het dictum alleen de drie door de raadsman genoemde omschrijvingen staan genoemd is daarvoor onvoldoende. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman.
Betrouwbaarheid van de Spaanse onderzoeksbevindingen
Op 11 oktober 2022 hebben de officieren van justitie per brief aan de verdediging en de rechtbank kenbaar gemaakt dat zij op 24 september 2020 hadden vernomen dat de Spaanse hoofdinspecteur [betrokkene 26] in Spanje was aangehouden. Op 23 augustus 2022 hebben zij vernomen dat [betrokkene 26] in het onderzoek Taxus als hoofdinspecteur CP78.812 (hierna: de hoofdinspecteur) staat genoemd. Op 4 oktober 2022 hebben de officieren van justitie aanvullende informatie van de onderzoeksrechter in Spanje ontvangen, inhoudende dat de hoofdinspecteur op 7 november 2019 is aangehouden en dat hij verdacht wordt van deelname aan een criminele organisatie en ambtelijke corruptie. Door de hoofdinspecteur zijn in totaal 19 ambtsberichten opgesteld in het onderzoek Taxus.
Naar aanleiding van deze informatie heeft de rechtbank aanvullende informatie laten opvragen bij de Spaanse onderzoeksrechter, namelijk of - naast de hoofdinspecteur - nog meer opsporingsambtenaren die betrokken zijn geweest bij het JIT inzake het onderzoek Taxus verdacht werden van strafbare feiten en zo ja, welke handelingen zij binnen het onderzoek Taxus hebben verricht. Hierop is een reactie ontvangen dat nog een opsporingsambtenaar verdacht werd van strafbare feiten, te weten [betrokkene 27] (met nummer 109.225). Hij is in het onderzoek Taxus betrokken geweest bij drie observaties, in samenwerking met andere agenten.
Standpunt van het openbaar ministerie
De officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat het bewijs uit het zaaksdossier Spanje in feite draait om vijf Spaanse ambtshandelingen waarin voornamelijk gerelateerd wordt over bevindingen in de periode van 13 maart 2018 tot en met 15 oktober 2018 in Spanje van een Spaanse undercoveragent die zich voordeed als douanier en vier verklaringen van die undercoveragent bij de rechters-commissarissen. Het openbaar ministerie vindt die Spaanse ambtshandelingen bruikbaar en betrouwbaar, omdat ze op alle belangrijke punten worden ondersteund door de verklaringen van de undercoveragent bij de rechters-commissarissen. Bovendien vinden deze bevindingen steun in door onderzoeks-informatie uit het onderzoek Pollino en overige bevindingen in de zaak Taxus zelf. Bovendien vinden ze deels ondersteuning in de verklaringen van de verdachten.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft aangevoerd dat het gehele Spaanse onderzoek niet voor het bewijs kan worden gebruikt.
Daarbij is allereerst gewezen op het gegeven dat opsporingsambtenaren betrokken waren die zelf van ernstige strafbare feiten worden verdacht. Volledige openheid daarover is niet gegeven door de Spaanse autoriteiten. Verder heeft de verdediging aangevoerd dat de jarenlange inzet van de undercoveragent niet voldoet aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit en dat het zorgelijk is dat de Spaanse autoriteiten voortdurend hebben ingestemd met een verlenging van een undercoveractie die zich aan elke vorm van toetsing en controle heeft onttrokken. Voorts was de verslaglegging van de UCA gebrekkig. De UCA heeft een aantal malen aantoonbaar de waarheid verdraaid. Verder heeft de verdediging aangevoerd dat de verklaring van de UCA niet kan worden geverifieerd omdat [betrokkene 25] niet is gehoord als getuige.
Beoordeling
Gelet op al het voorgaande verklaart de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte 1] en [verdachte 8] voorbereidingshandelingen hebben gepleegd om cocaïne in te voeren vanuit Zuid-Amerika naar Spanje.
Omkoping ambtenaar
Uit de bewijsmiddelen volgt dat [betrokkene 25] de UCA € 50.000,- heeft overhandigd namens de organisatie van [verdachte 1] . De rechtbank kan niet vaststellen wie dat namens de organisatie van [verdachte 1] daadwerkelijk aan [betrokkene 25] heeft overhandigd. De aankondiging van de betaling werd evenwel gedaan door [verdachte 1] tijdens de bijeenkomst waarbij ook [verdachte 8] aanwezig was. Vier dagen later bevestigde [betrokkene 25] aan de UCA via de PGP-telefoon dat hij dit onderwerp met [verdachte 8] had besproken en dat deze het geld kwam brengen waarover was gesproken. Na betaling van het geldbedrag vond wederom een ontmoeting plaats om verder te praten over de invoer van cocaïne van Zuid-Amerika naar Spanje. De UCA heeft dit geldbedrag na ontvangst aan zijn superieuren overhandigd. De UCA heeft dan ook geen enkele reden gehad om over de ontvangst van dit bedrag te liegen.
De rechtbank stelt op basis hiervan vast dat namens [verdachte 1] en [verdachte 8] een bedrag van € 50.000,- aan de UCA is betaald. Ook volgt uit zijn verklaring dat hij meerdere PGP-telefoons heeft gekregen.
Artikel 177 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) stelt strafbaar het geven van een gift, een belofte of het verlenen van een dienst aan een ambtenaar met het oogmerk om hem te bewegen in zijn bediening iets te doen of na te laten. De rechtbank overweegt dat uit deze delictsomschrijving volgt dat het onderdeel “ambtenaar” een geobjectiveerd bestanddeel is. De UCA was werkzaam als politieambtenaar. Hij is derhalve een ambtenaar zoals bedoeld in artikel 177 Sr en aan dat bestanddeel is dus voldaan. Het oogmerk van de verdachten moest gericht zijn op het “in zijn bediening iets doen of nalaten”. Het doel van [verdachte 1] en [verdachte 8] was gericht om de douaneambtenaar containers met verdovende middelen voor hen door te laten in de havens zonder dat deze aan controles zouden worden onderworpen. Hun oogmerk was dus gericht op de handelingen van de douaneambtenaar en aldus is ook aan dat bestanddeel voldaan. Daarvoor is niet relevant dat de UCA in werkelijkheid een politieambtenaar was en zijn functie hem niet in staat stelde deze handelingen te verrichten.
De rechtbank verklaart wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte 1] en [verdachte 8] ten behoeve van de invoer van cocaïne vanuit Zuid-Amerika naar Spanje een ambtenaar hebben omgekocht door hem € 50.000,- en meerdere PGP-telefoons te overhandigen.
[verdachte 2]
Ten aanzien van de rol van [verdachte 2] bij dit zaaksdossier verwijst de rechtbank naar hetgeen hierover ten aanzien van de verdenking van zijn deelname aan een criminele organisatie zal worden overwogen.
Voorwaardelijk verzoek
Met betrekking tot het voorwaardelijk verzoek tot het horen van [betrokkene 25] overweegt de rechtbank dat het verzoek tot het horen van deze getuige reeds eerder is toegewezen door de rechtbank. De rechters-commissarissen hebben meerdere keren contact gehad met de Spaanse autoriteiten over de mogelijkheid om deze getuige te horen, echter is dit niet gelukt. Gelet op de bevindingen van de rechters-commissarissen hierover is de rechtbank met hen van oordeel dat het niet te verwachten is dat de getuige binnen een aanzienbare termijn kan worden gehoord. De rechtbank ziet ook geen nieuwe aanknopingspunten om nogmaals onderzoek te laten verrichten naar de verblijfplaats van deze getuige. De rechtbank wijst het voorwaardelijk verzoek dan ook af.
5.5.3.4.3 B1.5 11.000 kilogram hasj Marokko – België
Aan [verdachte 1] , [verdachte 5] , [verdachte 8] en [verdachte 3] is ten laste gelegd dat zij in de periode van 12 april 2020 tot en met 1 juni 2020 een partij hasj van in totaal 11.470 kilogram (of een deel daarvan) hebben ingevoerd.
Aan [verdachte 2] is dit zaaksdossier, gelet op de bijlage bij de tenlastelegging, alleen ten laste gelegd onder feit 2, te weten deelname aan een criminele organisatie die als oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in de artikelen 10, 10a en 11 van de Opiumwet.
Chatberichten en onderzoeksresultaten Belgische politie
Op 18 mei 2020 werd op de ochtendmarkt gelegen aan de [adres 4] te Brussel een hoeveelheid van 11.470 kilogram hasj door de Belgische autoriteiten in beslag genomen. De partij hasj werd aangetroffen in een container met het nummer CGMU4976740, dat per vrachtschip op 2 mei 2020 vanuit Casablanca (Marokko) was vertrokken in de richting van Antwerpen (België). Op 15 mei 2020 was voornoemde container op Terminal ATO kaai 364 te Antwerpen gearriveerd en op 18 mei 2020 per vrachtwagen naar Brussel vervoerd.
Uit de chatberichten die gevoerd werden tussen 12 april 2020 en 1 juni 2020 leidt de rechtbank het volgende af.
[verdachte 8] was op de hoogte van een transport van een container met verdovende middelen en sprak hierover met diverse personen. [verdachte 8] en [verdachte 1] hadden veelvuldig contact met elkaar over de voortgang van het transport. [verdachte 8] sprak in dit verband over “het voorbereiden vanuit casa belgie”, “deze dagen gaan de spullen richting casa” en “het aanpakken van spullen in belgie”. Daarnaast werd gesproken over “de eerste stap is goed gegaan”, “hij door de scan is” en “denk cont morgen vertrekt is door scan heen dat is goed gegaan.” [verdachte 1] stelde op zijn beurt [verdachte 5] en [verdachte 2] op de hoogte van die voortgang.
[verdachte 1] en [verdachte 5] spraken in dit verband over ‘onze spullen’. [verdachte 5] vroeg aan [verdachte 1] hoeveel er van ‘ons’ op zat, waarop [verdachte 1] antwoordde: “750 is 2550 750 dure strepen aan allebei de kanten. Zit 850 vn ons op 250 dure en 600 goedkope.” Verder benaderde [verdachte 1] onder andere [verdachte 2] , [verdachte 3] en [verdachte 5] voor het ‘aanpakken’ van de partij verdovende middelen. [verdachte 2] vroeg aan [verdachte 1] wat hij moest doen, waarop [verdachte 1] antwoordde dat [verdachte 2] “bril moet ophalen” en dat “hij met kuifje en lange moet aanpakken”. Zoals eerder beschreven bij het onderdeel PGP-identificatie was ‘bril’ een bijnaam van [verdachte 3] en ‘kuifje’ een bijnaam van [verdachte 5] . [verdachte 3] berichtte [verdachte 1] ook of de hasj al was vertrokken en of hij wat transport kon regelen. Ter terechtzitting heeft [verdachte 3] verder verklaard dat hij samen met [verdachte 2] de partij hasj in Nederland voor [verdachte 1] moest aanpakken.
Daarnaast benaderde [verdachte 1] [verdachte 6] om een (ander) gedeelte van de totale partij, te weten 5100 kilogram, richting Zweden te vervoeren.
Op 10 mei 2020 had [verdachte 8] contact met het account ‘saggystork@encrochat.com’ en stuurde een afbeelding van een adres in Brussel. Dit betrof hetzelfde adres waar de partij van 11.470 kilogram hasj op 18 mei 2020 door de Belgische autoriteiten was onderschept. [verdachte 8] stuurde daarbij dat de ophaal “binnen de markt zal gebeuren”. Op 12 mei 2020 stuurde [verdachte 1] dezelfde afbeelding met het adres naar [verdachte 2] .
Daarnaast berichtte [verdachte 1] vanaf 18 mei 2020 diverse personen over een gepakte partij cannabis.
Conclusie
Zijn vraag was concreet gericht op de daadwerkelijke aankoop van de A-olie en aldus is wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte 6] samen met een ander voorbereidingshandelingen heeft gepleegd in de zin van de Opiumwet.
In één ander chatgesprek werd tussen [betrokkene 31] en [verdachte 6] gesproken over het sturen van “m en a dit weekend”. Dit is naar het oordeel van de rechtbank te weinig om te duiden wat hier wordt bedoeld en levert dit chatgesprek geen concrete voorbereidingshandeling op.
Grondstoffen: azijnzuuranhydride (water), caustic soda, vloeibaar waterstofgas en zoutzuur
[betrokkene 31] , [verdachte 6] en [verdachte 1]
Uit de chatberichten tussen [betrokkene 31] en [verdachte 6] blijkt voorts van een intensief contact tussen beiden over onder meer drie transporten azijnzuuranhydride naar Turkije in de periode van 20 tot en met 28 april 2017. Deze grondstof, ook aangeduid als “water”, wordt gebruikt voor de productie van BMK. Dat ze dit ook daarvoor wilde gaan gebruiken vindt bevestiging in het gegeven dat in dezelfde gesprekken en context over apaan wordt gesproken, eveneens een grondstof voor BMK.
Deze berichten leveren concrete handelingen op die gericht waren op de uitvoer van grondstoffen voor de productie van BMK en aldus heeft [verdachte 6] samen met een ander voorbereidingshandelingen gepleegd in de zin van de Opiumwet (lijst I) .
De chatgesprekken tussen [betrokkene 31] en ‘Baba’ waarin [betrokkene 31] aangeeft niks te doen zonder toestemming van “die ouwe” is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende voor concrete betrokkenheid van [verdachte 1] bij dit transport. Dit geldt eveneens voor het gesprek tussen [betrokkene 31] en ‘Baba’ over “4 water” waarvoor al dan niet toestemming zou zijn gekregen. [verdachte 1] zal dan ook van dit onderdeel van dit zaaksdossier worden vrijgesproken.
[betrokkene 31] en [verdachte 3]
Uit de chatberichten blijkt verder dat [betrokkene 31] op 20 april 2017 aan [verdachte 3] vroeg of hij nog “caustik”, “ZZ”, “calsium” of “borit” nodig had. [verdachte 3] antwoordde dat hij alleen caustic soda nodig had. Hij bestelde deze bij [betrokkene 31] . [betrokkene 31] informeerde op zijn beurt bij [verdachte 6] naar “500 caustik”. [verdachte 6] verwees [betrokkene 31] door naar “ [betrokkene 32] ”. Via hem regelde [betrokkene 31] dat [verdachte 3] 750 “caustik” kon ophalen in Breda. Dit heeft hij op 26 april 2017 gedaan.
Uit de context van deze gesprekken waarin onder meer werd gesproken over “pudding afmaken naar B” en “base olie klaar staan om te kristalieseren” leidt de rechtbank af dat de caustic soda bedoeld was voor de productie van (meth)amfetamine.
Uit het chatgesprek van 2 mei 2017 tussen [verdachte 3] en [betrokkene 31] blijkt dat [verdachte 3] ook een grote partij zoutzuur had en bezig was “P” en “B” weg te werken. Ook dit duidt op de productie van amfetamine.
Aldus heeft [verdachte 3] concrete handelingen verricht die waren gericht op het produceren van (meth)amfetamine en acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat hij samen met anderen voorbereidingshandelingen heeft gepleegd in de zin van de Opiumwet (lijst I). Dat het zoutzuur bedoeld zou zijn voor het ontroesten van landbouwmachines, zoals door [verdachte 3] ter terechtzitting is verklaard, acht de rechtbank ongeloofwaardig gelet op de context van het gesprek en de besproken hoeveelheden.
Het enige chatgesprek waarin waterstofgas wordt genoemd bevat – ook in de context – te weinig informatie om conclusies uit te kunnen trekken.
Productie/aanwezig hebben mdma/(meth)amfetamine
[verdachte 1] en [verdachte 6]
Voor het medeplegen van de productie van synthetische drugs bevat deze zaaksparagraaf voor [verdachte 1] en [verdachte 6] onvoldoende aanwijzingen en zij zullen van dit onderdeel van dit zaaksdossier worden vrijgesproken.
[verdachte 3]
Uit de chatgesprekken tussen [verdachte 3] en [betrokkene 31] blijkt dat [verdachte 3] in de periode van 24 april 2017 tot en met 2 mei 2017 aanzienlijke hoeveelheden caustic soda en zoutzuur nodig had. Ook sprak hij over het verder gaan “met die ap” en het “wegwerken van P en B” en schreef hij aan [betrokkene 31] : “maar heb zelf ook mijn eigen spullen maat ik ben op 7 locaties bezig” Deze middelen passen bij de productie van (meth)amfetamine. Deze middelen zijn niet bekend bij de productie van ‘miauw miauw’, oftewel mefedron, zodat het verweer van de raadsvrouw het ging om de productie van mefedron wordt verworpen. Gelet op al het voorgaande stelt de rechtbank vast dat [verdachte 3] bezig was met de productie van MDMA en/of (meth)amfetamine.
Voor de verklaring van [verdachte 3] dat het zou gaan om locaties waar hij van boeren ingekochte spullen opknapte, zoals hij ter terechtzitting verklaarde, vindt de rechtbank geen enkel aanknopingspunt in de berichten en acht de rechtbank ook ongeloofwaardig in het licht van de door [verdachte 3] gebruikte termen en zijn contacten. Daarbij voerde [verdachte 3] deze gesprekken met een PGP-telefoon.
De rechtbank acht gelet op het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte 3] in de periode van 24 april 2017 tot en met 2 mei 2017 in Nederland heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of (meth)amfetamine.
5.5.3.4.7 B1 4.7.4.1.3 Voorbereiding uitvoer Noorwegen - vliegtuigje
Aan [verdachte 1] en [verdachte 3] zijn voorbereidingshandelingen in het kader van de Opiumwet (lijst I) ten laste gelegd met betrekking tot het vervoer van verdovende middelen naar Noorwegen.
Chatberichten
Uit de chatberichten leidt de rechtbank het volgende af.
[verdachte 3] ontving een bericht van de Encrochat-gebruiker Stylishfalcon dat hij een oplossing had voor “tp norway”. Stylishfalcon had een vliegtuigje waarin ‘300’ kon en die in België geladen kon worden. [verdachte 3] berichtte daarop aan [verdachte 1] over de mogelijkheid van een transport per vliegtuig van 300 kilogram verdovende middelen. [verdachte 3] vroeg aan [verdachte 1] of hij klanten had in Noorwegen, niet voor takken, maar voor hash, blokken of wat dan ook, waarop [verdachte 1] antwoordde: “ja hwb ik”.
[verdachte 3] stuurde hierop dat de transporteur een transportmogelijkheid had en blokken, maar geen klanten. De transporteur wilde 100 blokken meegeven en dan konden zij er nog 200 meegeven. Vervolgens stuurde Stylishfalcon “Je kan meevliegen” en dat er in Brasschaat geladen kon worden. Deze informatie stuurde [verdachte 3] door aan [verdachte 1] en voegde eraan toe dat het bij hem in de buurt was en dat het echt top was. [verdachte 1] stuurde hierop: “eerst goed gaan”.
Tussendoor vroeg [verdachte 3] ook aan de Encrochat-gebruiker Firstsatin of hij een klant had in Noorwegen, want [verdachte 3] had een mooi transport naar Noorwegen, niet voor takken maar wel voor hash en de rest. Hij zou later de details geven.
Beoordeling
was en dat als [verdachte 1] het niet vertrouwde ze de eerste keer M konden doen. [verdachte 1] chatte daarop dat hij het niet vertrouwde omdat de firma geen historie had. [betrokkene 37] bleef erop hameren dat ze toch M konden doen. [verdachte 1] chatte daarop dat het niks was als er niet al eerder import is geweest. [betrokkene 37] chatte nog: “maar mocht er twijfel zijn laten we afwachten hoe die lege aankomt en dan sturen M.” [verdachte 1] reageerde daarop met het bericht: “ik denk het niet ik heb bij mijn streep gevraagd”. [betrokkene 37] chatte toen nog naar een ander dat het hem niet ging worden en dat het [verdachte 1] blijkbaar niet om het geld ging, maar hij wilde de mensen in Porto niet in de problemen brengen.
Wat levert het op?
Uit bovenstaande leidt de rechtbank af dat de chatberichten gaan over het laten bouwen van een stashplek in een shredder en het versturen daarvan. Uit de chatberichten volgt dat in mei 2020 een lege shredder is verzonden naar Australië als test. Als die goed zou aankomen, zou de shredder de tweede keer gevuld worden met 1000 stuks/kilo verdovende middelen, te weten Ice, M of blokken. Hieruit leidt de rechtbank af dat ging om verdovende middelen vermeld op lijst I, in ieder geval Ice of MDMA. Het laten inbouwen van een stashplek, het versturen van de lege shredder als test en het voorbereiden van een tweede zending leveren handelingen op die direct gericht waren op de uitvoer van die verdovende middelen en leveren daarmee voorbereidingshandelingen op.
Rol [verdachte 1]
Uit de bewijsmiddelen volgt dat [verdachte 1] als (hoofd)investeerder betrokken was. [verdachte 1] werd door [verdachte 9] van de problemen met de shredder op de hoogte gebracht. [verdachte 1] wist dat een stashplek werd gebouwd en heeft een betaling aan Australië doorgedrukt. Ook heeft hij in persoon gesprekken over de zaak gevoerd met [betrokkene 37] en [verdachte 6] . Verder kreeg hij de email van de hele route van de eerste zending doorgestuurd door [verdachte 9] . Hij nam uiteindelijk de beslissing dat de tweede zending niet doorging omdat de firma niet goed was. De anderen probeerden hem nog op andere gedachten te brengen, maar hij had het nagevraagd bij ‘zijn streep’ en zag het niet goedkomen. Hij had kennelijk de bevoegdheid om die beslissing te nemen.
[verdachte 1] heeft ter terechtzitting ontkend dat hij wist dat het ging om een stashplek voor verdovende middelen. De rechtbank kan zich evenwel moeilijk een andere reden voorstellen voor het inbouwen van een stashplek in een shredder die zou worden uitgevoerd. Daarbij komt dat uit de chatberichten tussen [verdachte 1] en [betrokkene 37] in juni 2020, nadat [verdachte 1] de stekker eruit had getrokken, volgt dat [betrokkene 37] hem daarin vroeg of ze toch niet eerst konden kijken hoe de lege aankwam en dat ze daarna M konden sturen. [verdachte 1] chatte daarop dat het echt niets was en dat hij het bij ‘zijn streep’ had nagevraagd. Kennelijk is [verdachte 1] niet verbaasd over de lege shredder en het versturen van M. Daaruit leidt de rechtbank af dat [verdachte 1] ook al daarvoor wist dat er een lege shredder verstuurd was met de bedoeling later een volle met drugs te versturen. Zeker gezien het gegeven dat [verdachte 6] al in april 2020 met [verdachte 9] de soorten drugs besprak die in de shredder zouden gaan en daar direct bij zei dat hij een afspraak had met [verdachte 1] en [betrokkene 37] die daarna ook plaatsvond. Ook de beslissing van [verdachte 1] om de tweede zending niet door te laten gaan omdat de firma niet goed was, duidt erop dat [verdachte 1] wist dat er verdovende middelen in zouden gaan.
Dit alles maakt dat [verdachte 1] samen met de anderen voorbereidingshandelingen heeft gepleegd voor de uitvoer van verdovende middelen van lijst I naar Australië. Nu geen sprake is geweest van een voltooide uitvoer wordt [verdachte 1] daarvan vrijgesproken.
Rol [verdachte 6]
en [verdachte 9] chatten uitgebreid over het laten bouwen van de stashplek, het versturen van de lege shredder en het voorbereiden van de tweede zending. Ze bespraken ook om welke drugs het zou gaan en welke percentages een ieder kon verdienen. [verdachte 6] was voor een kwart investeerder en werd de rechterhand van [verdachte 1] genoemd. Ook had hij besprekingen in persoon met [verdachte 1] en [betrokkene 37] . Dit alles maakt dat [verdachte 6] samen met anderen voorbereidingshandelingen heeft gepleegd voor de uitvoer van verdovende middelen van lijst I naar Australië.
Rol [verdachte 9]
regelde de bestelling van de shredders, het inbouwen van de stash, het transport en het doen van betalingen en had hierover contact met diverse partijen die hierbij een rol speelden, zoals [verdachte 6] , [betrokkene 37] , Omelhor en [verdachte 1] . Bij problemen trad hij op als bemiddelaar en probleemoplosser. Hij besprak met Omelhor en [verdachte 6] de drugs waarmee de tweede shredder zou worden gevuld, de hoeveelheden en de percentages die dat zou opleveren voor een ieder. Aldus heeft [verdachte 9] een zeer actieve bijdrage geleverd en samen met anderen voorbereidings-handelingen gepleegd voor de uitvoer van verdovende middelen van lijst I naar Australië.
Rol [verdachte 12]
Uit de chatberichten volgt dat dat [verdachte 12] door [verdachte 6] gevraagd werd een betaling te doen € 25.000,-- van een Nederlandse B.V. naar Portugal. Uit het dossier volgt wel dat deze betaling in relatie stond tot de shredders, maar uit niets blijkt dat [verdachte 12] dat wist. Dat hij vroeg of het een ‘klap bv’ moest zijn, hij het cash kreeg en dat hij 7% provisie zou ontvangen is daarvoor onvoldoende. De rechtbank spreekt [verdachte 12] dan ook vrij van dit zaaksdossier.
5.5.3.4.14 B1 4.7.4.2.11 Lijn deklading kolen Colombia II
[verdachte 1] , [verdachte 7] en [verdachte 18] worden er in dit zaaksdossier van verdacht dat zij voorbereidingshandelingen in het kader van de Opiumwet (lijst I) hebben gepleegd met betrekking tot opzetten van een lijn vanuit Colombia met als deklading kolen.
Chatberichten
De verdenkingen zijn gebaseerd op Encrochat-berichten uit periode van 11 april tot en met 12 mei 2020. De rechtbank leidt uit de in de bewijsmiddelen opgenomen chatberichten het volgende af.
Op 11 en 12 april 2020 vonden gesprekken plaats tussen [verdachte 7] en de gebruiker van het Encrochat-account ‘Thurman’. [verdachte 7] wilde zo snel mogelijk met ‘die B.V.’ zitten. Hij berichtte dat ‘het’ vanuit Colombia besteld moest worden en dat de B.V. niet hoefde te weten hoeveel de bakken kostten. ‘Thurman’ was bereid te investeren, maar wilde zijn ‘tp’ gebruiken voor zijn eigen spullen. [verdachte 7] vroeg informatie over de B.V., zoals de oprichtingsdatum, omzet, hoeveel bakken ze bestelden en of de B.V. al eens eerder was gebruikt. ‘Thurman’ stuurde dat de B.V. al 25 bakken had gedaan en in schroot en kolen handelde. Vervolgens stuurde [verdachte 7] alle informatie door naar [verdachte 1] met de vraag of ‘ [betrokkene 38] ’ iets kon met een systeem verwerkt in kolen en stuurde hierbij enkele foto’s. [verdachte 7] berichtte dat het containers met big bags betrof en dat de B.V. een eigen kade had om te lossen. [verdachte 1] stuurde dat het dan wel kon en vroeg of ze in ‘Collo’ bestelden en of het niet gewoon blokken op de kade konden zijn. [verdachte 7] ging het navragen bij zijn vriend die in rechtstreeks contact stond met de eigenaar van de B.V. Vervolgens bespraken [verdachte 7] en [verdachte 1] de verschillen tussen bestellen bij een bestaande B.V.
Conclusie
[verdachte 13] moest eerst maar eens vragen wat ze er voor wilden hebben. [verdachte 1] vertelde verder dat hij met een agent alles binnen had gehad en hij ‘daar’ iemand plat had. [verdachte 1] stuurde de informatie van [verdachte 13] vervolgens door aan [verdachte 18] terwijl [verdachte 13] de berichten van [verdachte 1] doorstuurde aan Palacepizza. [verdachte 13] sprak met Palacepizza af elkaar te ontmoeten. [verdachte 1] vroeg daarna aan [verdachte 13] om aan hen te vragen met welke maatschappij ze vlogen en dat ze misschien wel wat konden doen met dat fruit door de lucht.
[verdachte 1] en [verdachte 13] bespraken vervolgens dat [verdachte 1] niets zag in vloeibaar. Dit gaf [verdachte 13] weer door aan Palacepizza en hij zei erbij dat [verdachte 1] wel graag wilde werken voor “die % en vlieg”. Vervolgens stuurde [verdachte 13] naar [verdachte 1] dat het een goed gesprek was. [verdachte 1] gaf toen door aan [verdachte 13] dat ze certificaten nodig hadden en dat dat wel een half jaar kon duren. Uit de berichten volgt tenslotte dat de leverancier toch alleen vloeibaar wilde en dat het uiteindelijk niet tot zaken is gekomen.
Harddrugs
Uit de chatberichten waarin wordt gesproken over base en blokken leidt de rechtbank af dat in de chatgesprekken wordt gedoeld op harddrugs (lijst I van de Opiumwet).
Invoer?
Gelet op de chatberichten over Zuid-Amerika, een Nederlandse B.V. en een bedrijf dat [bedrijf 7] en [bedrijf 8] bevoorraadde stelt de rechtbank vast dat de berichten gaan over de invoer vanuit Zuid-Amerika naar Nederland.
Rol [verdachte 1]
Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat [verdachte 1] concrete vragen stelde, wat wilde doen met fruit door de lucht, inlichtingen gaf aan [verdachte 13] om het drugstransport te kunnen regelen en besliste wat wel en niet kon. Hij stuurde ook informatie door aan [verdachte 18] en vroeg wat er mogelijk was. Dit alles levert concrete handelingen op die erop gericht waren harddrugs in te voeren uit Zuid-Amerika en aldus heeft hij samen met anderen voorbereidingshandelingen gepleegd.
Rol [verdachte 13]
Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat [verdachte 13] uitgebreide berichten met Palacepizza over een drugstransport heeft uitgewisseld en vervolgens concreet in gesprek ging met [verdachte 1] over wat er allemaal nodig was en of ze wat konden doen. Deze informatie gaf hij vervolgens weer door aan Palacepizza. Dit betreffen concrete handelingen die waren gericht op de invoer van harddrugs vanuit Zuid-Amerika en aldus heeft hij samen met anderen voorbereidingshandelingen gepleegd.
Rol [verdachte 18]
Voor [verdachte 18] geldt dat hij weliswaar een bericht heeft ontvangen over dit drugstransport, maar verder blijkt niet dat [verdachte 18] concrete handelingen verricht heeft gericht waren dit transport. Dit enkele bericht levert dan ook onvoldoende wettig en overtuigend bewijs op voor voorbereidingshandelingen en [verdachte 18] wordt daarom vrijgesproken van dit zaakdossier.
Strafbare voorbereidingshandelingen?
Dat het te lang duurde vanwege de certificaten en er toch werd ingezet op vloeibaar, wat [verdachte 1] , en dus [verdachte 13] , niet wilden, betekent niet dat er niet al sprake was van strafbare voorbereidingshandelingen. Er was immers een concreet voornemen harddrugs in te voeren.
B1 4.7.4.2.20 Voorbereiding blokken in cilinders
Chatberichten:
Uit de chatberichten leidt de rechtbank het volgende af.
[verdachte 13] en Palacepizza bespraken in april 2020 met elkaar dat Palacepizza had gepusht bij [bedrijf 9] . Deze konden cilinders versturen. Hongkong zou ze versturen, ze moesten dan gevuld worden en teruggestuurd. Het ging om 5 blokjes per cilinder. Ze bespraken verder of het de moeite was omdat er veel personen moesten meedelen in de winst, waaronder ‘Suriname’ en ‘Suri ouwe’. Er werden prijzen besproken waar de blokken voor stonden in verschillende landen. Besproken werd dat ze eerst een testcilinder zouden doen zodat ze aan iedereen konden laten zien dat het goed zat. Vervolgens stuurde [verdachte 13] aan [verdachte 1] dat hij iets kon met supermooie originele ‘colo 25’ in cilinders. Hij zei erbij dat het van een groepje was die het hadden overgenomen van iemand wiens vader een oude bekende was van [verdachte 1] . [verdachte 1] berichtte vervolgens dat hij het aan het vragen was.
Harddrugs
Uit de chatberichten waarin prijzen worden genoemd en wordt bericht over ‘originele colo 25’ leidt de rechtbank af dat het gaat om harddrugs (cocaïne).
Rol [verdachte 13]
Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat [verdachte 13] samen met Palacepizza heel concreet bezig was transporten te organiseren via [bedrijf 9] met cilinders met 5 blokken uit Hongkong. Deze handelingen zijn concreet gericht op het in- en vervoeren van harddrugs en aldus heeft [verdachte 13] ten aanzien daarvan samen met anderen voorbereidingshandelingen gepleegd.
Rol [verdachte 1]
Weliswaar ontving [verdachte 1] een bericht over ‘originele colo’ in cilinders, maar nergens blijkt uit dat [verdachte 1] hierop vervolgstappen heeft ondernomen en zich verder concreet met deze zaak heeft bezig gehouden. Het enkele bericht dat hij ‘het’ aan het vragen was, is daarvoor onvoldoende. Dat, zoals het openbaar ministerie stelt, in de chatberichten met ‘Suri ouwe’ of ‘ouwe’ [verdachte 1] wordt bedoeld, kan onvoldoende uit de context van de chatberichten worden afgeleid. [verdachte 1] zal dan ook worden vrijgesproken van dit zaaksdossier.
5.5.3.4.21 B1 4.7.4.2.22 Encrochatberichten [verdachte 1] en [betrokkene 3] over Cartagena
Aan [verdachte 1] is ten laste gelegd dat hij samen met anderen verdovende middelen zoals genoemd op lijst I van de Opiumwet heeft ingevoerd, uitgevoerd, verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervoerd, vervaardigd of aanwezig gehad en dat hij hiervoor voorbereidingshandelingen heeft gepleegd.
Chatberichten
Uit de Encrochat-berichten leidt de rechtbank het volgende af.
Op 21 april 2020 hadden [verdachte 1] en [betrokkene 3] contact met elkaar over de import uit Cartagena, over het meekopen en het verloren hebben door controle in de haven. Hierbij noemde [verdachte 1] ook kadenummers van de haven in Antwerpen. [verdachte 1] zei ook dat hij “strepen”, douanemedewerkers, had in de haven van Antwerpen maar dat hij dan wel een bedrijf moest hebben dat daar al op werkte.
Conclusie
Ook heeft [verdachte 1] 10 kilo heroïne aan ebi-vught verkocht.
Rol [verdachte 10]
Uit bovenstaande volgt dat [verdachte 10] als tussenschakel diende in de heroïnehandel tussen [verdachte 1] en [verdachte 17] . Hij verzorgde de betalingen en verrekeningen en ging actief achter geld aan om de rekening van [verdachte 1] te betalen. Ook heeft [verdachte 10] zich actief bemoeid met de betaling door ebi-vught aan [verdachte 1] voor de 10 kilo heroïne. Aldus heeft [verdachte 10] handelingen verricht van voldoende gewicht om te kunnen spreken van een nauwe en bewuste samenwerking bij de afname van [verdachte 1] van de heroïne van [verdachte 17] en bij de verkoop van de 10 kilo aan ebi-vught. Dit levert dan ook medeplegen op.
Ook heeft [verdachte 10] aldus voorbereidingshandelingen gepleegd in het kader van de Opiumwet (lijst I).
5.5.3.4.23 B1 4.7.4.3.3. Synthetische drugslabs, B1 4.7.4.3.4. Productie synthetische drugs, [locatie 2] te Leiden
Aan [verdachte 7] is ten laste gelegd dat hij samen met anderen (meth)amfetamine heeft bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervoerd, vervaardigd of aanwezig heeft gehad (feit 1).
Aan [verdachte 1] is ten laste gelegd dat hij samen anderen, waaronder met [betrokkene 41] , (meth)amfetamine heeft vervaardigd (feit 1).
De rechtbank leidt uit het dossier af dat het gaat om een drietal verdenkingen tegen [verdachte 7] met betrekking tot de productie en verkoop van methamfetamine, te weten (1) de productie van methamfetamine met [betrokkene 42] en [betrokkene 43] , (2) de verkoop van 300 kilogram methamfetamine aan ‘icecleaner’ en (3) het drugslaboratorium aan [locatie 2] te Leiden. [verdachte 1] wordt ervan verdacht dat hij met [betrokkene 42] en [betrokkene 41] (meth)amfetamine zou hebben geproduceerd.
De verdenkingen zijn gestoeld op een groot aantal chatberichten die in de periode van 30 maart 2020 tot en met 12 juni 2020 zijn gestuurd door en naar onder andere ‘bravelemur’ ( [verdachte 7] ), ‘outdoorfeline’ ( [verdachte 1] ), ‘tommylangevinger’ en ‘tommyenjerry’ ( [betrokkene 43] ), ‘tacobell’ en ‘utilityair’ ( [betrokkene 42] ) ook wel de Mexicaanse kok genoemd, ‘famouslily’ (gebruiker onbekend), ‘muddybeast’ (gebruiker onbekend) en ‘icecleaner’ (gebruiker onbekend).
Drugslaboratorium met [betrokkene 42] en [betrokkene 43] (1)
Uit de chatberichten volgt dat [verdachte 7] intensief contact onderhield met [betrokkene 43] en [betrokkene 42] over het opzetten van een drugslaboratorium voor het produceren van ‘ICE’.
[betrokkene 42] is de kok die de ‘ICE’ heeft gemaakt voor [verdachte 7] en [betrokkene 43] . [verdachte 7] had contact met [betrokkene 42] en [betrokkene 43] over welke goederen en grondstoffen nodig waren om synthetische drugs te kunnen produceren en over de hoeveelheden die geproduceerd konden worden in een bepaald tijdsbestek. Op 9 mei 2020 stuurde [betrokkene 42] foto’s van een melkachtig product naar [verdachte 7] en zei daarbij dat het een monster was en op 14 mei 2020 zei hij tegen [verdachte 7] dat hij al aan het kristalliseren was.
Methamfetamine?
Dat sprake was van de productie van methamfetamine volgt uit de chatberichten. Zo werden gesprekken gevoerd over dat draaien beter is dan persen, de centrifuges die nodig zijn en wanneer zij olie kunnen hebben voor de kok. Bij de productie van methamfetamine wordt D-methamfetamine olie gescheiden van L-methamfetaminetartraat. Dit gebeurt door het eruit te persen, maar meestal door middel van centrifuges, dus door te draaien.
Ook werden lijsten gestuurd met grondstoffen die nodig waren, waaronder ethyl alcohol 64-15-5, monomethilamine alcohol 74-89-5, wijnsteenzuur 526-83-0, caustic soda 1310-73-2 en zoutzuur 7647-01-0 en een lijst met voorwerpen als blauwe vaten 200 liter, maatbekers, pannen, trechters, centrifuges, en een wijnpers. Hierbij stuurde Hassan Kbhazi de hoeveelheid die ze nodig hadden voor “ 500 liter gedraaide B” en daarna wat ze nodig hebben voor 1000 ‘p’. Met gedraaide ‘B’ gaat het in relatie tot drugsproductie om omgezette of geproduceerde BMK. BMK is een grondstof voor amfetamine. De nummers die achter de chemicaliën zijn genoemd zijn CAS nummers. Deze chemicaliën passen bij de productie van amfetamine. Bij de productie van amfetamine worden ook vaak voorwerpen als pannen gebruikt.
Gelet hierop stelt de rechtbank vast dat [verdachte 7] hier samen met [betrokkene 42] en [betrokkene 43] bezig was met de productie van amfetamine.
Rol [verdachte 7]
had bij de productie van de amfetamine een leidende rol. Hij onderhield intensief contact met [betrokkene 42] en [betrokkene 43] over het opzetten van een drugslaboratorium voor het produceren van synthetische drugs. Hij sprak met [betrokkene 42] uitvoerig en gedetailleerd over wat allemaal nodig was om het drugslaboratorium op te zetten dan wel synthetische drugs te kunnen produceren. [verdachte 7] had hierover daarna ook nauw contact met [betrokkene 43] . Uit de gevoerde gesprekken stelt de rechtbank een nauwe en bewuste samenwerking vast tussen [verdachte 7] , [betrokkene 43] en [betrokkene 42] .
Vrijspraak [verdachte 1]
Dat [betrokkene 42] vermoedelijk ook heeft gewerkt in een drugslaboratorium van [betrokkene 41] en/of [verdachte 1] waarbij eveneens methamfetamine kan niet wettig en overtuigend worden bewezen. Hiervoor bevinden zich onvoldoende aanknopingspunten in het dossier. [verdachte 1] wordt hiervan dan ook vrijgesproken.
Verkoop 300 kilogram methamfetamine (2)
[verdachte 7] voerde vanaf 18 mei 2020 chatgesprekken over de verkoop van methamfetamine aan ‘icecleaner’. Uit deze chatgesprekken volgt dat op zes momenten methamfetamine is verkocht aan ‘icecleaner’, te weten op 19 mei 2020: 50 kilogram, op 22 mei 2020: 50 kilogram, op 29 mei 2020: 100 kilogram, op 5 juni 2020: 50 kilogram en op 10 juni 2020: 50 kilogram. In totaal heeft [verdachte 7] 300 kilogram methamfetamine verkocht aan ‘icecleaner’. Hierover onderhield hij intensief contact met [betrokkene 43] .
Methamfetamine?
Dat daadwerkelijk sprake is van methamfetamine leidt de rechtbank af uit het feit dat werd gesproken over ‘ICE’. Het is de rechtbank bekend dat ‘ICE’ een gangbare benaming is voor methamfetamine. Daarbij komt dat er wordt gesproken over kilo’s en ‘stash’. Ook werd er gesproken over het feit dat het stuur van de auto moest worden schoongemaakt omdat [verdachte 7] geen handschoenen aan heeft gehad. De rechtbank begrijpt dat dit moest worden gedaan om vingerafdrukken te wissen omdat gehandeld werd in een illegaal goed. De rechtbank stelt dan ook vast dat [verdachte 7] methamfetamine heeft verkocht aan ‘icecleaner’.
Rol [verdachte 7]
Bij de verkoop van de methamfetamine had [verdachte 7] een organiserende rol. Hij sprak met ‘icecleaner’ en ‘bushracer’ af voor de overdracht, zei dat hij hen op zou halen van een parkeerplaats en naar het pand zou brengen waar de amfetamine lag en hij onderhield contact met [betrokkene 43] over de voorraad. Toen ‘icecleaner’ tegen [verdachte 7] zei dat de bakjes waarin de methamfetamine werd geleverd 54 gram wogen en dat daardoor minder methamfetamine werd geleverd dan afgesproken besliste [verdachte 7] dat hij een kilo van de prijs af kon trekken. Hij had blijkbaar de bevoegdheid om daarover te beslissen.
Conclusie
[verdachte 17] stuurde [verdachte 1] op zijn verzoek een aantal foto’s van de blokken. [verdachte 1] stuurde op 28 april 2020 één van deze foto’s (het donkere blok) door aan [verdachte 2] . Deze stuurde de foto op zijn beurt aan het account Megamarbz. Deze vond de prijs te hoog. [verdachte 2] stuurde vervolgens dat het in Valencia lag en hij dacht dat het goed was. [verdachte 2] liet toen aan [verdachte 1] weten dat “de jongen” door kreeg dat het te duur was. [verdachte 1] gaf [verdachte 2] door wat de prijzen waren en dat gaf [verdachte 2] dan weer door aan Megamarbz met daarbij de mededeling dat het van een bekende was.
[verdachte 1] stuurde ook aan [verdachte 6] dat hij klokken had geruild voor bruin met die Belg, waarop [verdachte 6] reageerde dat het lekker ging met de Belg.
Ook stuurde [verdachte 1] aan [verdachte 13] dat hij de heroïne mocht kopen “voor 12 met garantie” en dat het is top spul was “boven de 9 strepen”. Op verzoek van [verdachte 13] stuurde [verdachte 1] twee van de foto’s die hij eerder van [verdachte 17] had gekregen. [verdachte 13] vroeg ook of het kon worden getest in Spanje. [verdachte 13] stuurde de foto’s door aan het account Grapepoint die vroeg welke stempel het was en of het om twee soorten bruin ging.
In gesprekken vanaf 17 mei 2020 had het account Ebi-vught voorts contact met [verdachte 10] . Hieruit volgt dat er een taalbarrière was met ‘ouwe’ en dat [verdachte 10] maar naar ‘de ouwe’ moest schrijven. Uit de gesprekken volgt dat Ebi-vught 10 kilo van ‘de lichte’ wilde hebben en ‘ze’ een kilo donkere wilden omruilen en dat hij geld had achtergelaten in de woning van ‘ouwe’. [verdachte 1] berichtte aan [verdachte 10] dat ruilen niet kon. Ebi-Vught berichtte vervolgens aan [verdachte 10] dat “De oude zei gisteren dat er 14 stuks zijn”. [verdachte 10] gaf door dat hij het zou gaan vragen en deed dit vervolgens ook bij [verdachte 1] .
Heroïne
De rechtbank leidt uit de berichten af dat met ‘bruin’ heroïne wordt bedoeld. Zoals reeds eerder is overwogen, wordt met bruin doorgaans heroïne bedoeld. Dat het hier ook daadwerkelijk over heroïne gaat volgt verder uit de foto’s van de blokken, de prijzen die moeten worden betaald voor de blokken en dat het gaat om een kwaliteit van 9 strepen.
Kilo’s?
In de chatberichten gaat het steeds over stuks. Gelet op de prijs die wordt genoemd voor de stuks in combinatie met het gegeven dat in de gesprekken tussen Ebi-Vught en [verdachte 10] stuks en kilo’s door elkaar worden gebruikt stelt de rechtbank vast dat het hier over 14 kilo gaat.
Verklaring [verdachte 1]
Uit de chatberichten kan op geen enkele manier worden afgeleid dat deze deal iets te maken had met een schuld die [verdachte 1] zou hebben overgenomen, wat daar verder ook van zij. De rechtbank gaat aan de verklaring van [verdachte 1] op dit punt dan ook voorbij.
Rol [verdachte 1]
Uit bovenstaande volgt dat [verdachte 1] de 14 kilo heroïne van [verdachte 17] heeft gekocht en deze aldus voorhanden heeft gehad. Ook heeft hij voorbereidingshandelingen gepleegd voor de doorverkoop van de blokken door gesprekken te voeren met [verdachte 2] en [verdachte 13] die zeer concreet gericht waren op die verkoop.
Rol [verdachte 2]
heeft geprobeerd de blokken te verkopen aan Megamarbz en daar concrete gesprekken over gevoerd en hij heeft die informatie teruggekoppeld aan [verdachte 1] . Aldus heeft [verdachte 2] voorbereidingshandelingen gepleegd voor de verkoop van de 14 kilo heroïne.
Rol [verdachte 13]
Ook [verdachte 13] heeft actief handelingen verricht die gericht waren op de verkoop van de 14 kilo heroïne. Zo heeft hij contact met een account gehad over de blokken en stuurde hij de foto’s die hij van [verdachte 1] kreeg door. Ook nam hij bij vragen opnieuw contact op met [verdachte 1] en vroeg hij hem of het kon worden getest. Dit levert voldoende concreet bewijs op dat [verdachte 13] voorbereidingshandelingen heeft gepleegd voor de verkoop van de blokken.
Rol [verdachte 10]
Ten aanzien van [verdachte 10] geldt dat deze weliswaar bezig lijkt te zijn met de drugshandel, maar onduidelijk blijft of de 10 kilo die Ebi-Vught wil hebben direct te maken hebben met de 14 kilo heroïne van [verdachte 1] . Het enkele bericht van Ebi-Vught dat hij van ‘de ouwe’ had gehoord dat deze 14 stuks had, is daarvoor onvoldoende. Dat betekent dat [verdachte 10] zal worden vrijgesproken van dit zaaksdossier.
5.5.3.4.26 B1 4.7.4.3.9 Handel 2C-B
[verdachte 6] , [verdachte 1] , [verdachte 11] en [verdachte 19] worden er in dit zaaksdossier van verdacht dat zij voorbereidingshandelingen hebben gepleegd met betrekking tot de handel in 2-CB. [verdachte 6] wordt er ook nog van verdacht dat hij 2-CB in voornoemde periode voorhanden heeft gehad. Aan [verdachte 17] is voorts ten laste gelegd dat hij 2 kilo 2-CB heeft verstrekt.
Chatgesprekken
De verdenkingen zijn gebaseerd op Encrochat-berichten uit de periode van 29 maart 2020 tot en met 30 mei 2020. Uit de chatberichten leidt de rechtbank het volgende af.
Op 29 maart 2020 ontving [verdachte 1] via Encrochat twee afbeeldingen van een roze substantie en hij stuurde deze afbeeldingen door naar ‘tastefullmallet’. Hij berichtte daarbij dat het ‘Pink Panther’ betrof en dat er ‘11 kilo en bruin in Val ligt’.
Op 5 april 2020 kwamen [verdachte 17] en [verdachte 6] blijkens de Encrochat-berichten een prijs overeen voor de levering van - onder andere - 2 kilo ‘tussi’. [verdachte 6] betaalde aan [verdachte 17] diverse klokken voor de ‘tussi’. Vervolgens vroeg [verdachte 6] aan [verdachte 11] of hij ‘tushi’ kwijt kon. [verdachte 11] wilde weten wat het precies was, waarop [verdachte 6] antwoordde: “is 2CB gemengd met ketamine”. [verdachte 11] zou het navragen.
[verdachte 6] nam vervolgens met diverse andere Encrochat-gebruikers contact op om de ‘tushi’ te verkopen. Ook stuurde hij twee afbeeldingen van ‘partydrugs tusie’ naar [verdachte 19] , die deze afbeeldingen op zijn beurt weer doorstuurde naar diverse andere Encrochat-gebruikers.
[verdachte 19] en [verdachte 6] vroegen aan de gebruikers van diverse Encrochat-accounts of zij interesse hadden in 2-CB en wat zij ervoor zouden willen betalen. Op 15 april 2020 vroeg ‘Kaleboer-een’ aan [verdachte 19] of hij een sample mocht hebben. [verdachte 19] stuurde deze vraag door naar [verdachte 6] , die [verdachte 19] hiervoor toestemming gaf. Uit latere berichten bleek dat het sample ook daadwerkelijk was afgegeven. Ook [verdachte 6] zelf stelde ‘Dikkezakkevuller’ in de gelegenheid een sample af te nemen.
2-CB
In de Encrochat-berichten werd gesproken over ‘tushi’, ‘tussie’, ‘tusie, ‘pink flamingo’ en ‘2CB’.
Conclusie
Daarmee oordeelt de rechtbank dat alle berichten van dit account van [verdachte 2] afkomstig waren.
ANOM
Aan [verdachte 2] wordt het ANOM-account ‘Linetool’ toegeschreven. [verdachte 2] heeft hier geen verklaring over willen afleggen.
De voorlopige hechtenis van [verdachte 2] is op 17 maart 2021 door de rechtbank geschorst en hij is die dag in vrijheid gesteld. Via dit account zijn op 23 maart 2021 voor het eerst berichten verstuurd.
De gebruiker van het account ‘Linetool’ ging op enig moment naar een camping. Uit het dossier volgt dat de telefoon van ‘Linetool’ op dat moment de telefoonmast aanstraalde in het gebied van de [camping] aan [locatie 11] in Wassenaar. [verdachte 2] verblijft ook regelmatig op deze camping.
Op 22 april 2021 stuurde ‘Linetool’ een bericht dat hij al een week ziek op bed lag met vermoedelijk corona. Uit een telefoongesprek op 24 april 2021 tussen [verdachte 1] en zijn zus [betrokkene 10] volgt dat meerdere familieleden corona hebben en dat [verdachte 2] ook ziek op bed ligt.
Op [geboortedag] 2021 stuurde ‘Linetool’ een bericht met de vraag “Al wat van auto gehoord word gek van dat afhankelijk zijn”. De auto van [verdachte 2] is op 13 april 2021 in beslag genomen door de politie.
Op 11 mei 2021 stuurde ‘Linetool’ vervolgens een bericht dat hij “gisteren pa zijn verjaardag [heeft] gevierd met [een] vuurwerkshow bij de gevangenis”. [verdachte 1] is op [geboortedag] jarig en zat op dat moment gedetineerd.
Gelet op vorenstaande stelt de rechtbank vast dat [verdachte 2] de gebruiker is geweest van het ANOM-account ‘Linetool’. Nu er geen enkele aanwijzing is dat dit account door meerdere personen is gebruikt, oordeelt de rechtbank dat alle berichten van en naar dit account van [verdachte 2] afkomstig en voor hem bestemd waren.
5.5.2.3 PGP-identificatie [verdachte 3]
Encrochat
Aan [verdachte 3] wordt het Encrochat-account ‘risky.business’ toegeschreven. [verdachte 3] heeft verklaard dat hij van dit Encrochat-account gebruik maakte.
De rechtbank stelt daarom vast dat [verdachte 3] de gebruiker is geweest van het Encrochat-account ‘risky.business’. De berichten die met dit account zijn ontvangen en verzonden, volgen logisch op elkaar en de rechtbank heeft geen enkele aanwijzing dat er meerdere personen gebruik hebben gemaakt van dit account. Daarmee oordeelt de rechtbank dat alle berichten van en naar dit account van [verdachte 3] afkomstig en voor hem bestemd waren.
SkyECC
Aan [verdachte 3] wordt het SkyECC-account ‘B8IL4S’ toegeschreven. [verdachte 3] heeft hier geen verklaring over afgelegd.
Het SkyECC-account ‘B8IL4S’ wordt gebruikt door een telefoon met het IMEI- [nummer 4] . Dit betreft een mobiele telefoon van het merk Apple, model iPhone 6S. Het SkyECC-account maakte gebruik van een simkaart met IMSI- [nummer 5] . Tijdens de doorzoeking van de woning van [verdachte 3] op 16 september 2020 is een iPhone 6S aangetroffen met een simkaart met dit IMSI-nummer.
Het account ‘B8IL4S’ is bij andere SkyECC gebruikers onder andere opgeslagen als ‘bril’. Dit is een bijnaam van [verdachte 3] .
Daarnaast heeft de gebruiker van het SkyECC -account ‘B8IL4S’ dezelfde manier van schrijven als de gebruiker van voornoemd Encrochat-account ‘risky.business’. Zo beginnen beiden hun berichten regelmatig met “Gdm” (goedemorgen) of “Gda” (goedenavond).
Tot slot geeft de gebruiker van ‘B8IL4S’ op 9 september 2020 om 15:44 uur aan dat hij bij Deil is en onderweg is naar Utrecht. Op 9 september 2020 om 15:40 uur straalde de mobiele telefoon van [verdachte 3] met [telefoonnummer 1] aan op een basisstation aan [locatie 12] in Deil.
Gelet op vorenstaande omstandigheden stelt de rechtbank vast dat [verdachte 3] de gebruiker is van het SkyECC-account ‘B8IL4S’. De berichten die met dit account zijn verzonden, volgen logisch op elkaar en de rechtbank heeft geen enkele aanwijzing dat er meerdere personen gebruik hebben gemaakt van dit account. Daarmee oordeelt de rechtbank dat alle berichten van [verdachte 3] afkomstig waren.
PGP-Safe
Aan [verdachte 3] wordt het PGP Safe-account ‘c937xk@exclusivePGP.com’ toegeschreven.
De gebruiker van het account c937xk@exclusivePGP.com staat bij PGP Safe-gebruiker mwcy265v@PGPsafe.net opgeslagen als ‘bril’. Dit betreft een bijnaam van [verdachte 3] .
Ter terechtzitting heeft [verdachte 3] verklaard over de berichten die zijn verstuurd met het genoemde PGP-Safe account en heeft hij niet ontkend dat hij deze berichten heeft verstuurd.
5.5.2.4 PGP-identificatie [verdachte 5]
Encrochat
Aan [verdachte 5] worden de Encrochat-accounts ‘secretram’ en ‘prizehunter’ toegeschreven. [verdachte 5] heeft geen verklaring afgelegd ten aanzien van het gebruik van deze Encrochat-accounts.
Ten aanzien van ‘secretram’
Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat het [telefoonnummer 2] op naam stond van [verdachte 5] en dat hij dit telefoonnummer ook daadwerkelijk in gebruik had. Tevens staat vast dat het userID ‘secretram’ gekoppeld was aan het IMEI- [nummer 6] en in de periode van 1 januari 2020 tot en met 14 mei 2020 actief was en in deze periode verbinding maakte met het basisstation op [locatie 13] Spaarndam. Het adres van [verdachte 5] , [locatie 14] Spaarndam, valt binnen het bereik van dit basisstation.
Op 15 april 2020 vond voorts een gesprek plaats tussen ‘secretram’ en ‘ancientpuppy’ ( [verdachte 2] ), waaruit volgde dat [betrokkene 9] naar ‘secretram’ zou komen. Door ‘secretram’ werd het adres [locatie 15] opgegeven. Vervolgens werd eerst om 15:00 uur afgesproken bij het ‘oude pand zwanenburg’. Uit observatiegegevens bleek dat die dag een voertuig met [betrokkene 9] als bestuurder werd waargenomen op [locatie 16] te Zwanenburg. [betrokkene 9] stapte vervolgens als bijrijder in een ander voertuig. De bestuurder van dit voertuig betrof [verdachte 5] . Na een tussenstop zijn [verdachte 5] en [betrokkene 9] naar het adres [locatie 7] te Lijnden gereden. Uit het dossier is bovendien gebleken dat voornoemd adres sinds 4 november 2019 op naam staat van [verdachte 5] .
Bij meerdere Encrochat-gebruikers stond ‘secretram’ opgeslagen onder de naam ‘Kuifje’. In meerdere chatgesprekken wordt gerefereerd aan ‘Kuifje’ waarmee kennelijk [verdachte 5] wordt bedoeld. [verdachte 1] verklaarde tevens (impliciet) dat hij met ‘Kuifje’ [verdachte 5] bedoelt.
Ten aanzien van ‘prizehunter’
Het userID ‘prizehunter’ maakte gebruik van een mobiele telefoon met IMEI- [nummer 7] . Uit de historische verkeersgegevens van dit IMEI-nummer is gebleken dat de mobiele telefoon met dit IMEI-nummer actief was in de periode 9 juni 2020 tot en met 13 juni 2020. De mobiele telefoon straalde in deze periode het vaakst aan op het KPN-basisstation gelegen aan [locatie 13] te Spaarndam. Het verblijfadres van [verdachte 5] valt binnen het bereik van dit basisstation.
Uit onderzoek van diverse andere Encrochat-gebruikers is gebleken dat ook ‘prizehunter’ stond opgeslagen als ‘Kuifje’.
Conclusie
Daarmee oordeelt de rechtbank dat alle berichten van en naar dit account van [verdachte 8] afkomstig en voor hem bestemd waren.
5.5.2.8 PGP-identificatie [verdachte 6]
Encrochat
Aan [verdachte 6] wordt het Encrochat-account ‘don-pedro’ toegeschreven. [verdachte 6] heeft ter zitting verklaard dat hij gebruik heeft gemaakt van dit Encrochat-account.
De rechtbank stelt dan ook vast dat [verdachte 6] de gebruiker is geweest van het Encrochat-account ‘don-pedro’.
[verdachte 6] heeft voorts verklaard dat hij anderen gebruik liet maken van zijn PGP-telefoon en dat hij dus niet alle gesprekken via het genoemde account heeft gevoerd. [verdachte 6] heeft evenwel niet concreet verklaard wie dan gebruik maakten van zijn telefoon en op welke momenten. Voorts stelt de rechtbank vast dat de berichten die met dit account zijn ontvangen en verzonden logisch op elkaar volgen. De rechtbank heeft ook geen enkele concrete aanwijzing dat meerdere personen gebruik hebben gemaakt van dit account. Zo is nergens een bericht te zien waarin iemand zich kenbaar maakt als iemand anders dan [verdachte 6] en evenmin is te zien dat iemand zich afvraagt of ze met [verdachte 6] of met iemand anders te maken hebben. Dat, zoals door de verdediging is aangevoerd, verschillende gebruikers dit in persoon of via een ander communicatiemiddel kunnen hebben afgesproken, acht de rechtbank hoogst onwaarschijnlijk. Daar komt bij dat [verdachte 6] dit zelf ook helemaal niet verklaard heeft. Daarmee oordeelt de rechtbank dat alle berichten van en naar dit account van [verdachte 6] afkomstig en voor hem bestemd waren.
PGP-Safe
Aan [verdachte 6] wordt het PGP-Safe-account ‘bulky-stone’ toegeschreven. [verdachte 6] heeft ter zitting verklaard dat hij wel eens gebruik heeft gemaakt van dit PGP-Safe-account, maar dat hij niet in het bezit was van de mobiele telefoon waar dit account op stond geïnstalleerd en dat anderen ook gebruik van maakten.
De rechtbank stelt vast dat de verdachte de gebruiker is geweest van het PGP-Safe-account ‘bulky-stone’. Niet alleen zegt [verdachte 6] zelf dat hij er gebruik van heeft gemaakt, maar ook uit de bewijsmiddelen volgt voldoende wettig en overtuigend bewijs dat [verdachte 6] de gebruiker was van dat account. Ten aanzien van het verweer dat anderen ook gebruik zouden hebben gemaakt van dit account geldt ook voor dit account dat [verdachte 6] niet concreet verklaart wie dan gebruik maakten van zijn telefoon en op welke momenten. Uit de gesprekken met dit account volgt evenmin enige verwarring tussen gespreksdeelnemers over de identiteit van de persoon met wie gesproken wordt. Voor het overige geldt ook ten aanzien van dit account het hiervoor genoemde ten aanzien van het Encrochat-account ‘don pedro’. De rechtbank oordeelt daarmee dat alle berichten van en naar het PGP-Safe-account ‘bulky-stone’ van [verdachte 6] afkomstig en voor hem bestemd waren.
SkyECC
Aan [verdachte 6] wordt het SkyECC-account ‘1GN5RP’ toegeschreven. De verdachte heeft ter zitting verklaard dat het mogelijk is dat hij van dit SkyECC-account gebruik heeft gemaakt.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit het dossier is gebleken dat het Encrochat-account ‘don-pedro’ op 26 maart 2020 van een andere Encrochat-account de vraag krijgt of hij al Sky heeft, ‘don-pedro’ antwoordt bevestigend en stuurt daarbij een afbeelding van SkyECC-account ‘1GN5RP’, waarbij staat vermeld dat de status beschikbaar is en het account nog 176 dagen geldig is.
Uit de SkyECC-metadata blijkt dat het SkyECC-account ‘1GN5RP’ gebruik heeft gemaakt van een mobiele telefoon met IMEI- [nummer 14] . Dit betreft een mobiele telefoon van het merk Google, model G020F Pixel 3a. Op 16 september 2020 heeft er tijdens de aanhouding van [verdachte 6] op het Spaanse adres [locatie 21] te Benalmadena (Spanje) een doorzoeking plaatsgevonden. Hierbij werden een aantal mobiele telefoons aangetroffen waaronder twee Google pixel 3a telefoons. Uit het digitaal onderzoek blijkt dat één van deze Google Pixel 3a telefoons is voorzien van voormeld IMEI-nummer.
Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat [verdachte 6] in de periode van 26 maart 2020 tot en met 16 september 2020 de gebruiker is geweest van SkyECC-account ‘1GN5RP’. De berichten die met dit account zijn verzonden, volgen eveneens logisch op elkaar en de rechtbank heeft geen enkele aanwijzing dat meerdere personen gebruik hebben gemaakt van dit account. Daarmee oordeelt de rechtbank dat alle berichten van en naar dit account van [verdachte 6] afkomstig en voor hem bestemd waren.
5.5.2.9 PGP-identificatie [verdachte 9]
Encrochat
Aan [verdachte 9] wordt het Encrochat-account ‘xxxmariokartxxx’ toegeschreven. [verdachte 9] heeft zich beroepen op zijn zwijgrecht.
Het IMEI- [nummer 15] behoort bij een PGP-telefoon. Het userID ‘xxxmariokartxxx’ maakte gebruik van een mobiele telefoon met dit IMEI-nummer. Uit de verkeersgegevens van deze mobiele telefoon bleek dat het toestel verbindingen maakte in de periode van 1 januari 2020 tot en met 22 april 2020. In deze periode maakte de mobiele telefoon verbinding met het basisstation gelegen aan [locatie 22] te Rotterdam. [verdachte 9] stond in die periode op [locatie 23] te Rotterdam ingeschreven. Dit adres valt binnen het theoretische bereik van voornoemd basisstation.
Verder volgt uit een chatgesprek van 5 april 2020 tussen de Encrochat-accounts ‘paribokartel’ en ‘xxxmariokartxxx’ dat ‘paribokartel’ langs wilde komen bij ‘xxxmariokartxxx’ en vroeg om diens adres, waarop ‘xxxmariokartxxx’ het adres ‘ [locatie 23] ’ en ‘Rotterdam zuif’ doorgaf. Op 30 april 2020 stuurde ‘xxxmariokartxxx’ op de vraag of hij een foto van zichzelf wilde sturen, een foto. Dit betreft een foto van [verdachte 9] .
Uit een chatgesprek van 14 mei 2020 tussen ‘xxxmariokartxxx’ en ‘don-pedro’ (het Encro-account van [verdachte 6] ) blijkt daarnaast dat zij elkaar zouden ontmoeten omstreeks 12.55 uur bij de locatie ‘Mastbos’. Uit een observatieverslag van 14 mei 2020 bleek dat [verdachte 9] rond 13.06 uur een ontmoeting had met [verdachte 6] op het parkeerterrein aan de [locatie 24] te Breda, hetgeen nabij het bosgebied ‘Mastbos’ ligt.
Anders dan de verdediging heeft betoogd, volgt uit voorgaande naar oordeel van de rechtbank dat [verdachte 9] wel degelijk de gebruiker is geweest van Encrochat-account ‘xxxmariokartxxx’. Dat iemand anders de foto van [verdachte 9] zou hebben gemaakt is volstrekt onlogisch gelet op de inhoud van het gesprek. Bovendien wijzen het adres van [verdachte 9] dat ‘xxxmariokartxxx’ stuurde en de observatie die is gedaan enkel in de richting van [verdachte 9] . De berichten die met dit account zijn verzonden, volgen voorts logisch op elkaar en de rechtbank heeft geen enkele aanwijzing dat er meerdere personen gebruik hebben gemaakt van dit account. In tegendeel, in veel van de berichten worden steeds dezelfde soort spel- en tikfouten gemaakt. Daarmee oordeelt de rechtbank dat alle berichten van en naar dit account van [verdachte 9] afkomstig en voor hem bestemd waren.
SkyECC
Aan [verdachte 9] wordt het SkyECC-account ‘M6MVPS’ toegeschreven. [verdachte 9] heeft zich beroepen op zijn zwijgrecht.
Op 16 september 2020 is [verdachte 9] aangehouden op het adres [locatie 26] te Capelle aan den IJssel.
Beoordeling
Zo had [verdachte 1] op 18 mei 2020 contact met [betrokkene 28] en zei hij dat “de cannabis gepakt is, dat hij niemand meer te pakken krijgt en dat er vier man zijn gepakt.” Ook stuurde [verdachte 1] een afbeelding door van een Franstalig nieuwsbericht met daarbij het – door de politie vertaalde – nieuwsbericht: “Historische inbeslagname op de vroegmarkt in Brussel: meer dan 11 ton cannabis gevonden”. Verder stuurde [verdachte 1] dat ‘2550kg dure handel’ en ‘2.5 miljoen met opbrengst van 12 miljoen’ weg was. Op 23 mei 2020 had [verdachte 1] contact met [verdachte 10] en stuurde hem dat er ‘11 ton hasj is gepakt in Brussel’.
Deze partij hasj?
De rechtbank stelt vast dat de locatie en hoeveelheid van de in Brussel onderschepte partij hasj aansluit bij voornoemde chatberichten. De rechtbank gaat er dus van uit dat [verdachte 1] en [verdachte 8] spraken over deze aangetroffen partij hasj en dat [verdachte 1] dus [verdachte 2] , [verdachte 3] en [verdachte 5] heeft benaderd voor het aanpakken van deze partij hasj.
Rol [verdachte 8]
De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen af dat [verdachte 8] initiator was van het transport van (ongeveer) 11.000 kilogram hasj. Het eerste contact met [verdachte 1] kwam vanuit [verdachte 8] en daarnaast hield [verdachte 8] hem op de hoogte van het verloop van het transport, zoals aankomstdatum en eventuele vertraging. Ook vroeg [verdachte 8] aan [verdachte 1] of hij een mogelijkheid had om de spullen aan te pakken in België. Verder zette [verdachte 8] de lijnen uit met betrekking tot de invoer van de verdovende middelen op de vroegmarkt in Brussel. Hij had hierover contact met diverse niet geïdentificeerde Encrochat-accounts.
Rol [verdachte 1]
De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen af dat [verdachte 1] eigenaar was van een aanzienlijk deel (2550 kilogram) van de partij hasj. Hij werd op de hoogte gehouden van het transport en stuurde de ontvangen informatie door naar [verdachte 5] en sprak in dit verband over ‘onze spullen’. Daarnaast leek [verdachte 1] te bepalen wat met het overgrote deel van de partij hasj moest gebeuren. Zo benaderde hij [verdachte 5] , [verdachte 2] en [verdachte 3] voor het aanpakken van een deel van de partij en benaderde hij [verdachte 6] voor het verdere transport van weer een ander deel van de partij hasj naar Zweden. De berichten die hij verstuurde nadat de partij hasj in Brussel in beslag was genomen duiden mede op eigendom van [verdachte 1] van 2.550 kilogram hasj.
Rol [verdachte 5]
De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen af dat [verdachte 5] door [verdachte 1] op de hoogte werd gehouden van het verloop van transport van de partij hasj. In het doorgeven van informatie sprak [verdachte 1] tegen [verdachte 5] over ‘onze spullen’ en noemde daarbij concrete aantallen van ‘ons’. Dit duidt er op dat [verdachte 5] samen met [verdachte 1] eigenaar was van een deel van de partij hasj. Daarnaast werd [verdachte 5] door [verdachte 1] gevraagd om de spullen samen met anderen aan te pakken.
Rol [verdachte 3] en [verdachte 2]
De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen af dat [verdachte 3] en [verdachte 2] verantwoordelijk waren voor het aanpakken van de partij hasj. [verdachte 2] vroeg hiervoor letterlijk aan [verdachte 1] ‘wat hij moest doen’. [verdachte 1] gaf [verdachte 2] instructies voor het aanpakken. [verdachte 3] vroeg op zijn beurt aan [verdachte 1] of de hasj al was vertrokken en of hij wat transport kon regelen.
Invoer in Nederland?
Door de verdediging is aangevoerd dat de partij hasj van Marokko naar België is vervoerd en pas daarna naar Nederland vervoerd zou worden. Nu de partij hasj in België in beslag is genomen, kan niet gesproken worden over een geslaagde invoer in Nederland, maar slechts van een poging tot invoer in Nederland, hetgeen niet ten laste is gelegd.
De rechtbank overweegt als volgt. De container waarin de partij hasj was vervoerd, vertrok op 2 mei 2020 met het vrachtschip Maasholm vanuit Casablanca en arriveerde op 15 mei 2020 te Antwerpen. Antwerpen is gelegen aan de Schelde en de monding van de Schelde wordt aangeduid als de Westerschelde. Om de haven van Antwerpen te kunnen bereiken, heeft het vrachtschip dus de Nederlandse territoriale wateren moeten doorkruisen en is dus sprake van binnen het grondgebied van Nederland brengen in de zin van artikel 3, onder a, van de Opiumwet. Dit betekent dat sprake is van een voltooide invoer in Nederland.
Hoeveelheid hasj
De raadsman van [verdachte 8] heeft zich op het standpunt gesteld dat slechts een klein aantal - en dus niet representatief - van de totale aangetroffen hoeveelheid hasj door de Belgische autoriteiten is onderzocht en getest. Dit betekent dat slechts een hoeveelheid bewezenverklaard zou kunnen worden en geen exact aantal, aldus de raadsman.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit het dossier volgt dat van elke aangetroffen pallet met vermoedelijk hasj een monster is genomen en onderzocht en dat alle onderzochte monsters hasj bevatten. Dit betreffen aldus voldoende representatieve tests. Bovendien volgt uit de chatberichten tussen de verschillende personen evident dat werd gesproken over de invoer van een partij hasj. Uit de berichten van [verdachte 1] naar [verdachte 10] en [betrokkene 28] blijkt voorts dat 12 miljoen opbrengst weg was. De genoemde opbrengst past bij een dergelijke hoeveelheid hasj. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat de gehele aangetroffen hoeveelheid van 11.470 kilogram hasj betrof.
Conclusie
Rollen verdachten
De rechtbank leidt uit de Encrochat-berichten van [verdachte 3] af dat hij [verdachte 1] en Firstsatin inlichtingen heeft verschaft over een mogelijkheid tot een transport van 300 kilogram verdovende middelen. Uit de berichten blijkt verder dat onderscheid wordt gemaakt tussen het transport van hash en blokken/rest en dat het transport in ieder geval geschikt was voor blokken. De rechtbank leidt hieruit af dat het transport (deels) zag op verdovende middelen op lijst I van de Opiumwet. De rechtbank acht op basis hiervan wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte 3] handelingen heeft verricht die concreet zagen op een transport van verdovende middelen naar Noorwegen en aldus voorbereidings-handelingen in de zin van de Opiumwet heeft gepleegd.
Ten aanzien van [verdachte 1] is de rechtbank van oordeel dat zijn bijdrage in voornoemd gesprek van dusdanige geringe betekenis is, dat niet gesproken kan worden over daadwerkelijke voorbereidingshandelingen van [verdachte 1] . Het enkele gegeven dat hij een klant zou hebben en het eerst goed moest gaan is daarvoor onvoldoende. Dit betekent dat hij voor dit zaaksdossier wordt vrijgesproken.
5.5.3.4.8 B1 4.7.4.2.4 Uitvoer Ierland
Aan [verdachte 5] is ten laste gelegd dat hij samen met anderen een hoeveelheid hennep naar Ierland heeft uitgevoerd (feit 1), dat hij samen met anderen MDMA heeft uitgevoerd naar Ierland (feit 2) en dat hij samen met anderen voorbereidingshandelingen heeft gepleegd voor de uitvoer van cocaïne en MDMA naar Ierland (feit 3).
Aan [verdachte 1] (feit 3), [verdachte 3] (feit 3), [verdachte 6] (feit 2) en [verdachte 12] (feit 1) is ten laste gelegd dat zij samen met anderen voorbereidingshandelingen hebben gepleegd voor de uitvoer van verdovende middelen van lijst I van de Opiumwet naar Ierland.
Inleiding
[verdachte 5] , ‘nachtmerrie’ en ‘swordhand’ hadden contact met elkaar. ‘Nachtmerrie’ had een klant in Ierland, te weten ‘swordhand’, voor onder andere “keta” en “MDMA”. [verdachte 5] zei tegen ‘swordhand’ dat hij alles kon versturen naar Ierland, “tops bottems ket”, alles kon. Er werden vervolgens veel chatgesprekken gevoerd over verschillende soorten drugs.
Voorbereidingshandelingen transport Ierland
Op een vraag van ‘swordhand’ hoelang het transport naar Ierland zou duren zei [verdachte 5] dat zij het van maandag tot woensdag verzonden en het er dan voor het weekend was. Ze verzonden de dozen op pallets. ‘Swordhand’ wilde klein beginnen en afgesproken werd om eerst een dummy te versturen. [verdachte 5] had hierover verder ook contact gehad met ‘bvust’ en er werd besproken om wiet te versturen.
Op 29 maart 2020 vroeg [verdachte 5] aan [verdachte 1] of hij transport naar Ierland had voor wiet. [verdachte 1] reageerde daarop dat hij transport had, maar dat hij niet wist of er wiet in ging en hij zei dat hij dit zou navragen. [verdachte 1] vroeg vervolgens aan [verdachte 3] of in het transport naar Ierland alles kon of alleen blokken. [verdachte 3] reageerde daarop dat alles mee kon en dat hij nog ging navragen hoe het precies ging.
De rechtbank overweegt dat [verdachte 5] en [verdachte 1] actief informatie inwonnen over de mogelijkheid van het transporteren van wiet naar Ierland. Wiet is evenwel een middel genoemd op lijst II van de Opiumwet en aldus kan niet bewezen worden dat zij voorbereidingshandelingen hebben gepleegd ten aanzien van verdovende middelen op lijst I van de Opiumwet.
Aan [verdachte 3] vroeg [verdachte 1] alleen of alles mee kon of alleen blokken. Aan hem werd niet gezegd dat het ging om wiet. Gelet op de referentie naar alles of alleen blokken is het opzet van [verdachte 3] gericht geweest op het inwinnen van informatie voor de mogelijkheid van uitvoer naar Ierland alle soorten verdovende middelen, niet specifiek wiet, zodat [verdachte 3] voorbereidingshandelingen heeft gepleegd voor uitvoer naar Ierland van middelen ook zoals genoemd op lijst I van de Opiumwet.
Uitvoer hennep
Op 26 maart 2020 stuurde [verdachte 5] aan ‘swordhand’ dat hij 30 kilogram “gras” had en even later dat er nog 18 over waren. Op 20 april 2020 stuurde [verdachte 5] naar ‘bvust’ dat hij woensdag wiet ging sturen naar de Ier (‘swordhand’) en dat als het goed ging, de Ier geld terug zou sturen plus geld van hem om te gaan beginnen. Op 30 mei 2020 stuurde [verdachte 5] aan [verdachte 1] dat “groen alleen maar drama is” en dat hij nu 18 stuks in Ierland had, maar dat dit een geluk was. Op 4 juni 2020 stuurde ‘badbutter’ (dezelfde persoon als ‘swordhand’) een bericht waaruit volgde dat hij € 150.000,- ging opsturen, waarvan € 5.000,- per stuk voor [verdachte 5] . Het ging om 18 stuks dus stuurde hij € 90.000,- voor [verdachte 5] . Hij stuurde, zoals eerder gezegd, ook € 60.000,- mee om te beginnen.
Het is de rechtbank bekend dat hennep ook wordt aangeduid als “gras” of “groen”. Mede gelet ook op de prijzen die worden genoemd acht de rechtbank aannemelijk dat over hennep werd gesproken. De rechtbank verklaart dan ook wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte 5] samen met anderen (18 kilogram) hennep heeft uitgevoerd naar Ierland.
Uitvoer MDMA
Op 30 maart 2020 stuurde [verdachte 5] een foto naar ‘swordhand’ waarbij hij zei dat het MDMA was en dat ze 30 kilogram hadden. Er werd verder gesproken over de hoeveelheid en de kwaliteit. Swordhand vroeg daarop of [verdachte 5] Extacy-pillen klaar had en [verdachte 5] antwoordde bevestigend. [verdachte 5] zei dat hij van 38 kilogram 190.000 pillen had gemaakt en dat hij nog 100.000 over had. [verdachte 5] stuurde een foto van twee pillen en zei daarbij dat het om ‘philip plein’ pillen ging, waar aan de ene kant van de pil ‘PP’ stond en aan de andere kant van de pil een doodshoofd.
Op 4 juni 2020 stuurde ‘badbutter’ een rekeningoverzicht naar [verdachte 5] dat zag op de verstuurde hennep. Dit overzicht stuurde [verdachte 5] door aan ‘nachtmerrie’ en hij zei daarbij dat het een beetje jammer was dat de pillen hier nog niet in waren meegenomen. [verdachte 5] zei tegen ‘nachtmerrie’ dat hij een ‘encro’ had gestuurd en 10.000 pillen.
Op 11 juni 2020 vroeg ‘reputablejade’ aan [verdachte 5] of de Ier de “PP” al had betaald, waarop [verdachte 5] ontkennend antwoordde.
Uit het vorenstaande volgt dat [verdachte 5] samen met anderen 10.000 MDMA pillen heeft uitgevoerd naar Ierland. Uit de context van het gesprek blijkt evident dat het om MDMA pillen ging en niet om afslankpillen zoals door de verdediging als mogelijkheid naar voren is gebracht.
Voorbereidingshandelingen uitvoer cocaïne naar Ierland
Op 7 april 2020 stuurde [verdachte 5] foto’s naar ‘swordhand’ waarop een blok met de tekst “Givency” te zien was. [verdachte 5] zei daarbij dat het “collo” was. Later vroeg ‘swordhand’ of het allemaal al weg was, want hij had een groep die 30-50 per keer kocht als de prijs en het product goed waren. [verdachte 5] gaf dit vervolgens door aan ‘hellacash’.
[verdachte 5] zei ook tegen [betrokkene 33] dat hij een klant had voor 30 “collo” en vroeg of hij misschien iets wist. [betrokkene 33] zei dat hij het ging regelen en stuurde een foto mee waarop meerdere blokken te zien waren en dat hij ze kon “pakken” voor € 27.750,-. [betrokkene 33] zei dat dit “bolli” en “collo” was.
Conclusie
De verschillende termen verwijzen allemaal naar hetzelfde soort verdovende middel, te weten 2-CB, hetgeen een synthetische drug is en vermeld staat op lijst I van de Opiumwet.
Rollen verdachten
De rechtbank is van oordeel dat voor [verdachte 1] en [verdachte 11] onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is dat sprake is van voorbereidingshandelingen in het kader van de Opiumwet, nu zij niet meer dan een enkel bericht doorgestuurd hebben waarvan niet blijkt dat daar enig vervolg aan is gegeven. Zij worden dan ook van dit zaaksdossier vrijgesproken.
[verdachte 17] en [verdachte 6] maakten blijkens de chatberichten concrete afspraken over de betaling voor de overname van onder - andere - twee kilo 2-CB. [verdachte 17] verstrekte de 2-CB en [verdachte 6] nam deze af. [verdachte 17] heeft aldus 2-CB vertrekt en [verdachte 6] heeft de 2-CB voorhanden gehad.
[verdachte 6] informeerde ook samen met [verdachte 19] bij andere Encrochat-gebruikers naar potentiële kopers. Zij probeerden de partij 2-CB te verkopen en [verdachte 19] vroeg aan [verdachte 6] of hij een sample kon leveren. Deze handelingen waren concreet gericht op het verkopen van de 2-CB en aldus hebben zij samen voorbereidingshandelingen gepleegd in het kader van de Opiumwet (lijst I).
5.5.3.4.27 B1 4.7.4.3.10 [verdachte 2] als makelaar tp
Aan [verdachte 2] en [verdachte 3] is ten laste gelegd dat zij samen met anderen voorbereidingshandelingen hebben gepleegd met betrekking tot het transport van verdovende middelen op lijst I van de Opiumwet.
Aan [verdachte 1] is dit zaaksdossier ten laste gelegd in het kader van deelname aan een criminele organisatie die als oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in de artikelen 10, 10a en 11 van de Opiumwet (feit 11).
In de periode van 7 juni 2020 tot en met 12 juni 2020 vonden er gesprekken plaats tussen [verdachte 2] , [verdachte 3] , [betrokkene 45] en [betrokkene 46] . Uit deze gesprekken volgt dat [verdachte 2] en [verdachte 3] een afspraak hadden met een persoon om te praten over een transport. Er werd in de berichten gesproken over risico, ‘tp’ en het “succesvol door de scan gaan”. Gezien de inhoud van de berichten mede in de context van de rest van het dossier, kan worden vastgesteld dat het gaat om het transport van verdovende middelen. De rechtbank kan echter niet vaststellen om welke soort verdovende middelen het ging en of het dus om een middel ging zoals genoemd op lijst I van de Opiumwet. De rechtbank spreekt [verdachte 2] en [verdachte 3] dan ook vrij van het plegen van voorbereidingshandelingen.
Ten aanzien van [verdachte 1] overweegt de rechtbank dat hij in dit zaaksdossier niet voorkomt en de rechtbank spreekt hem dan in zoverre dan ook vrij van dit zaaksdossier.
5.5.3.4.28 B1 4.7.4.3.2 Productie synthetische drugs, locatie onbekend, B1 4.7.4.3.11 Handel apaan, B1 4.7.4.3.12 Handel apaan
Aan [verdachte 5] en [verdachte 1] is ten laste gelegd dat zij samen met anderen (meth)amfetamine hebben bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervoerd, vervaardigd en/of aanwezig heeft gehad en dat zij hiertoe voorbereidingshandelingen hebben getroffen.
Aan [verdachte 6] en [verdachte 11] is ten laste gelegd dat zij samen met anderen voorbereidingshandelingen hebben verricht om (meth)amfetamine te bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of vervaardigen.
Chatberichten
In de periode van 27 maart 2020 tot en met 19 mei 2020 zijn er gesprekken gevoerd tussen onder meer [verdachte 5] , [verdachte 1] , [verdachte 6] , [betrokkene 34] en de Encrochat-gebruiker ‘alichemicali’.
Uit de chatberichten leidt de rechtbank het volgende af.
[verdachte 5] zei op 30 maart 2020 tegen ‘wintertijd’ dat hij een “ijsschuurtje” had. [verdachte 5] en [betrokkene 34] hadden vervolgens contact over de stand van zaken en ‘alichemicali’ hield [verdachte 5] op de hoogte van de productie. [verdachte 5] zorgde voor de apaan. Uit de berichten volgt verder dat [verdachte 5] 700 kilogram apaan heeft gebruikt “van zijn ouwe en zijn neef uit Den Haag” om methamfetamine van te kunnen maken en dat hij op zoek was naar meer apaan op zout. Hierover had hij onder andere contact met [verdachte 6] op 31 maart 2020. Samen zorgden zij ervoor dat het contact van [verdachte 5] , ‘mister.vegetto’, 225 kilogram apaan kon ophalen bij het contact van [verdachte 6] in Den Haag.
Op 7 april 2020 stuurde [betrokkene 34] foto’s naar [verdachte 5] waarop een kristalachtige substantie te zien is met daarbij de tekst “is de onze”. [verdachte 5] reageerde daarop met “laat die zomer maar komen vriend ik ga alvast groter bootje bestellen denk”. [verdachte 5] stuurde de foto’s van de reeds geproduceerde methamfetamine door aan [verdachte 6] .
Op 8 april 2020 vroeg [verdachte 5] of [verdachte 6] aan apaan op zout kon komen. [verdachte 6] zei dat hij dat kon bestellen en nam vervolgens contact op met [verdachte 11] . [verdachte 11] zei dat hij alles had verkocht en dat hij nu een wachtlijst had. Dit gaf [verdachte 6] door aan [verdachte 5] .
Vanaf 14 april 2020 ontstonden er problemen bij het laboratorium en wilde [verdachte 5] ermee stoppen omdat de productie tegen zat. [verdachte 5] wilde zijn geld en zijn spullen terug. Op 25 april 2020 begon [verdachte 1] zich met de situatie te bemoeien en zocht contact met Encrochat-gebruiker ‘injuredcheetah’. [verdachte 1] zei dat hij 700 kilogram apaan had geleverd.
Op 8 mei 2020 vertelde [verdachte 1] aan ‘injuredcheetah’ dat hij tegen [verdachte 5] had gezegd dat hij overal mee moest stoppen. ‘Injuredcheetah’ legde vervolgens aan [verdachte 1] uit hoe de samenwerking met [verdachte 5] tot stand was gekomen. ‘Injuredcheetah’ vertelde dat hij zelf met [betrokkene 34] en ‘Ali’ was begonnen met een lab om methamfetamine te maken en dat [betrokkene 34] [verdachte 5] daarbij betrokken had. Toen het niet liep zoals ze gedacht hadden wilde [verdachte 5] zijn inbreng en een deel van de winst terug. Dit heeft hij gekregen. [verdachte 1] reageerde daar nog op dat hij er € 200.000,- aan apaan in had geïnvesteerd.
Wat levert het op?
Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat Encrochat-gebruiker ‘alichemicali’ in opdracht van [verdachte 5] en [betrokkene 34] methamfetamine (ICE) produceerde.
Plaats?
Waar de methamfetamine werd geproduceerd volgt niet direct uit het dossier. Wel wordt er gesproken over het brengen van methamfetamine van Den Bosch naar Utrecht, zodat de rechtbank er vanuit gaat dat dit in ieder geval in Nederland werd geproduceerd. Het dossier bevat ook geen aanwijzingen dat dit in het buitenland werd gedaan.
Rollen verdachten
Uit deze chatberichten leidt de rechtbank af dat [verdachte 5] een leidende rol had bij het produceren van methamfetamine. Hij onderhield contact met [betrokkene 34] over de stand van zaken van de productie en hij zorgde voor de apaan als grondstof om de methamfetamine te kunnen maken. [verdachte 5] deelde ook mee in de winst.
Conclusie
Tijdens de daaropvolgende doorzoeking werd een mobiele telefoon, Apple iPhone 6, aangetroffen voorzien van de SkyECC-applicatie. Deze mobiele telefoon heeft als IMEI- [nummer 16] . Uit de SkyECC-(meta)data is gebleken dat het SkyECC-account ‘M6MVPS’ gebruik heeft gemaakt van dit IMEI-nummer.
Deze Apple iPhone 6 was actief in de periode van 4 juni 2020 tot en met 23 augustus 2020 en maakte het meest verbinding met het basisstation gelegen op [locatie 25] te Capelle aan den IJssel. Het adres waar [verdachte 9] in die periode verbleef, te weten het adres [locatie 26] te Capelle aan den IJssel, valt binnen het theoretische bereik van dat basisstation.
Verder is uit een chatbericht van 5 september 2020 gebleken dat door de gebruiker van het SkyECC-account ‘M6MVPS’ twee foto's van een Belgische- en Nederlandse identiteitskaart op naam van [verdachte 9] zijn verstuurd naar het SkyECC-account ‘MUFG60’.
Uit voorgaande volgt dat [verdachte 9] de gebruiker is geweest van SkyECC-account ‘M6MVPS’. De berichten die met dit account zijn verzonden, volgen logisch op elkaar en de rechtbank heeft geen enkele aanwijzing dat er meerdere personen gebruik hebben gemaakt van dit account. Daarmee oordeelt de rechtbank dat alle berichten van en naar dit account van [verdachte 9] afkomstig en voor hem bestemd waren.
5.5.2.10 PGP-identificatie [verdachte 11]
Encrochat
Aan [verdachte 11] worden de Encrochat-accounts ‘alecub’ en ‘richenergy’ toegeschreven. [verdachte 11] heeft zich op zijn zwijgrecht beroepen.
Op 6 april 2020 stuurde ‘alecub’ aan ‘xxxmariokartxxx’ dat hij een nieuw Encrochat-account heeft, namelijk ‘richenergy’. Hiermee stelt de rechtbank allereerst vast dat de gebruiker van het account ‘alecub’ dezelfde persoon is als de gebruiker van het account ‘richtenergy’.
Op 9 juni 2020 had ‘richenergy’ een chatgesprek met de Encrochat-gebruiker ‘jadeblade’. In dit gesprek schreef ‘richenergy’ dat een dag eerder een rechtszaak had plaatsgevonden. Hierna stuurde ‘richenergy'' een afbeelding van een artikel van de internetpagina ‘crimesite’. Dit betrof het artikel met de naam ‘Alle verdachten cocaïneonderzoek op vrije voeten’. Vervolgens schreef ‘richenergy’ dat iedereen vrij was, maar dat hij nog gezocht werd omdat hij nog verhoord moest worden. Uit het genoemde artikel ‘Alle verdachten cocaïneonderzoek op vrije voeten’ blijkt dat het om het strafrechtelijk onderzoek ‘Grant’ ging dat heeft gediend in de rechtbank te Arnhem. [verdachte 11] was verdachte in dat onderzoek. Uit navraag bij het onderzoek ‘Grant’ bleek dat men een aantal keren getracht had om [verdachte 11] aan te houden. Daarbij schreef ‘richenergy’ dat niemand had gepraat, ‘alleen in de auto’.
De rechtbank ziet hierin een stevige aanwijzing dat [verdachte 11] de gebruiker is van dit account. Daarbij komt nog het volgende.
Door andere Encrochat-gebruikers stond het account van ‘richenergy’ onder andere opgeslagen als ‘turk’ en ‘denhaag’. Ook het account ‘alecub’ staat opgeslagen als ‘alecub(denhaag)’ door gebruiker ‘ultraflamingo’. Daaruit kan worden afgeleid dat de gebruiker van ‘richenergy’ een persoon is van Turkse afkomst die in Den Haag woont. [verdachte 11] is de enige verdachte van Turkse komaf uit Den Haag in het onderzoek Grant.
Ook staat ‘richenergy’ genoemd onder de namen ‘Ibba’ en ‘Ibus’. Deze afkortingen zijn bekend als bijnamen of afkortingen voor de naam Ibrahim. Ook in de chatgesprekken wordt ‘richenergy’ met regelmaat aangesproken als ‘Ib’, ‘Ibski’, ‘Ibba’ en ‘Ibsko’, waaruit eveneens kan worden afgeleid dat de gebruiker van het account ‘richenergy’ de voornaam Ibrahim heeft. Daarnaast is aan het account ‘richenergy’ de naam ‘supragga’ gegeven wat kan slaan op ‘agga’, zoals Den Haag in straattaal wordt genoemd.
Uit een gesprek tussen ‘richenergy’ en ‘don-pedro’ ( [verdachte 6] ) op 12 juni 2020 blijkt dat de zoon van ‘richenergy’ een geldbedrag van € 2.000,- heeft gebracht bij ‘don-pedro’. De zoon van ‘richenergy’ maakte gebruik van het Encrochat-account ‘wiseballoon’. ‘Wiseballoon’ stuurde op 9 juni 2020 om 19.33 uur een bericht naar ‘richenergy’ ‘Gelukt ben thuis’ . ‘Wiseballoon’ maakte gebruik van het IMEI- [nummer 17] . Dit IMEI-nummer straalde op 9 juni 2020 om 20.09 uur het basisstation aan [locatie 27] in Den Haag aan. Onder dit basisstation valt het adres van de gezinsleden van [verdachte 11] en zijn zoon [betrokkene 15] aan [locatie 28] in Den Haag. Het adres waar [betrokkene 15] stond ingeschreven, [locatie 29] in Den Haag, valt weliswaar niet onder het basisstation aan [locatie 27] , maar de eigenaar van die woning heeft verklaard dat [betrokkene 15] hier niet woont.
Uit overige gesprekken tussen ‘wiseballoon’ en ‘richenergy’ volgt dat ‘wiseballoon’ onder behandeling is bij een kliniek voor ‘multi vitamine’. Uit de politiesystemen volgt dat [betrokkene 15] op 27 februari 2020 heeft verklaard dat hij iedere week een B12 injectie krijgt omdat hij in het verleden te veel lachgas heeft gebruikt.
Het account ‘richenergy’ heeft contacten met [verdachte 6] . Uit het onderzoek Chapada volgt dat [verdachte 11] [verdachte 6] kent en tevens [verdachte 19] die ook in het onderzoek Taxus voorkomt. Ook heeft ‘richenergy’ contact met [verdachte 6] over diens zus. [betrokkene 16] heeft verklaard [verdachte 11] te kennen en dat hij wel eens kwam eten bij [verdachte 6] thuis.
Dit alles bij elkaar leidt de rechtbank tot het oordeel dat de gebruiker van de Encrochat-accounts ‘richenergy’ en ‘alecub’ [verdachte 11] was. Zoals opgemerkt is met name de informatie over de zaak Grant een sterke aanwijzing dat [verdachte 11] de gebruiker is van deze accounts. In het vonnis (ECLI:NL:RBGEL:2020:6215) in die zaak is te lezen dat gesprekken zijn afgeluisterd in auto’s. Deze informatie stond niet in de artikelen op ‘crimesite’, maar daar wist de gebruiker van ‘richenergy’ wel van. Dat het om iemand anders zou gaan, zoals door de verdediging is aangevoerd, blijkt verder nergens uit. Voorts volgt uit de bewijsmiddelen dat [verdachte 11] geen toevallige voorbijganger is, maar dat hij een bekende is van [verdachte 6] , [verdachte 19] en [betrokkene 16] die allemaal voorkomen in het dossier Taxus. Dit tezamen met de overige genoemde feiten en omstandigheden maakt dat de rechtbank geen twijfel heeft over de identiteit van de gebruiker van deze accounts, te weten [verdachte 11] . De berichten die met deze accounts zijn ontvangen en verzonden, volgen voorts logisch op elkaar en de rechtbank heeft geen enkele aanwijzing dat er meerdere personen gebruik hebben gemaakt van deze accounts. Daarmee oordeelt de rechtbank dat alle berichten van [verdachte 11] afkomstig waren of voor hem bestemd.
5.5.2.11 PGP-identificatie [verdachte 17]
Encrochat
Aan [verdachte 17] worden de Encrochat-accounts ‘superturbolegend’ en ‘turbofullpower’ toegeschreven. De verdachte heeft geen verklaring afgelegd.
Het Encrochat-account ‘superturbolegend’ verstuurde diverse foto’s van zichzelf. Op deze foto’s is [verdachte 17] te zien.
Op 29 april 2020 stuurde ‘superturbolegend’ voorts naar ‘outdoorfeline‘ de vraag “kan je contract maken voor leas 540 i op naam van mijn zwager’’. Vervolgens stuurde ‘outdoorfeline’ de user-ID ‘stylishgin’ door naar ‘superturbolegend’ en ontstond er contact tussen hen. Uit het gesprek tussen ‘stylishgin’ en superturbolegend’ bleek dat het contract gescand en via de mail verstuurd diende te worden.
Conclusie
[verdachte 5] stuurde de foto door naar ‘swordhand’ en zei daarbij dat het “bolli” en “collo” was en dat het € 28.500,- kostte.
Met ‘colo/collo’ cocaïne afkomstig uit Colombia bedoeld en met “boli/bolli” cocaïne afkomstig uit Bolivia. Gelet ook op de gestuurde foto’s van witte blokken en de genoemde prijs staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat het ging om cocaïne.
[verdachte 5] heeft actief gezocht naar klanten in Ierland voor een concrete partij cocaïne, heeft daarbij de prijzen besproken en contact gehad met een potentiële leverancier. Aldus acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte 5] samen met anderen voorbereidingshandelingen heeft gepleegd voor de uitvoer van cocaïne naar Ierland.
Hasj
Op 12 april 2020 sprak [verdachte 5] met ‘swordhand’ over het versturen van hasj naar Ierland en vroeg aan ‘bvust’ een foto van de hasj die hier in Nederland lag.
[verdachte 5] vroeg ook aan [verdachte 1] of er nog iets van hasj was. [verdachte 1] reageerde hierop dat “jager van de camping” 80 kilo wist.
Op 13 april 2020 hadden [verdachte 5] en ‘swordhand’ contact over de locatie waar het naartoe moest worden verzonden. Vervolgens had [verdachte 5] contact met ‘swordhand’, ‘hellacash’ en [verdachte 1] over het versturen van een dummy naar Ierland. Het plan was om eerst een lege dummy te versturen en daarna een zending met wiet. [verdachte 5] stuurde ook een foto van de dummy naar ‘swordhand’.
De rechtbank overweegt dat het versturen van een dummy kan worden gekwalificeerd als voorbereidingshandeling voor de uitvoer van verdovende middelen naar Ierland. Echter gaat het hier om uitvoer van hasj, een middel dat staat genoemd op lijst II van de Opiumwet en niet op lijst I zoals ten laste is gelegd, aldus worden de verdachten van dit onderdeel van het zaaksdossier vrijgesproken.
Ketamine - [verdachte 6] en [verdachte 12]
Op 31 maart 2020 stuurde [verdachte 5] een foto naar [verdachte 6] waarop een gesealde pallet te zien was en vroeg hij aan [verdachte 6] of hij een ontvangstadres had in Ierland. [verdachte 6] zei dat hij het ging vragen en nam vervolgens contact op met [verdachte 12] met de vraag of hij een ontvanger had in Ierland om wekelijks ketamine naartoe te sturen. Ketamine is geen middel dat op lijst I van de Opiumwet staat genoemd, zodat [verdachte 6] en [verdachte 12] worden vrijgesproken van dit zaaksdossier.
5.5.3.4.9 B1 4.7.4.2.5 Uitvoer pillen naar Rusland en B1 4.7.4.2.3 Uitvoer Engeland
Aan [verdachte 1] is ten laste gelegd dat hij een grote hoeveelheid MDMA-pillen naar Rusland heeft uitgevoerd en dat hij samen met [verdachte 5] 190.000 MDMA pillen aanwezig heeft gehad (feit 1).
Aan [verdachte 5] is ten laste gelegd dat hij een grote hoeveelheid MDMA heeft vervaardigd en aanwezig heeft gehad (feit 2).
Chatberichten
Op 29 maart 2020 vroeg [verdachte 1] aan [verdachte 5] : “hoeveel pillen hebben wij nog liggen”. [verdachte 5] antwoordde daarop “rond de 100 duizend”. Op 30 maart 2020 stuurde [verdachte 5] een foto naar een Encochat-gebruiker swordhand waarbij hij zei dat het MDMA was en dat ze 30 kilogram hadden. Swordhand vroeg daarop of [verdachte 5] Extacy-pillen klaar had en [verdachte 5] antwoordde bevestigend. [verdachte 5] zei dat hij van 38 kilogram 190.000 pillen had gemaakt en dat hij nog 100.000 over had. [verdachte 5] stuurde een foto van twee pillen en zei daarbij dat het om ‘philip plein’ pillen ging, waar aan de ene kant van de pil ‘PP’ stond en aan de andere kant van de pil een doodshoofd. [verdachte 5] vertelde [verdachte 1] ook dat hij van 38 kilogram 190.000 pillen had laten maken.
[verdachte 5] klaagde dat hij het “grafhandel” vond, waarop [verdachte 1] reageerde dat het toch overal werd verkocht en dat hij laatst naar Rusland had gedaan en dat dit goed was gegaan.
Doorzoeking woning [verdachte 1]
In de woning aan [locatie 36] in Landsmeer, de woning waar [verdachte 1] verbleef als hij in Nederland was, is een pil aangetroffen met aan de ene kant ‘PP’ en aan de andere kant een doodshoofd. Deze pil is nader onderzocht door het NFI en testte positief op MDMA.
Verklaring [verdachte 1]
heeft ter terechtzitting verklaard dat hij pillen had verkocht aan “iemand die ze naar Rusland deed”.
MDMA-pillen
Uit de bewijsmiddelen volgt dat [verdachte 5] 190.000 pillen voorhanden heeft gehad en heeft vervaardigd en dat [verdachte 1] en [verdachte 5] samen in elk geval 100.000 pillen voorhanden hebben gehad.
[verdachte 1] heeft verklaard dat het geen MDMA-pillen waren maar stackers, afvalpillen. Ook de verdediging van [verdachte 5] heeft die mogelijkheid geopperd. De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt. Voor deze verklaring is geen enkel aanknopingspunt te vinden in het dossier. Uit de berichtenwisseling tussen swordhand en [verdachte 5] volgt evident dat het om MDMA-pillen ging. Daarin werd ook beschreven hoe de pil eruit zag, onder meer dat op de ene kant “PP” stond. Precies zo’n zelfde pil is in de woning van [verdachte 1] aangetroffen en dit bleek een MDMA-pil te zijn De rechtbank stelt dan ook vast dat het MDMA-pillen waren en geen stackers.
Medeplegen uitvoer naar Rusland?
[verdachte 1] heeft verklaard dat hij de pillen in Nederland aan iemand heeft verkocht die ze naar Rusland “deed”. Dit onderdeel van de verklaring van [verdachte 1] wordt ondersteund door ander bewijs en de rechtbank zal dit onderdeel van zijn verklaring dan ook gebruiken voor het bewijs. Tegen [verdachte 5] zei hij dat “hij naar Rusland had gedaan” en dat dit was goed gegaan. Hieruit maakt de rechtbank op dat [verdachte 1] wist dat de pillen naar Rusland zouden worden verstuurd. [verdachte 1] is ook op de hoogte van het feit dat het is gelukt om de pillen in Rusland te krijgen. Op grond van artikel 1 lid 5 van de Opiumwet moet uitvoer van verdovende middelen extensief worden uitgelegd. [verdachte 1] was op de hoogte van het doel van de persoon die de pillen naar Rusland heeft uitgevoerd, namelijk het uitvoeren naar Rusland en heeft met dat doel de pillen aan hem verkocht. [verdachte 1] kan gelet daarop als medepleger van de uitvoer van de pillen naar Rusland worden aangemerkt.
5.5.3.4.10 B1 4.7.4.2.6 Voorbereiding uitvoer methamfetamine naar Berlijn
Aan [verdachte 5] , [verdachte 1] en [verdachte 3] is ten laste gelegd dat zij samen voorbereidingshandelingen hebben gepleegd om methamfetamine naar Berlijn te versturen (feit 3).
Chatberichten
Uit de Encrochat-berichten leidt de rechtbank het volgende af.
Op 29 maart 2020 spraken [verdachte 1] en [verdachte 3] in het kader van een transport naar Ierland over een vriend van de jongen die “Berlijn heeft gedaan voor ons.” Op 7 april 2020 stuurde [betrokkene 34] foto’s naar [verdachte 5] waarop een kristalachtige substantie te zien was met daarbij de tekst “is de onze”. [verdachte 5] stuurde deze foto’s door aan [verdachte 1] en zei daarbij dat het naar Berlijn moest. [verdachte 1] reageerde daarop dat zijn bloementransport op dat moment niet reed vanwege corona. [verdachte 5] gaf dit door aan [betrokkene 34] .
Conclusie
De rechtbank verklaart dan ook wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte 5] samen met anderen methamfetamine, zoals bedoeld op lijst I van de Opiumwet, heeft vervaardigd en voorhanden heeft gehad en dat hij hiervoor voorbereidingshandelingen heeft getroffen.
Ten aanzien van de rol van [verdachte 1] overweegt de rechtbank dat hij zelf bericht heeft dat hij apaan had geleverd voor de productie van methamfetamine en dat hij er veel geld aan apaan in had zitten. Daarnaast had [verdachte 1] contact met [verdachte 5] over de stand van zaken. Door apaan te leveren heeft [verdachte 1] samen met anderen voorbereidingshandelingen verricht voor de productie van methamfetamine. Dat [verdachte 1] een rol heeft gehad bij de daadwerkelijke productie van de methamfetamine blijkt onvoldoende uit het dossier, zodat hij van het vervaardigen van methamfetamine wordt vrijgesproken.
[verdachte 6] had contact met [verdachte 5] over de mogelijkheid om aan apaan op zout te komen voor de productie van methamfetamine. [verdachte 6] vroeg dit vervolgens na bij [verdachte 11] . Dit zijn naar het oordeel van de rechtbank voldoende concrete handelingen die gericht waren op de productie van methamfetamine. Aldus is wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte 6] voorbereidingshandelingen heeft gepleegd voor de productie van methamfetamine door navraag te doen voor grondstoffen.
[verdachte 11] zei tegen [verdachte 6] dat hij zijn apaan reeds had verkocht. De rechtbank overweegt dat hij daarmee weliswaar een grondstof voor de productie van methamfetamine heeft verkocht wat als voorbereidingshandeling zou kunnen worden gekwalificeerd, maar dat onvoldoende duidelijk is wanneer hij dit heeft verkocht, aan wie en waar. De enkele vraag van [verdachte 6] aan hem voor apaan voor de productie van methamfetamine waarop hij zei dat alles al verkocht is onvoldoende om te spreken van strafbare voorbereidingshandelingen, zodat [verdachte 11] hiervan wordt vrijgesproken.
5.5.3.4.29 B1 4.7.4.3.13 levering en handel ‘nepapaan’
Aan [verdachte 5] , [verdachte 1] , [verdachte 6] , [verdachte 3] en [verdachte 9] is voorts ten laste gelegd dat zij samen met anderen voorbereidingshandelingen hebben verricht om (meth)amfetamine te bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of vervaardigen.
Chatberichten
In de periode van 28 maart 2020 tot en met 22 mei 2020 zijn er chatgesprekken gevoerd door onder meer [verdachte 6] , [betrokkene 47] , [betrokkene 36] , [verdachte 9] , [verdachte 3] en Encrochat-gebruikers ‘rudemode’ en ‘peoplesrules’.
Uit die chatberichten leidt de rechtbank het volgende af.
[verdachte 6] en [betrokkene 36] hadden samen het plan bedacht om 1000 kilogram nepapaan te verkopen aan Encrochat-gebruiker ‘rudemode’. Toen ‘rudemode’ aangaf de kwaliteit eerst te willen testen, gaven [verdachte 6] en [betrokkene 36] hem eerst 100 kilogram echte apaan. Een paar dagen later nam ‘rudemode’ ook de nepapaan over. Deze lading werd opgehaald bij [verdachte 9] door [betrokkene 47] en moest richting Arnhem. Om te voorkomen dat ‘rudemode’ er achter zou komen dat het geen echte apaan betrof, werd er een anonieme melding gedaan bij de politie toen de overdracht had plaatsgevonden en werd er een inval gedaan door de politie op het adres in Zwolle waar de nepapaan was afgeleverd. Uit onderzoek naar de nepapaan door het NFI is gebleken dat de lading voornamelijk zetmeel bevatte, maar ook een kleine hoeveelheid apaan.
Uit gesprekken tussen [verdachte 3] en Encrochat-gebruiker ‘peoplesrules’ volgt dat [verdachte 3] op de hoogte was van het feit dat [verdachte 6] anderen aan het oplichten was door nepapaan aan hen te verkopen als echte apaan.
Rollen verdachten
De rechtbank overweegt ten aanzien van [verdachte 6] dat uit de bewijsmiddelen volgt dat hij een actieve rol heeft gehad bij de verkoop van de nepapaan. Voorafgaand aan de verkoop van de nepapaan heeft hij 100 kilogram echte apaan verkocht zodat de kwaliteit kon worden getest. [verdachte 6] was op de hoogte dat de apaan werd gebruikt voor de productie van methamfetamine. Zodoende heeft [verdachte 6] apaan geleverd als grondstof voor methamfetamine. Ook de nepapaan bevatte echte apaan. De rechtbank verklaart daarom wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte 6] samen met [betrokkene 36] voorbereidingshandelingen heeft gepleegd voor de productie van methamfetamine, zoals bedoeld op lijst I van de Opiumwet.
Ten aanzien van de rol van [verdachte 9] overweegt de rechtbank dat uit het dossier niet volgt dat hij op de hoogte was van het feit dat er voorafgaand aan de nepapaan ook 100 kilogram echte apaan is verkocht. Daarnaast volgt niet uit het dossier dat [verdachte 9] wist wat voor lading hij aan [betrokkene 47] overleverde, zodat [verdachte 9] wordt vrijgesproken van het plegen van voorbereidingshandelingen.
Ten aanzien van de rol van [verdachte 3] overweegt de rechtbank dat de enkele wetenschap dat iemand anders nepapaan verkoopt onvoldoende is om van eigen voorbereidingshandelingen te kunnen spreken, zodat [verdachte 3] hiervan wordt vrijgesproken.
Ten aanzien van de rol van [verdachte 1] overweegt de rechtbank dat er aanwijzingen zijn dat de lading nepapaan van [verdachte 1] was, maar dit is onvoldoende vast komen te staan, zodat [verdachte 1] wordt vrijgesproken van het plegen van voorbereidingshandelingen.
Ten aanzien van [verdachte 5] overweegt de rechtbank dat uit de bewijsmiddelen niet volgt dat hij enige rol heeft gehad bij de verkoop van de nepapaan en de 100 kilogram echte apaan, zodat hij wordt vrijgesproken van het plegen van voorbereidingshandelingen.
5.5.3.4.30 B1 4.7.4.3.16 handel wijnsteenzuur
[verdachte 1] , [verdachte 6] en [verdachte 11] worden er in dit zaaksdossier van verdacht dat zij voorbereidingshandelingen in het kader van de Opiumwet (lijst I) hebben gepleegd met betrekking tot de invoer van wijnsteenzuur.
Chatberichten
De verdenkingen zijn gebaseerd op Encrochat-berichten in de periode van 30 maart 2020 tot en met 12 juni 2020. De rechtbank leidt uit de in de bewijsmiddelen opgenomen chatberichten het volgende af.
Op 30 maart 2020 berichtte [verdachte 11] aan [verdachte 6] dat hij met China had gesproken over de betaling van GBL en dat er nog $ 15.000,- op de rekening stond. Hij kon dit laten terugstorten of er een ander product mee kopen. [verdachte 11] stelde voor om er 5000 kg wijnsteenzuur mee te kopen, voor naar de ‘Port Koper’. Dit zou in NL € 30,- de kilo opleveren. [verdachte 6] vond dit goed. Vervolgens hadden [verdachte 11] en [verdachte 6] over een weer contact dat dit naar ‘Koper slovenie haven’ gestuurd kon worden, met ‘dezelfde gegevens als GBL’. Verder chatte [verdachte 11] dat ‘Icelabs’ de wijnsteenzuur kopen. [verdachte 11] en [verdachte 6] bespraken mogelijke invoerperikelen, maar volgens [verdachte 11] kon het niet fout gaan, omdat wijnsteenzuur legaal was en niet op de lijst van drugsprecursoren van de douane stond.
Op 31 maart 2020 hadden [verdachte 11] en [verdachte 6] wederom contact over de wijnsteenzuur, aangezien voor de invoer in de EU een dumping-taks betaald zou moeten worden. Volgens [verdachte 11] wilde China wel de helft meebetalen. [verdachte 6] ging navragen hoe hoog de heffing zou zijn in BUD.
Conclusie
Door ‘superturbolegend’ werd vervolgens het [e-mailadres] naar ‘stylyshgin‘ verstuurd. Dit e-mailadres is in gebruik te zijn bij [betrokkene 17] . Hij was getrouwd met [betrokkene 18] , zijnde de zus van [verdachte 17] . [betrokkene 17] is dus de zwager van [verdachte 17] .
Door verschillende Encrochat-gebruikers is ‘superturbolegend’ bovendien opgeslagen als ‘Belg’, ‘belg 2020’ of ‘belg sp’. [verdachte 17] bezit de Belgische nationaliteit. De bijnaam ‘belg’ past bij de identiteit van [verdachte 17] .
Uit berichten van ‘superturbolegend’ van 30 april 2020 tussen ‘hierzijnweweerzus’ en ‘superturbolegend’ bleek dat de moeder van ‘superturbolegend’ op 30 april 2020 jarig was. De moeder van [verdachte 17] is op 30 april jarig is. Verder bleek uit berichten van ‘hierzijnweweerzus’ en ‘largecardinal’ dat zij de gebruiker van ‘superturbolegend’ aanspraken als ‘ [verdachte 17] .’
Op 24 mei 2020 stuurde de gebruiker van ‘superturbolegend’ voorts naar 17 contactpersonen het bericht dat ‘turbofullpower’ het opvolgende account was van ‘superturbolegend’.
Gelet op het vorenstaande stelt de rechtbank vast dat [verdachte 17] gebruik maakte van het Encrochat-account ‘superturbolegend’ en opvolgend van het Encrochat-account ‘turbofullpower’. De berichten die met deze accounts zijn verstuurd en ontvangen volgen logisch op elkaar en er is verder ook geen enkele aanwijzing dat deze accounts door meerdere personen werden gebruikt. Daarmee oordeelt de rechtbank dat alle berichten van en naar dit account van [verdachte 17] afkomstig en voor hem bestemd waren.
5.5.2.12 PGP-identificatie [verdachte 13]
Encrochat
Aan [verdachte 13] worden de Encrochat-accounts ‘sportsvr’ en ‘audirszes’ toegeschreven. [verdachte 13] heeft hierover geen verklaring willen afleggen.
Het account ‘sportsvr’ maakte gebruik van het IMEI- [nummer 18] . Dit nummer was actief in de periode van 8 januari 2020 tot en met 22 april 2020. Uit de historische verkeersgegevens blijkt dat de telefoon met dit IMEI-nummer zich op een aantal momenten naar het buitenland verplaatste. Zo maakte de telefoon op verschillende momenten verbinding in Nederland en Spanje. De momenten waarop dit gebeurde kwamen overeen met de vluchtgegevens van [verdachte 13] van en naar Spanje. Ook maakte de telefoon op enig moment verbinding met een basisstation op Curaçao, op het moment dat [verdachte 13] volgens de vluchtgegevens op Curaçao was aangekomen.
Vanaf 8 mei 2020 stuurde ‘sportsvr’ naar verschillende accounts dat hij een nieuw Encrochat-account had, namelijk ‘audirszes’. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de accounts ‘sportsvr’ en ‘audirszes’ door dezelfde persoon werden gebruikt.
De accounts ‘sportsvr’ en ‘audirszes’ staan voorts bij andere accounts onder andere opgeslagen als ‘marco’, ‘den bosch 1’, ‘rolex’, ‘oog’, ‘Popeye’, ‘1 oog’, ‘schele’, ‘satu’, ‘boxer’, ‘capellania2020’ en ‘rs6’. Deze bijnamen kunnen verwijzen naar [verdachte 13] . Zo verwijst Marco naar de voornaam van [verdachte 13] en was hij woonachtig in Den Bosch. Op een politiefoto uit 2018 is bovendien een afwijking te zien aan een oog van [verdachte 13] . ‘Satu’ kan voorts verwijzen naar motorclub Satudarah. Uit het bedrijfsprocessysteem van de politie volgt dat [verdachte 13] lid was van Satudarah MC.
Boxer kan verwijzen naar het feit dat [verdachte 13] boksles geeft en uit de gesprekken die ‘sportsvr’ voert volgt ook dat hij bokst. Capellania is een wijk in de gemeente Benalmádena in Spanje waar [verdachte 13] woonachtig was. Verder volgt uit gesprekken van 31 maart 2020 tot en met 4 april 2020 dat [verdachte 1] en [verdachte 10] het over ‘Rolex’ hebben als zij het hebben over [verdachte 13] . Op de telefoon van [verdachte 13] zijn ook diverse afbeeldingen van horloges van het merk Rolex aangetroffen, waaruit kan volgen dat hij een voorliefde heeft voor horloges van dit merk. Tot slot wordt in meerdere bijnamen van de accounts ‘sportsvr’ en ‘audirszes’ verwezen naar een Audi of specifiek een Audi RS6. [verdachte 13] heeft in de periode van 6 mei 2020 tot en met 15 september 2020 een Audi SQ7 op naam gehad. Een Spaans observatieteam heeft op 3 januari 2019 gezien dat [verdachte 13] en [verdachte 1] in Spanje gebruik maakten van een Audi RS6.
Gelet op al het voorgaande stelt de rechtbank vast dat [verdachte 13] de gebruiker is geweest van de Encrochat-accounts ‘sportsvr’ en ‘audirszes’. De berichten die met deze accounts zijn ontvangen en verzonden, volgen logisch op elkaar. Daarmee oordeelt de rechtbank dat de berichten waarin niet werd gezegd dat Tyson op dat moment de gebruiker was, van [verdachte 13] afkomstig waren of voor hem bestemd.
SkyECC
Aan [verdachte 13] worden de SkyECC-accounts ‘CF8AFP’ en ‘4GCKSH’ toegeschreven. Ook hierover heeft hij geen verklaring willen afleggen.
Uit een gesprek dat [verdachte 13] met het Encrochat-account ‘sportsvr’ op 18 april 2020 voerde met ‘palacepizza’ volgt dat hij vanaf dat moment in het bezit was van een Sky-telefoon. Op 22 april 2020 voerde [verdachte 13] een gesprek met ‘malletshore’ en zegt hij dat ‘CF8AFP’ zijn SkyECC-account is. Gelet hierop staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat [verdachte 13] de gebruiker was van het SkyECC account ‘ CF8AFP’. Dit account werd tot en met 6 juli 2020 vrijwel dagelijks gebruikt. Daarna alleen nog op 15, 16 en 17 juli 2020.
Tijdens de doorzoeking van de woning van [verdachte 13] op 16 september 2020 is een IPhone 7 aangetroffen met het IMEI- [nummer 19] . Deze telefoon werd gebruikt door het SkyECC-account ‘4GCKSH’. De telefoon straalde vanaf 24 juni 2020 de basisstations in de omgeving van de woning van [verdachte 13] aan [locatie 6] in Den Bosch het meest aan. De SkyECC-accounts ‘CF8AFP’ en ‘4GCKSH’ hadden 24 overeenkomstige contacten. Gelet hierop stelt de rechtbank vast dat [verdachte 13] ook de gebruiker was van het SkyECC-account ‘4GCKSH’.
5.5.2.13 PGP-identificatie [verdachte 18]
Aan [verdachte 18] wordt het Encrochat-account ‘borneos’ toegeschreven. [verdachte 18] heeft zich beroepen op zijn zwijgrecht.
Encrochat
Het Encrochat-account ‘borneos’ maakte gebruik van een mobiele telefoon met het IMEI- [nummer 20] . Dit IMEI-nummer straalde over de periode 1 januari 2020 tot en met 13 juni 2020 de KPN basisstations gelegen aan [locatie 30] te Amsterdam en aan [locatie 31] te Amsterdam, het vaakst aan. Het verblijfadres van [verdachte 18] , [locatie 32] te Amsterdam, valt binnen de theoretische zendrichting en bereik van deze basisstations.
Andere Encrochat-gebruikers hadden het Encrochat-account ‘borneos’ opgeslagen als ‘Tolk’. [verdachte 1] heeft ter terechtzitting van 13 maart 2023 verklaard dat hij contact had met [verdachte 18] die voor hem als tolk optrad in de berichtgeving tussen een persoon genaamd [betrokkene 38] en hem. [verdachte 1] heeft daarbij verklaard dat het contact tussen hem en [betrokkene 38] bijna altijd via [verdachte 18] liep. Uit de bewijsmiddelen volgt voorts dat het steeds ‘borneos’ was die contact had met enerzijds [verdachte 1] en anderzijds ‘ [betrokkene 38] ’ (het Encrochat-account Rubbercake).
Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat [verdachte 18] de gebruiker is geweest van het Encrochat-account ‘borneos’.
Conclusie
Rollen verdachten
Zoals elders in dit vonnis onder zaaksdossier B1 4.7.4.3.2 (productie synthetische drugs, locatie onbekend) is beschreven verklaart de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte 5] samen met anderen methamfetamine heeft vervaardigd en voorhanden gehad.
Uit de bewijsmiddelen in dit zaaksdossier volgt dat [verdachte 5] hier actief informatie aan het inwinnen was om zijn methamfetamine naar Berlijn te transporteren. Dat zijn concrete handelingen die gericht zijn op de uitvoer van methamfetamine en aldus verklaart de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat hij voorbereidingshandelingen heeft gepleegd in het kader van de Opiumwet (lijst I).
[verdachte 1] heeft op een enkel bericht van [verdachte 5] of het transport naar Berlijn reed ontkennend geantwoord. Dit is onvoldoende voor het plegen van voorbereidingshandelingen van methamfetamine naar Berlijn zodat de rechtbank hem vrijspreekt van dit zaaksdossier.
Ten aanzien van [verdachte 3] overweegt de rechtbank dat uit de chatgesprekken volgt dat [verdachte 1] en [verdachte 3] hebben gesproken over een jongen die eerder voor hen naar Berlijn is gegaan. Daaruit kan niet worden afgeleid dat [verdachte 3] enige betrokkenheid heeft gehad bij de voorbereidingshandelingen van [verdachte 5] ten aanzien van de uitvoer van methamfetamine naar Berlijn. Hij wordt dan ook vrijgesproken van dit zaaksdossier.
5.5.3.4.11 B1 4.7.4.2.7 Liften, zwanger maken rip off en BV-BV
Aan [verdachte 1] en [verdachte 3] is ten laste gelegd dat zij voorbereidingshandelingen hebben gepleegd voor vervoer naar en (verdere) invoer in België van cocaïne in zeven tassen.
Chatberichten
In de periode van 27 maart 2020 tot en met 11 juni 2020 hadden [verdachte 1] en [verdachte 3] contact met meerdere Encrochat-gebruikers. Uit de chatberichten leidt de rechtbank het volgende af.
Encrochat-gebruiker Belg-patat nam op 1 mei 2020 contact op met [verdachte 1] en stuurde hem een chatwisseling door tussen hem en een andere Encrochat-gebruiker Ghost-fighter waaruit bleek dat er een bak in transit stond. Belg-patat gaf aan Ghost-fighter door dat ‘ouwe’ wel wat kon regelen en veel contacten had.
[verdachte 1] gaf de informatie van Belg-patat vervolgens door aan [verdachte 17] . Zo berichtte hij dat er 47 bakken aan waren gekomen in Antwerpen en dat deze in transit stonden. Hij gaf ook het kadenummer door dat hij van Belg-patat had gekregen. [verdachte 17] gaf eerst aan dat hij daar misschien wel wat mee kon. Vervolgens berichtte hij [verdachte 1] dat ‘vrijzet’ heel moeilijk was, het bijna nooit lukte en je het risico liep dat je mensen moest opofferen.
Vervolgens gaf [verdachte 1] de informatie ook door aan [verdachte 3] . Daarbij berichtte hij dat er ‘300’ in zat.
[verdachte 3] en [verdachte 17] wilden toen weten of het een ‘lift-verhaal’ was of dat het tussen de lading zat. [verdachte 1] gaf aan dat het om het liften van 7 tassen ging.
[verdachte 3] zei dat hij het zou vragen aan degenen die daar werken. [verdachte 3] zocht vervolgens contact met twee andere Encrochat-gebruikers. Ondertussen hadden [verdachte 1] en Belg-patat weer contact met elkaar. Belg-patat vroeg of [verdachte 1] een 'streep' had daar, waarop [verdachte 1] antwoordde dat hij normaal een hele bak naar buiten kon krijgen, maar dat hij transit nog nooit had gedaan.
[verdachte 3] gaf door dat zijn man ziek was en dat er door iemand anders al druk over gemaild werd. [verdachte 1] gaf door aan Belg-patat dat ze via iemand anders met dezelfde man bezig waren waarop Belg-patat reageerde dat het dan niks zou worden.
Wat levert het op?
Uit de chatberichten leidt de rechtbank af dat Ghost-fighter een probleem had met een bak die in transit stond. Gezien het gegeven dat werd gesproken over het liften van zeven tassen met 300 erin, het eruit halen van een bak voor de scan en het opofferen van mensen, stelt de rechtbank vast dat er in de bak verdovende middelen zaten. Ook [verdachte 1] zelf heeft ter terechtzitting verklaard dat het om tassen drugs ging, waarbij hij ervan uit ging dat het om cocaïne ging. Deze verklaring van [verdachte 1] wordt ondersteund door de chatberichten zodat de rechtbank deze verklaring in zoverre gebruikt voor het bewijs.
Rol [verdachte 1]
Belg-patat heeft [verdachte 1] ingeschakeld om te kijken of deze kon helpen bij het eruit halen van de bak met verdovende middelen. [verdachte 1] gaf aan dat hij het zelf nog nooit had gedaan, en schakelde [verdachte 17] en [verdachte 3] in om te kijken of zij konden helpen.
Aldus heeft [verdachte 1] handelingen verricht die erop gericht waren ervoor te zorgen dat de bak met ‘de 300’, waarbij hij ervan uit ging dat het om cocaïne ging, in zeven tassen door de douane te krijgen zodat deze verder kon worden vervoerd. Aldus heeft hij samen met anderen voorbereidingshandelingen gepleegd met betrekking tot de doorvoer van verdovende middelen op lijst I.
Rol [verdachte 3]
Uit de chatberichten volgt dat [verdachte 3] is gaan navragen of hij iets kon doen voor de bak met 7 tassen met ‘300’ erin. Gelet op de informatie die [verdachte 3] kreeg en het gegeven dat hij zelf vroeg of het een liftverhaal was, stelt de rechtbank vast dat [verdachte 3] wist dat het ging om verdovende middelen. Nergens blijkt evenwel uit of hij wist dat het om verdovende middelen op lijst 1 of lijst II ging. Daarom kan niet bewezen worden dat [verdachte 3] voorbereidingshandelingen heeft gepleegd met betrekking tot verdovende middelen op lijst I en zal hij van dit zaaksdossier worden vrijgesproken.
5.5.3.4.12 B1 4.7.4.2.8 Lijn limoenen en B1 4.7.4.2.9 Uithaal liften Antwerpen
Aan [verdachte 1] , [verdachte 6] , [verdachte 3] en [verdachte 18] is ten laste gelegd dat zij tezamen en in vereniging met anderen voorbereidingshandelingen hebben gepleegd voor de invoer van verdovende middelen zoals genoemd op lijst I van de Opiumwet.
Inleiding
In de periode van 31 maart 2020 tot en met 1 juni 2020 zijn er verschillende Encrochat-berichten verstuurd door en naar onder andere [verdachte 1] , [verdachte 6] , [verdachte 3] , [verdachte 18] , [betrokkene 35] , [betrokkene 36] en de onbekend gebleven Encrochat-gebruikers ‘literaltooth’, ‘peoplesrules’ en ‘wombatpearl’.
Transport limoenen naar Antwerpen – [verdachte 1] , [verdachte 3] en [verdachte 18]
Op 31 maart 2020 had [verdachte 3] contact met onder meer ‘peoplesrules’ over het bestellen van limoenen. [verdachte 3] gaf aan dat hij bezig was om voor iedereen te verdienen, maar het verliep niet hoe het zou moeten en dat als het niet op een normale manier kon hij het aan ‘ouwe’ door zou geven om een andere oplossing te vinden.
Uit de gesprekken van 2 en 4 april 2020 volgt onder meer dat [betrokkene 35] contact had met ‘literaltooth’, de contactpersoon in Colombia, om een lijn met limoenen op te zetten en dat er eerst schone ladingen moesten worden verstuurd. ‘Literaltooth’ zei dat ze wachtten op de kant van [betrokkene 35] , waarop [betrokkene 35] zei dat hij het ging navragen.
Conclusie
Op 2 april 2020 stuurde [verdachte 11] dat de container op 15 april geboekt was voor wijnsteenzuur naar Koper. Op 12 juni 2020 stuurde [verdachte 6] naar [verdachte 11] dat hij met ‘Luca’ zat en de 4500 kilo wijnsteenzuur in zijn magazijn was. [verdachte 11] antwoordde dat het 5000 kilo moest zijn.
NFI rapport 30 december 2022
Uit het NFI-rapport volgt dat er meerdere methoden zijn om methamfetamine te produceren. In de praktijk wordt bij de illegale productie van methamfetamine in Nederland doorgaans dezelfde chemicaliën en (globaal) dezelfde productieprocessen toegepast. Eén van deze chemicaliën is wijnsteenzuur.
Wat levert het op?
Uit voorgaande leidt de rechtbank af dat [verdachte 11] en [verdachte 6] gezamenlijk wijnsteenzuur van China naar Slovenië hebben vervoerd. Uit voornoemde berichten blijkt dat [verdachte 11] en [verdachte 6] wijnsteenzuur hebben vervoerd omdat ‘icelabs’ dit kopen. Uit het NFI rapport leidt de rechtbank af dat wijnsteenzuur wordt gebruikt voor de productie van methamfetamine, ofwel ‘ice’. Daarmee staat vast dat de eindbestemming van deze 5000 kilogram wijnsteenzuur de productie van een middel zoals genoemd op lijst I van de Opiumwet was en daarmee strafbaar op grond van 10a van de Opiumwet.
De rechtbank is daarmee van oordeel dat ten aanzien van [verdachte 11] en [verdachte 6] voldoende wettig en overtuigend bewijs is voor het medeplegen van voorbereidingshandelingen in het kader van de Opiumwet.
Rechtstreekse betrokkenheid van [verdachte 1] bij deze feiten heeft de rechtbank niet vastgesteld. [verdachte 1] wordt in zoverre vrijgesproken.
5.5.3.4.31 B1 4.7.4.4.1 Gebruik, betalingen en verlengingen PGP’s
Aan [verdachte 1] , [verdachte 18] , [verdachte 6] , [verdachte 7] en [verdachte 12] is ten laste gelegd dat zij samen met anderen voorbereidingshandelingen hebben gepleegd in het kader van de Opiumwet (lijst I), door onder meer PGP-telefoons en/of PGP-abonnementen te (laten) bestellen, (laten) betalen of te gebruiken. Aan [verdachte 1] is dit ook als voltooid delict ten laste gelegd.
Aan [verdachte 4] is dit zaaksdossier niet afzonderlijk in de bijlage bij de tenlastelegging genoemd. Nu in de tekst van de tenlastelegging expliciet PGP-telefoons en/of PGP-abonnementen bestellen, betalen en gebruiken wordt genoemd, acht de rechtbank de dagvaarding in zoverre voldoende bepaald en was het voor de verdachte duidelijk dat hij van dit zaaksdossier werd verdacht. De rechtbank zal dit onderdeel van de tenlastelegging in zijn zaak dan ook beoordelen.
Aan [verdachte 9] is dit zaaksdossier alleen in de bijlage bij zijn tenlastelegging genoemd in het kader van de verdenking van deelname aan een criminele organisatie die als oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in de artikelen 10, 10a en 11 van de Opiumwet en niet onder feit 1. In de tekst van de tenlastelegging onder feit 1 worden expliciet PGP-telefoons en/of PGP-abonnementen bestellen, betalen en gebruiken genoemd. Dit maakt dat de rechtbank de dagvaarding in zoverre voldoende bepaald acht en was het voor de verdachte duidelijk dat hij van dit zaaksdossier werd verdacht. De rechtbank zal dit onderdeel van de tenlastelegging in zijn zaak dan ook beoordelen.
Gebruik PGP-telefoons
Zoals hiervoor is overwogen (onder PGP-identificatie) hebben alle verdachten gebruik gemaakt van één of meer PGP-telefoons. [verdachte 1] , [verdachte 7] , [verdachte 6] , [verdachte 9] en [verdachte 12] hebben van deze telefoons gebruik gemaakt bij het plegen van voorbereidingshandelingen voor - kort gezegd - handel in verdovende middelen op lijst I, dan wel voor voltooide drugsdelicten. Hiervoor wordt verwezen naar al hetgeen hiervoor is opgenomen.
Chatberichten
Uit de chatberichten volgt dat [verdachte 1] contact had met ‘pgp-master’ over het verlengen van het SkyECC-account van [verdachte 18] . Ook liet [verdachte 1] [verdachte 4] PGP-accounts verlengen.
Voorts had [verdachte 1] contact met [verdachte 7] over het leveren van een SkyECC-telefoon bij de eigenaar van een B.V. [verdachte 7] zou deze aan die eigenaar afleveren.
Uit de chatberichten volgt verder dat [verdachte 6] PGP-accounts heeft verlengd, onder andere dat van [verdachte 12] , en daar geld voor heeft betaald.
Uit de chatberichten volgt dat [verdachte 4] contact had met ‘pgp-master’ over het verlengen en betalen van een aantal Encrochat- en SkyECC-accounts, waaronder dat van hemzelf, [verdachte 18] en [verdachte 1] .
Conclusie
De berichten die met dit account zijn ontvangen en verzonden, volgen logisch op elkaar en de rechtbank heeft geen enkele aanwijzing dat er meerdere personen gebruik hebben gemaakt van dit account. Daarmee oordeelt de rechtbank dat alle berichten van en naar dit account van [verdachte 18] afkomstig en voor hem bestemd waren.
SkyECC
Aan [verdachte 18] wordt het SkyECC-account ‘Q6E549’ toegeschreven. [verdachte 18] heeft zich beroepen op zijn zwijgrecht.
Uit berichten van het Encrochat-account ‘borneos’ van [verdachte 18] blijkt dat hij ook de beschikking heeft over het SkyECC-account ‘Q6E549’. Uit een aantal berichten blijkt voorts dat de gebruiker van het SkyECC-account ‘Q6E549’ ‘chili’ of ‘tolk’ wordt genoemd. Verder blijkt uit de berichten zoals gevoerd door het SkyECC-account ‘Q6E549’ dat de gebruiker optreedt als tolk en berichten uitwisselt met [betrokkene 38] en dat de informatie moet worden doorgegeven aan ‘ouwe’.
Gelet hierop stelt de rechtbank vast dat [verdachte 18] ook de gebruiker is geweest van het SkyECC-account ‘Q6E549’. De berichten die met dit account zijn verzonden, volgen logisch op elkaar en de rechtbank heeft geen enkele aanwijzing dat er meerdere personen gebruik hebben gemaakt van dit account. Daarmee oordeelt de rechtbank dat alle berichten van dit account van [verdachte 18] afkomstig waren.
5.5.2.14 PGP-identificatie [verdachte 4]
Encrochat
Aan [verdachte 4] wordt het Encrochat-account ‘stylishgin’ toegeschreven.
[verdachte 4] heeft verklaard dat hij van dit Encrochat-account gebruik maakte. De rechtbank stelt daarom vast dat [verdachte 4] de gebruiker is geweest van het Encrochat-account ‘stylishgin’.
Voor zover door de verdediging is aangevoerd dat ook andere personen van de PGP-telefoon van [verdachte 4] gebruik hebben kunnen maken overweegt de rechtbank als volgt. [verdachte 4] heeft niet concreet verklaard wie dan gebruik maakten van zijn telefoon en op welke momenten. Voorts stelt de rechtbank vast dat de berichten die met dit account zijn ontvangen en verzonden logisch op elkaar volgen. De rechtbank heeft ook geen enkele concrete aanwijzing dat meerdere personen gebruik hebben gemaakt van dit account. Zo is nergens een bericht te zien waarin iemand zich kenbaar maakt als iemand anders dan [verdachte 4] en evenmin is te zien dat iemand zich afvraagt of ze met [verdachte 4] of met iemand anders te maken hebben. Daarmee oordeelt de rechtbank dat alle berichten van en naar dit account van [verdachte 4] afkomstig en voor hem bestemd waren.
5.5.2.15 PGP-identificatie [verdachte 12]
Encrochat
Aan [verdachte 12] wordt het Encrochat-account ‘hetty’ toegeschreven. [verdachte 12] heeft zich beroepen op zijn zwijgrecht.
Het Encrochat-account ‘hetty’ is gebruikt in de periode van 27 maart 2020 tot en met 6 juni 2020 in een telefoon met IMEI- [nummer 21] . Op 27 april 2020 stuurde ‘hetty’ een bericht waarin hij twee telefoonnummers noemde, waarbij hij het [telefoonnummer 3] als privénummer opgaf. In de politiesystemen werd dit nummer teruggevonden als het telefoonnummer waarvan [betrokkene 19] heeft verklaard dat dit het telefoonnummer was van haar vriend, [verdachte 12] , en dat hij zou werken in Cuijk. [betrokkene 19] en [verdachte 12] hebben samen een dochter.
Voornoemd [telefoonnummer 3] , was in de periode van 15 mei 2020 tot en met 17 juni 2020 actief in een telefoon met IMEI- [nummer 22] . Tijdens de doorzoeking van de woning van [verdachte 12] in Spanje op 16 september 2020 is een mobiele telefoon aangetroffen met een duo-sim en was voorzien van de IMEI- [nummer 23] en voormeld IMEI-nummer.
In chats tussen de gebruikers ‘hetty’ en ‘don-pedro’ ( [verdachte 6] ) komen berichten voor over het [bedrijf 4] te Cuijk. Het account van ‘hetty’ staat bovendien bij andere Encrochat-gebruikers onder andere opgeslagen als ‘ Rene bv Spanje’, ‘Renee’ en ‘autobv’.
Deze namen kunnen slaan op de voornaam van [verdachte 12] . [verdachte 12] is voorts sinds 4 januari 2017 woonachtig in Spanje. Daarbij was [betrokkene 19] in de periode van 4 oktober 2018 tot en met 1 april 2020 enig aandeelhouder van [bedrijf 4] In een ander politieonderzoek werd op 19 oktober 2019 de beheerder van autohandel [bedrijf 4] gehoord als getuige en dit betrof [verdachte 12] .
Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat het Encrochat-account ‘hetty’ toebehoort aan [verdachte 12] . De berichten die met dit account zijn verzonden en ontvangen, volgen logisch op elkaar en de rechtbank heeft geen enkele aanwijzing dat meerdere personen gebruik hebben gemaakt van dit account. Daarmee oordeelt de rechtbank dat alle berichten van en naar dit account van [verdachte 12] afkomstig en voor hem bestemd waren.
5.5.2.16 PGP-identificatie [verdachte 25]
Encrochat
Aan [verdachte 25] worden de Encrochat-accounts ‘zippylord’ en ‘masrur’ toegeschreven. [verdachte 25] heeft zich beroepen op zijn zwijgrecht.
Uit berichtenverkeer tussen de Encrochat-accounts ‘pgpmaster’ en ‘zippylord’ van 3 april 2020 blijkt dat zij een afspraak maken om elkaar te zien. ‘Zippylord’ stuurt dat hij thuis in Rijswijk is en geeft [locatie 33] in Rijswijk door. [verdachte 25] staat ingeschreven op dit adres. Bij andere Encrochat-gebruikers is het Encrochat-account ‘zippylord’ bovendien opgeslagen als ‘kale agga’, ‘kale m’ en ‘kale’. Deze bijnamen passen bij (het uiterlijk van) [verdachte 25] .
De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat [verdachte 25] de gebruiker is geweest van het Encrochat-account ‘zippylord’.
Op [geboortedag] 2020 stuurde de gebruiker van het Encrochat-account ‘masrur’ naar ‘horridhedge’ het bericht: “hoe gaat het vriend met zippylord, dit is nieuw’. De rechtbank leidt hieruit af dat ‘masrur’ het opvolgende Encrochat-account is van ‘zippylord’ en aldus ook in gebruik is geweest bij [verdachte 25] .
Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat [verdachte 25] de gebruiker is geweest van de Encrochat-accounts ‘zippylord’ en ‘masrur’. De berichten die met deze accounts zijn ontvangen en verzonden, volgen logisch op elkaar en de rechtbank heeft geen enkele aanwijzing dat er meerdere personen gebruik hebben gemaakt van deze accounts. Daarmee oordeelt de rechtbank dat alle berichten van en naar deze accounts van Marco Werhmann afkomstig en voor hem bestemd waren.
5.5.2.17 PGP-identificatie [verdachte 19]
Encrochat
Aan [verdachte 19] worden de Encrochat-accounts ‘falconetti’ en ‘pietpiraat’ toegeschreven. [verdachte 19] heeft zich ter zitting beroepen op zijn zwijgrecht.
Het Encrochat-account ‘falconetti’ is bij andere Encrochat-gebruikers opgeslagen als ‘tedteretedketed’, ‘teddie’ en ‘ [verdachte 19] Bolle’. Deze namen kunnen wijzen op (verbasteringen van) de naam [verdachte 19] .
Vanaf 9 april 2020 is er contact tussen de accounts ‘don-pedro’ ( [verdachte 6] ) en ‘blondesmurf’ (o.a. [betrokkene 16] ). ‘Don-pedro’ stuurde naar ‘blondesmurf’: “ [verdachte 19] appt je komt eraan”, waarop ‘blondesmurf’ reageerde met: “Ja heb hem”.
Conclusie
‘Blondesmurf’ had op dat moment al contact met ‘falconetti’, die dit account had opgeslagen als ‘ [verdachte 19] ’.
Op 16 april 2020 vroeg ‘xxxmariokartxxx’ ( [verdachte 9] ) voorts aan ‘falconetti’ een adres voor het laden van dozen. Hierbij gaf ‘falconetti’ het volgende [adres 3] te Den Hoorn. Dit adres is het BRP-adres van [verdachte 19] .
Op 22 april 2020 stuurde ‘falconetti’ verder aan het Encrochat-account ‘kale-boer’ dat “deze er zo uit gaat, van de week komen de nieuwe telfs uit, daar wacht ik op, je kan mij altijd via bolle bereiken”. Op 16 mei 2020 om 10:05 uur stuurde ‘pietpiraat’ het volgende bericht naar ‘don-pedro’: "Annetje ook mij toevoegen". Diezelfde dag stuurde het Encrochat-account ‘don-pedro’ ( [verdachte 6] , bijnaam Bolle) naar ‘blondesmurf’: “dit is [verdachte 19] , pietpiraat”.
Gelet op het voornoemde is de rechtbank is van oordeel dat [verdachte 19] de gebruiker is geweest van de Encrochat-account ‘falconetti’.
Nu ‘falconetti’ aangaf dat dit account eruit ging, dat hij wachtte op een nieuwe telefoon en via ‘bolle’ te bereiken was, rechtvaardigt dat de conclusie dat het account ‘falconetti’ ophield en dat [verdachte 19] te bereiken was via [verdachte 6] . Anders dan de verdediging heeft bepleit, is de rechtbank van oordeel dat het gegeven dat ‘pietpiraat’ een paar weken later aan diezelfde [verdachte 6] vroeg om ‘Annetje’ ook hem toe te laten voegen en [verdachte 6] vervolgens dit account met de naam ‘ [verdachte 19] ’ aan zijn zus, [betrokkene 16] , doorstuurt, voldoende bewijs oplevert dat dit het nieuwe account van [verdachte 19] was. In het dossier is immers geen enkele aanwijzing te vinden dat sprake is van nog een andere ‘ [verdachte 19] ’ met een PGP-telefoon die een connectie is van [verdachte 6] én ‘blondesmurf’. Het was ook juist [verdachte 19] wiens PGP-account ophield te bestaan waarna hij via [verdachte 6] te bereiken was.
De berichten die met deze accounts zijn verstuurd en ontvangen volgen logisch op elkaar en er is verder ook geen enkele aanwijzing dat deze accounts door meerdere personen werden gebruikt. Daarmee oordeelt de rechtbank dat alle berichten van en naar dit account van [verdachte 19] afkomstig en voor hem bestemd waren.
5.5.3
B.1 Verdovende middelen en omkoping (feiten 1, 2, 3 en 5)
5.5.3.1 Juridische kaders voorbereidingshandelingen en medeplegen
De volgende begrippen komen hierna in dit vonnis veelvuldig voor. Daarom zet de rechtbank reeds hier de juridische kaders daarvan uiteen.
Voorbereidingshandelingen
Er is sprake van voorbereidingshandelingen in de zin van artikel 10a van de Opiumwet indien de verdachte opzettelijk (1) een ander tracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen of uit te lokken, om daar daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid middelen of lichtingen te verschaffen (2), zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit tracht te verschaffen, en/of (3) voorwerpen, vervoersmiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft, waarvan hij weet of ernstig moet vermoeden dat deze bestemd zijn tot het plegen van dat feit. Er moet worden beoordeeld of deze handelingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm ten tijde van het handelen dienstig kunnen zijn voor het misdadige doel dat de verdachte met deze handelingen voor ogen had. Een voornemen en/of vraag uitzetten kan al een dergelijke strafbare handeling opleveren indien deze handeling concreet op het doel is gericht.
Medeplegen
Om te kunnen spreken van medeplegen moet er sprake zijn van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met (een) ander(en) bij het plegen van een strafbaar feit en moet de verdachte een bijdrage van voldoende gewicht aan het feit hebben geleverd. De bijdrage van de medepleger kan worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit, maar ook voor of na het plegen van het strafbare feit. Om tot een bewezenverklaring van medeplegen te komen is niet vereist dat de verdachte lijfelijk aanwezig is geweest bij het plegen van het feit. Ook hoeft niet elke medepleger exact op de hoogte te zijn van de bijdrage(n) van de andere medepleger(s). De vraag of er sprake is van medeplegen ziet op de mate waarin door de verdachten is samengewerkt en minder op de vraag wie welke feitelijke handeling heeft verricht. Bij de beoordeling van de vraag of er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking komt waarde toe aan de volgende factoren: de intensiteit van de samenwerking, eventuele taakverdeling, de rol in de voorbereiding, gezamenlijke uitvoering en afhandeling van het delict en het belang van die rol, het zich niet terugtrekken op daarvoor geëigende tijdstippen en de aanwezigheid op de beslissende momenten.
5.5.3.2 Duiding van chatberichten
Door de verdediging is betoogd dat op basis van het procesdossier geen eenduidige betekenis kan worden gegeven aan veelvoorkomende termen, afkortingen en benamingen uit de chatgesprekken. De inhoud van de chatgesprekken is daarmee te onduidelijk om de conclusie te dragen dat de gesprekken gingen over (het voorbereiden van) de handel in en/of productie van verdovende middelen.
De rechtbank stelt vast dat in de chatgesprekken regelmatig afkortingen of versluierd taalgebruik worden gebruikt. Het betreffen afkortingen die kunnen duiden op verdovende middelen, kwaliteitsaanduidingen voor verdovende middelen, de productie van synthetische verdovende middelen, maar ook termen die personen aanduiden.
De politie heeft op basis van openbaar toegankelijke bronnen, feiten van algemene bekendheid en onderzoek naar prijzen van verdovende middelen en (pre)precursoren duiding gegeven aan verschillende termen en begrippen die in de chatgesprekken zijn gebruikt. De rechtbank verenigt zich met die uitleg van de politie. Zo is deze duiding in lijn met hetgeen de rechtbank ambtshalve bekend is geworden uit andere Opiumwetzaken. Daarbij komt dat deze duiding doorgaans past bij de context van de gevoerde gesprekken en de samenhang tussen chatberichten en afbeeldingen die bij sommige chatberichten zijn verstuurd. [verdachte 1] en [verdachte 3] hebben ter terechtzitting een deel van deze duiding ook bevestigd, te weten dat ‘tp’ staat voor transport, ‘pap’ voor geld, ‘bruin’ voor heroïne en ‘m’ voor MDMA. [verdachte 1] heeft voorts verklaard dat met “streep” een douaneambtenaar of havenmedewerker wordt bedoeld. Uit de context van sommige chatgesprekken kan voorts worden afgeleid dat met “strepen” ook - zoals de politie ook concludeert - de kwaliteit van de verdovende middelen wordt aangeduid.
Aanwijzingen dat in de chatberichten over andere zaken werd gesproken dan de handel in of het bereiden van (synthetische/hard) drugs ontbreken vrijwel volledig in het dossier. Bovendien hebben de verschillende verdachten zich over de inhoud van de chatberichten veelal beroepen op hun zwijgrecht, hetgeen voor de rechtbank geen aanleiding geeft om een andere betekenis toe te kennen aan die inhoud dan de meest voor hand liggende. Dat neemt niet weg dat de rechtbank per hierna te bespreken zaaksdossier steeds zal beoordelen of die meest voor de hand liggende betekenis op basis van de (context van de) chatberichten ook echt kan worden aangenomen.
Conclusie
5.5.3.3 Verklaringen [verdachte 1]
Bemiddelaar
heeft bij de politie en ter terechtzitting verklaard dat hij zelf niet in drugs heeft gehandeld, maar dat hij enkel bemiddeld heeft bij conflicten. Zo zouden groeperingen uit Nederland bij elkaar zijn gekomen om niet-gewelddadige oplossingen te vinden voor conflicten in het criminele (drugs)milieu. [verdachte 1] werd samen met drie anderen gevraagd om te bemiddelen. Hij zocht uit wat het probleem was, ging informeren bij andere mensen wat de regels waren en hoe alles werkte en koppelde dat terug. Verder heeft hij wel eens mensen met elkaar in contact gebracht en geadviseerd.
Omdat hij scheidsrechter was, kon hij niet meeconcurreren en hij was dus zelf niet actief in de drugshandel, aldus [verdachte 1] .
Nog afgezien van de vraag of het bemiddelen bij conflicten in het criminele (drugs)milieu zelf al geen strafbare handelingen oplevert, stelt de rechtbank vast dat de verklaring van [verdachte 1] nauwelijks concreet is onderbouwd. Zo heeft [verdachte 1] geen namen willen noemen en heeft hij weinig concrete informatie gegeven over de bemiddelingen. Dit maakt het lastig voor de rechtbank de verklaring te toetsen. In het dossier zijn voor deze verklaring van [verdachte 1] verder ook geen aanwijzingen te vinden. Weliswaar zijn er enkele chatberichten die erop duiden dat [verdachte 1] wel eens gevraagd is iets op lossen of waarin hij advies geeft, maar van een scheidsrechtersrol in de (inter)nationale drugshandel blijkt niets. Uit de chatberichten in combinatie met observaties en getuigenverklaringen komt een beeld naar voren waarin [verdachte 1] veelvuldig bezig is met (hard)drugshandel. Zo gaan de chatberichten over de in- en uitvoer en verkoop van (hard)drugs en het transporteren daarvan. [verdachte 1] wordt door verschillende personen benaderd en hij zoekt ook zelf actief contact met anderen. De rechtbank zal hierna bij de afzonderlijke zaaksdossiers op basis van de beschikbare bewijsmiddelen verder uiteenzetten wat de rol van [verdachte 1] precies is geweest, of in die zaaksdossiers sprake is van strafbare feiten en zo ja welke.
Ik-vorm en meepraten
[verdachte 1] heeft verder verklaard dat hij vaak in de ik-vorm sprak, maar dat dat niet betekende dat het daadwerkelijk over hem ging. Dus als hij bijvoorbeeld een bericht stuurde over “mijn blokken” of “onze spullen”, ging het niet over zaken die van hem waren. Hij voelde zich soms verantwoordelijk voor zaken die niet van hem waren of was het makkelijker om in de ik-vorm te praten. Ook heeft [verdachte 1] verklaard dat hij veel chatberichten ontving en dan uit nieuwsgierigheid maar wat meepraatte.
De rechtbank stelt voorop dat bij de afzonderlijke zaaksdossiers steeds zal worden bezien of de chatberichten en/of OVC-gesprekken in de context voldoende duidelijk zijn en vaststellen wat daar uit kan worden afgeleid. In zijn algemeenheid acht de rechtbank de verklaring van [verdachte 1] evenwel volkomen onaannemelijk. Daar waar de gesprekken gaan over verdovende middelen, zou het voor de andere partij bijzonder onhandig zijn als diegene denkt dat iets van [verdachte 1] is, terwijl dat niet zo is. Er worden ook concrete deals en mogelijkheden voor transporten besproken. In geen enkel chatbericht of gesprek is terug te lezen dat iemand [verdachte 1] berichtte dat het niet klopte dat iets van [verdachte 1] was of dat er verwarring ontstond over wie nou verantwoordelijk was voor gemaakte afspraken of partijen. Dat zou je wel verwachten als de rechtbank de verklaring van [verdachte 1] zou volgen. Dat zou eveneens het geval zijn indien [verdachte 1] maar wat meepraatte uit nieuwsgierigheid. De rechtbank vindt ook voor deze verklaring van [verdachte 1] geen enkel aanknopingspunt in het dossier. De chatberichten/gesprekken zijn (doorgaans) heel concreet en duidelijk, waarbij geen verwarring ontstond bij de wederpartij of gebleken is dat [verdachte 1] eigenlijk niets wilde, maar enkel nieuwsgierig was.