Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-09-28
ECLI:NL:RBDHA:2023:14894
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,112 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.17577
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. P.R. Klaver),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. C.W.M. van Breda).
Procesverloop
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 22 september 2023 op zitting behandeld in Breda. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Overwegingen
1. Allereerst is in geschil of verweerder eisers asielaanvraag terecht heeft afgewezen als kennelijk ongegrond.
2. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij in 2008 Gambia heeft verlaten vanwege de sociaaleconomische omstandigheden. Daarnaast kan hij niet terugkeren naar Gambia omdat hij daar geen medische zorg krijgt voor zijn klachten aan zijn voeten.
3. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat de economische situatie in Gambia niet te herleiden is tot één van de gronden voor verlening van een asielvergunning. Dat de politieke en maatschappelijke situatie in Gambia afwijkt van die in Nederland, betekent nog niet dat eiser persoonlijk te vrezen heeft voor vervolging of ernstige schade. Verweerder heeft in het bestreden besluit dan ook voldoende gereageerd op de zienswijze.
4. Verder is in geschil of verweerder terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser uitstel van vertrek te verlenen om medische redenen. Verweerder beoordeelt dit ambtshalve bij een eerste asielaanvraag.Uitstel van vertrek kan worden verleend aan de vreemdeling die om medische redenen niet kan reizen of die door terugkeer in een medische noodsituatie terechtkomt. Het ligt daarbij op de weg van de vreemdeling om medische klachten te onderbouwen met stukken.
5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat uit de door eiser overgelegde stukken van 15 mei 2023 niet is gebleken dat eiser momenteel onder behandeling staat van een medisch specialist voor zijn voeten. Daaruit blijkt immers dat eiser zijn laatste afspraak, die hij overigens heeft gemist, op 13 december 2022 heeft gehad. Uit de stukken blijkt verder dat de behandelaar op 6 december 2022 geen aanleiding meer zag voor verdere afspraken. Dat eiser nu bij de podotherapeut loopt, leidt niet tot een ander oordeel omdat dit geen medisch specialist is.
6. Verder heeft eiser aangevoerd dat medisch noodzakelijke behandeling voor hem in Gambia niet toegankelijk is. Ook hiervoor geldt een onderbouwingsplicht.
7. De rechtbank stelt vast dat eiser zijn stelling dat de medische zorg in Gambia niet beschikbaar, bereikbaar en toegankelijk is, niet heeft gemotiveerd. Eiser heeft niet aangetoond dat hij in Gambia voor zijn behandeling moet betalen. Daarnaast heeft eiser niet onderbouwd dat, voor zover hiervan sprake is, hij niet kan beschikken over inkomen of vermogen om de benodigde behandeling te bekostigen. De beroepsgrond slaagt dan ook niet.
8. Tot slot betwist eiser de juistheid van het inreisverbod en het terugkeerbesluit. Eiser heeft zijn stelling echter niet onderbouwd. De beroepsgrond treft dus geen doel.
9. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 22 september 2023 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. Ż.A. Meinert, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.
Op grond van artikel 6.1e, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000.
Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 september 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:262) en van 29 maart 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:984).