Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-08-15
ECLI:NL:RBDHA:2023:14878
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,197 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL23.21283
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. J.W.F. Menick),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, (gemachtigde: mr. S. Vreugdehil-Brock).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De staatssecretaris heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 17 juli 2023 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 8 augustus 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, T. Slimane als tolk en de gemachtigde van de staatssecretaris.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de staatssecretaris een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.1 In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek aanvaard.
1. Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Persoonlijke omstandigheden
5. Eiser heeft ter zitting gesteld de verantwoordelijkheid van Duitsland niet langer te bestrijden. Eiser voert aan dat Nederland wegens zijn persoonlijke omstandigheden de aanvraag aan zich had moet trekken. Hij heeft verslavingsproblematiek en wil worden geholpen om van zijn verslaving af te komen. In Duitsland heeft hij geen hulp hiervoor gehad. Verder heeft eiser door de gebeurtenissen in zijn leven psychische problemen gekregen, kan hij niet terug naar Algerije en wil hij in Nederland een toekomst opbouwen. De staatssecretaris had hierin aanleiding moeten zien om zijn asielaanvraag in behandeling te nemen.
6. De rechtbank oordeelt als volgt. Eiser heeft zijn psychische problemen of verslavingsproblematiek niet met documenten onderbouwd of anderszins aannemelijk gemaakt. Eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat hij in Duitsland geen hulp heeft gehad voor zijn gestelde verslaving, of dat Nederland het meest aangewezen land is om hem te behandelen. Dat eiser in Nederland een toekomst wil opbouwen is niet relevant voor de bepaling van de verantwoordelijke lidstaat. Eiser kan zijn asielmotieven met betrekking tot Algerije in Duitsland aanvoeren. De beroepsgrond slaagt niet. Van een gebrek in de motivering is geen sprake.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J.M. Mol, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Valk, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
15 augustus 2023
Documentcode: [documentcode]
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.