Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-09-26
ECLI:NL:RBDHA:2023:14772
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
729 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.20867
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. L. Sinoo),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. S. Imani).
Procesverloop
Bij besluit van 17 juli 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 22 september 2023 op zitting behandeld in Breda. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Overwegingen
1. Niet in geschil is dat Duitsland in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers verzoek om internationale bescherming. In geschil is of verweerder de verantwoordelijkheid voor de behandeling van eisers asielaanvraag aan zich had moeten trekken.
2. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat in het geval van eiser geen sprake is van bijzondere individuele omstandigheden op grond waarvan verweerder de asielaanvraag van eiser in behandeling zou moeten nemen. Verweerder stelt daarbij terecht dat eiser zijn relatie met de Nederlandse vrouw [naam vrouw] onvoldoende heeft onderbouwd met stukken. De bij de beroepsgronden gevoegde afdruk van haar identiteitskaart zegt onvoldoende over de gestelde aard en duur van de relatie. Verder is van belang dat eiser zelf heeft verklaard dat hij en Marlin elkaar online hebben ontmoet en pas in Nederland voor het eerst fysiek hebben gezien. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat overdracht van eiser aan Duitsland niet van onevenredige hardheid getuigt.
3. Het beroep van eiser is ongegrond.
4. Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 22 september 2023 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. S.C. Spruijt, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.
Op grond van artikel 17 van de Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening).