Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-07-06
ECLI:NL:RBDHA:2023:14730
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,571 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 22/7814
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 juli 2023 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
(gemachtigde: mr. A. Aïssal),
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder
(gemachtigde: mr. R. Kross).
Procesverloop
Bij besluit van 24 juni 2022 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag voor een urgentieverklaring van eiser afgewezen.
Bij besluit van 1 november 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 13 juni 2023 middels een videoverbinding. Eiser en zijn gemachtigde waren aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Wat heeft verweerder besloten?
1. Verweerder heeft de aanvraag voor een urgentieverklaring van eiser afgewezen, omdat er volgens verweerder sprake is van een huisvestingsprobleem dat kon worden voorkomen of was te voorzien.
Wat vindt eiser in beroep?
2. Eiser geeft aan dat hij door omstandigheden genoodzaakt is geweest zijn woning te verkopen en er alles aan heeft gedaan om een nieuwe woning te vinden. Verweerder heeft bij het bestreden besluit onvoldoende gewicht toegekend aan de belangen van de kinderen van eiser. Ook heeft verweerder ten onrechte de hardheidsclausule niet toegepast. Tot slot is het bestreden besluit in strijd met het evenredigheidsbeginsel.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
3. Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat verweerder bij zijn bevoegdheid tot het toekennen van een urgentieverklaring beoordelings- en beleidsvrijheid toekomt. De rechtbank moet het bestreden besluit daarom terughoudend toetsen. De hoogste bestuursrechter heeft geoordeeld dat het restrictieve beleid van verweerder met betrekking tot urgentieverklaringen niet onredelijk is, gelet op het grote aantal aanvragen voor een urgentieverklaring en het in verhouding daarmee geringe aantal woningen dat beschikbaar is.
Heeft verweerder de aanvraag terecht afgewezen?
4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de aanvraag van eiser terecht heeft afgewezen, omdat er sprake is van een huisvestingsprobleem dat kon worden voorkomen of was te voorzien. Eiser heeft zijn woning verkocht en is met de nieuwe eigenaar overeengekomen dat hij de woning nog 6 maanden mocht huren. Dat betekent dat eiser een huurovereenkomst voor bepaalde tijd is aangegaan, waardoor was te voorzien dat hij de woning moest verlaten. Verweerder hoeft in een dergelijke situatie geen urgentieverklaring te verstrekken. Het betoog van eiser slaagt niet.
Had verweerder de hardheidsclausule toe moeten passen?
5. Verweerder voert het zeer terughoudende beleid dat toepassing van de hardheidsclausule met name is bedoeld voor uitzonderlijke en schrijnende gevallen wegens het tekort aan sociale huurwoningen en de vele woningzoekenden in de regio Haaglanden. Hoewel de rechtbank begrijpt dat de situatie voor eiser en zijn kinderen dringend is, onderscheidt hij zich onvoldoende van anderen die zich in een soortgelijke situatie bevinden. Bovendien heeft verweerder de belangen van de kinderen van eiser voldoende meegewogen. Het recht op familie- en gezinsleven van artikel 8 van het EVRM houdt geen recht op woonruimte in. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat de door eiser genoemde omstandigheden niet leiden tot onbillijkheden van overwegende aard waardoor verweerder gehouden was om, in afwijking van het beleid, alsnog een urgentieverklaring aan eiser te verstrekken. Ook het beroep van eiser op het evenredigheidsbeginsel slaagt daarom niet.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Verweerder hoeft de kosten die eiser heeft gemaakt voor deze procedure niet te vergoeden.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, rechter, in aanwezigheid van mr. J.F. Janmaat, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 4:5, aanhef en onder d, van de Huisvestingsverordening Den Haag 2019 (de Huisvestingsverordening).
Eiser doet een beroep op artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 maart 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:628).
Artikel 4:5, aanhef en onder d, van de Huisvestingsverordening.
Artikel 2.1.4, aanhef en onder f, van de Beleidsregel urgentieverklaringen Den Haag 2019 (de beleidsregel).
Zie artikel 7:3 van de Huisvestingsverordening, gelezen in samenhang met artikel 4:1, eerste lid, van de Beleidsregel.
Zie het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 18 januari 2001, Chapman tegen het Verenigd Koninkrijk (ECLI:CE:ECHR:2001:0118JUD002723895).