Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-09-27
ECLI:NL:RBDHA:2023:14713
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,308 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/119, 23/1684 en 23/1688
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 september 2023 in de zaak tussen
[eiser 1] ,
[eiser 2] ,
[eiser 3]
, uit Iran, eisers
(gemachtigde: mr. M. Wiersma),
en
de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder,
(gemachtigde: mr. L.H.T. Geuzendam).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen het niet in behandeling nemen van hun aanvraag voor een Nederlands paspoort.
1.1
Bij besluiten van 29 november 2021 en 25 januari 2022 (de primaire besluiten) heeft verweerder geweigerd de aanvragen voor een Nederlands paspoort van eisers in behandeling te nemen (lees: af te wijzen). Bij besluit van 24 november 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eisers tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard.
1.2
Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
1.3
De zitting was op 19 september 2023 met behulp van een beeldverbinding. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
Beoordeling
Wat heeft verweerder besloten?
2. Verweerder heeft de aanvragen voor een Nederlands paspoort van eisers niet in behandeling genomen. De reden daarvoor is dat [eiser 1] en [eiser 2] het Nederlanderschap op 15 oktober 2019 respectievelijk 12 augustus 2020 zouden hebben verloren, waardoor hun destijds minderjarige zoon [eiser 3] eveneens het Nederlanderschap zou hebben verloren.
Wat vinden eisers in beroep?
3. Eisers stellen dat het verlies van het Nederlanderschap onevenredige gevolgen voor hen heeft, omdat [eiser 1] en [eiser 2] het Unieburgerschap nodig hebben om hun in Europa studerende kinderen te bezoeken en [eiser 3] al vóór het verlies van het Nederlanderschap het voornemen had om in Europa te gaan studeren.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eisers tevens de Iraanse nationaliteit hebben en dat [eiser 1] en [eiser 2] op 15 oktober 2019 respectievelijk 12 augustus 2020 gedurende 10 jaar onafgebroken woonachtig waren in Iran. Dat betekent dat aan de toepassingsvoorwaarden zoals ten tijde van het bestreden besluit geformuleerd in artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, van de RWN, is voldaan en [eiser 1] en [eiser 2] het Nederlanderschap in beginsel hebben verloren. Verder betekent dat, dat [eiser 3] – als destijds minderjarige zoon – op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, van de RWN het Nederlanderschap in beginsel ook heeft verloren op 12 augustus 2020.
5. Tussen partijen is in geschil of het verlies van de Nederlandse nationaliteit in het geval van eisers de evenredigheidstoets doorstaat zoals die voortvloeit uit de uitspraak van het Europees Hof van Justitie in de zaak Tjebbes e.a. Het Hof oordeelde dat de verliesgrond zoals vastgelegd in artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, van de RWN niet principieel in strijd is met het Unierecht, maar dat het wel mogelijk moet zijn om achteraf de proportionaliteit van het mogelijke verlies te toetsen in het licht van het Europese recht. Het Hof overwoog onder meer dat met name relevant kan zijn het feit dat de betrokkene door het verlies van rechtswege van het Nederlanderschap en van het Unieburgerschap zou worden geconfronteerd met beperkingen in de uitoefening van zijn recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten, wat in voorkomend geval leidt tot bijzondere moeilijkheden om zich naar Nederland of een andere lidstaat te blijven begeven om daar zijn beroepsactiviteiten te verrichten of de noodzakelijke stappen te ondernemen om er dergelijke activiteiten te verrichten.
6.1
De hoogste bestuursrechter heeft beslist dat het peilmoment waarop dient te worden getoetst aan het evenredigheidsbeginsel het moment van het verlies van het Nederlanderschap is. Ook besliste de hoogste bestuursrechter dat slechts feiten en omstandigheden die verband houden met rechten voortvloeiend uit het Europees burgerschap relevant zijn voor de evenredigheidstoets. Bij de beoordeling moeten niet alleen de gevolgen van het verlies van het Nederlanderschap die zich op het peilmoment reeds hebben gemanifesteerd worden betrokken, maar ook de gevolgen die op dat moment redelijkerwijze voorzienbaar waren. Gevolgen die op het peilmoment hypothetisch zijn of waarvan niet vaststaat dat die zich voor zullen doen, hoeven niet in de beoordeling te worden betrokken. Het is daarom aan de betrokkene om concreet te onderbouwen dat op het moment van het verlies van het Nederlanderschap redelijkerwijs voorzienbaar was dat hij zijn met het Unieburgerschap gepaard gaande rechten of verplichtingen uit zou gaan oefenen.
6.2
De rechtbank is van oordeel dat verweerder de evenredigheidstoets met betrekking tot [eiser 1] en [eiser 2] juist heeft verricht. De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) heeft in dit kader advies uitgebracht aan verweerder. Dat [eiser 1] en [eiser 2] op het moment van het verlies van het Nederlanderschap (15 oktober 2019 respectievelijk 12 augustus 2020) gebruik maakten van hun aan het Unieburgerschap verbonden rechten, is niet door hen gesteld en ook niet gebleken. De rechtbank volgt eisers niet in hun betoog dat zij het Unieburgerschap nodig hebben om hun in Europa studerende kinderen te bezoeken, omdat niet valt in te zien dat een toeristenvisum daar niet voor zou volstaan. Het betoog slaagt niet.
6.3
De rechtbank is van oordeel dat verweerder de evenredigheidstoets ook met betrekking tot [eiser 3] juist heeft verricht. De rechtbank heeft niet vast kunnen stellen dat het voornemen van [eiser 3] om in een lidstaat van de Europese Unie te gaan studeren op het peilmoment – 12 augustus 2020 – meer dan hypothetisch was. Het gegeven dat [eiser 3] op 8 september 2021 een Nederlands paspoort heeft aangevraagd kan, anders dan door eisers ter zitting is betoogd, hierbij niet in aanmerking worden genomen, omdat die aanvraag na het peilmoment is gedaan. De stelling van [eiser 3] dat hij op het peilmoment op korte termijn voor dienstplicht in aanmerking kwam en dat hij voornemens was deze te ontlopen door, net als zijn zus, in Nederland te gaan studeren, vormt geen voldoende concreet voornemen. De door eisers overgelegde email van mw. [naam] van 24 juli 2022, waarin zij aangeeft dat de ouders van [eiser 3] contact met haar hebben gehad over een mogelijke studiekeuze en studentenkamer, maakt dat niet anders. De rechtbank volgt de redenatie van de IND dat [eiser 3] niet nader heeft gespecificeerd welke studie hij waar en wanneer wilde gaan volgen of welke concrete voorbereidende stappen hij daarvoor heeft ondernomen. Eisers hebben verweerder desgevraagd enkel toegelicht dat hij graag ICT of bouwkunde wilde gaan studeren. Verweerder heeft hieruit mogen concluderen dat het voornemen van [eiser 3] op het peilmoment niet meer dan hypothetisch was. Ook dit betoog slaagt niet.
7. Het beroep is ongegrond. Verweerder hoeft de kosten die eisers hebben gemaakt voor deze procedure niet te vergoeden.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Nooijen, rechter, in aanwezigheid van mr. J.F. Janmaat, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 september 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN).
Op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, van de RWN.
Uitspraak van 12 maart 2019, C-221/17 (ECLI:EU:C:2019:189).
Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 februari 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:423).