Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-09-28
ECLI:NL:RBDHA:2023:14573
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,284 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.28928
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser,
geboren op [geboortedatum] ,
van Tunesische nationaliteit,
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris,
(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).
Procesverloop
De staatssecretaris heeft op 17 april 2023 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De staatssecretaris heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
De rechtbank heeft het beroep op 22 september 2023 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
Overwegingen
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al driemaal eerder heeft getoetst. Uit de meest recente uitspraak van 24 augustus 2023 (in de zaak NL23.22722) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 18 augustus 2023 de maatregel van bewaring rechtmatig is.
3. Eiser acht het belangrijk dat er kritisch naar de voortduring van zijn inbewaringstelling wordt gekeken. Eiser wil vertrekken met behulp van het IOM maar de uitvoering daarvan valt hem zwaar.
4. De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser werkt. De staatssecretaris heeft sinds het sluiten van het vorige onderzoek op 23 augustus 2023 een vertrekgesprek met eiser gevoerd en op 1 september 2023 gerappelleerd op de laissez-passer (lp) aanvraag. Daarnaast is op 19 september 2023 nogmaals gepoogd een vertrekgesprek met eiser te voeren, maar heeft eiser toen geweigerd te verschijnen. Verder heeft DIA op 28 augustus 2023 bij de Tunesische vertegenwoordiging aangegeven dat eiser vrijwillig terug wil keren met behulp van het IOM en dat eiser mee wil werken aan een presentatie in persoon. De rechtbank acht deze gang van zaken voldoende voortvarend.
5. De rechtbank is verder van oordeel dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Tunesië in het algemeen niet ontbreekt. Van eiser mag worden verwacht dat hij actief en volledig meewerkt aan zijn uitzetting. Uit het proces-verbaal van bevindingen van 14 september 2023 blijkt dat eiser heeft geweigerd medewerking te verrichten aan de afname van zijn vingerafdrukken, terwijl hij eerder had aangegeven hier vrijwillig aan te zullen meewerken. Ook is eiser niet verschenen bij het op 19 september 2023 geplande vertrekgesprek. Door deze manier van handelen belemmert eiser zijn uitzetting. In beginsel is daarmee het zicht op uitzetting al gegeven. Het komt voor rekening en risico van eiser dat de bewaring voortduurt, omdat hij niet aan zijn meewerkplicht voldoet. De rechtbank overweegt verder dat de lp-aanvraag in behandeling is en dat niet is gebleken dat door de autoriteiten van Tunesië in het algemeen of voor eiser in het bijzonder geen lp zal worden afgegeven. Daarnaast overweegt de rechtbank dat de omstandigheid dat eiser zich heeft ingeschreven bij het IOM, niet maakt dat er op eiser geen verplichting meer rust om mee te werken aan het gedwongen terugkeertraject.
6. De rechtbank ziet ook voor het overige geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring in de periode tussen het sluiten van het vorige onderzoek en het sluiten van het onderhavige onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, rechter, in aanwezigheid van mr. V. Vegter, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.