Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-09-26
ECLI:NL:RBDHA:2023:14386
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,799 tokens
Inleiding
Rechtbank DEN HAAG
Team bestuursrecht
zaaknummer: SGR 22/6290
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 september 2023 in de zaak tussen
[eiseres], te [plaats], eiseres
en
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het herhaalde verzoek van eiseres om kwijtschelding van (een gedeelte van) de aanvullende beurs.
1.1
De rechtbank heeft het beroep op 14 maart 2023 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en
mr. G.J.M. Naber namens verweerder. De rechtbank heeft de behandeling ter zitting vervolgens geschorst.
1.2
De voortzetting van het onderzoek ter zitting heeft met behulp van een beeldverbinding plaatsgevonden op 15 augustus 2023. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en mr. [naam] namens verweerder.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres heeft in het verleden studiefinanciering ontvangen. Daaruit is een studieschuld ontstaan.
3. Met een op Mijn DUO geplaatst bericht van 17 oktober 2015 heeft verweerder eiseres meegedeeld dat zij een aanvraag kan indienen voor kwijtschelding van (een gedeelte van) de aanvullende beurs die deel uitmaakt van haar studieschuld. Daarbij is vermeld dat de aanvraag vóór 31 december 2016 moet zijn ingediend. Eiseres heeft de betreffende aanvraag op 9 november 2017 ingediend, omdat zij toen pas op de hoogte is geraakt van het bericht van 17 oktober 2015. Bij besluit van 27 november 2017 (het oorspronkelijke besluit), gehandhaafd na bezwaar bij besluit van 27 februari 2018, heeft verweerder de aanvraag van eiseres afgewezen omdat eiseres de aanvraag niet tijdig heeft ingediend. Hiertegen heeft eiseres geen verdere rechtsmiddelen aangewend.
4. Op 28 februari 2022 heeft eiseres, onder verwijzing naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 9 september 2021, wederom verzocht om kwijtschelding van (een gedeelte van) de aanvullende beurs, omdat volgens haar uit die uitspraak volgt dat het burgers niet altijd kan worden verweten dat een elektronisch verstuurd bericht niet tijdig wordt gelezen. Bij besluit van 20 mei 2022, gehandhaafd na bezwaar bij besluit van 24 augustus 2022 (het bestreden besluit), heeft verweerder het herhaalde verzoek van eiseres afgewezen, omdat niet is gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden (nova) en het oorspronkelijke besluit niet evident onredelijk is.
Wat vindt eiseres in beroep?
5. Eiseres vindt het niet redelijk dat haar aanvraag om kwijtschelding van (een gedeelte van) de aanvullende beurs is afgewezen en stelt dat sprake is van nova.
Toetsingskader
6. Het verzoek van eiseres van 28 februari 2022 strekt ertoe dat verweerder terugkomt van het oorspronkelijke besluit, waarbij het verzoek van eiseres om kwijtschelding van (een gedeelte van) de aanvullende beurs is afgewezen wegens termijnoverschrijding. Verweerder heeft dit verzoek afgewezen omdat niet is gebleken van nova en heeft zo toepassing gegeven aan artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nova zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is.
7. Onder nova worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het oorspronkelijke besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het oorspronkelijke besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd. De aanvrager dient uiterlijk in de bezwaarfase nova naar voren te brengen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
8. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat eiseres bij haar verzoek om terug te komen van het oorspronkelijke besluit geen nova heeft vermeld als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Het is immers vaste jurisprudentie van de CRvB dat totstandkoming van verandering van rechtspraak niet kan worden aangemerkt als nova als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Met de door eiseres in beroep aangevoerde gronden kan de rechtbank geen rekening houden, omdat nova immers al bij de aanvraag of uiterlijk in bezwaar moeten worden aangevoerd. Verweerder heeft het herhaalde verzoek van eiseres dan ook in zoverre terecht afgewezen.
9. De rechtbank ziet in hetgeen eiseres heeft aangevoerd echter grond voor het oordeel dat (het gevolg van) de weigering om van het oorspronkelijke besluit terug te komen, evident onredelijk is. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
10. Vaststaat dat eiseres in de periode van 19 september 2013 tot 6 april 2017 de wettelijke schuldsaneringsregeling in het kader van de Wet schuldsanering natuurlijke personen (WSNP) heeft doorlopen. Dit betekent dat er een WSNP-bewindvoerder was benoemd die er op toezag dat eiseres haar verplichtingen uit de schuldsanering nakwam en die het aanspreekpunt was voor haar schuldeisers. Verder was er gedurende dertien maanden sprake van een postblokkade, hetgeen betekende dat de post van eiseres naar de WSNP-bewindvoerder ging. Eiseres heeft onweersproken gesteld dat zij verweerder al bij aanvang van het WSNP-traject in 2013 hiervan op de hoogte heeft gesteld en verweerder erop heeft gewezen dat zij in verband met een postblokkade geen post kan ontvangen. Verweerder heeft in reactie hierop aangegeven dat het inningstraject voor de studieschuld gedurende het WSNP-traject tijdelijk wordt onderbroken en dat verweerder haar na afloop van het WSNP-traject weer zou berichten. Gelet hierop verkeerde eiseres terecht in de veronderstelling dat verweerder pas na afloop van het WSNP-traject weer met haar zou communiceren. Verweerder heeft er echter voor gekozen om, tijdens het WSNP-traject, op 17 oktober 2015 een bericht te plaatsen op Mijn DUO en eiseres op die manier te informeren over het kwijtschelden van (een gedeelte van) de aanvullende beurs die deel uitmaakt van haar studieschuld. Dit terwijl verweerder had toegezegd de communicatie omtrent de studieschuld van eiseres pas weer op te starten na afronding van het WSNP-traject.
11. Pas na afronding van het WSNP-traject is eiseres op 9 november 2017 op de hoogte geraakt van het bericht van 17 oktober 2015, nadat zij kort daarvoor van verweerder per post een brief ontving over het opnieuw opstarten van het inningstraject van haar studieschuld (fysieke brief) en besloot in te loggen op Mijn DUO. Verweerder stelt dat hij het bericht van 17 oktober 2015 op Mijn DUO heeft mogen plaatsen, omdat eiseres in 2013 heeft gekozen voor digitale bekendmaking van berichten. Dit betekent volgens verweerder dat de berichten niet meer via de normale post worden verzonden maar op Mijn DUO worden geplaatst. Volgens verweerder heeft eiseres ook een emailnotificatie ontvangen van de plaatsing van het bericht op Mijn DUO. Eiseres heeft zich in dit verband op het standpunt gesteld dat zij de brieven van verweerder altijd per post ontving, zij ontkent te hebben gekozen voor digitale bekendmaking van berichten en stelt geen emailnotificatie te hebben ontvangen. De rechtbank constateert dat verweerder geen stukken heeft overgelegd waaruit onomstotelijk blijkt dat eiseres gekozen heeft voor digitale bekendmaking van berichten en dat er een emailnotificatie is verzonden naar eiseres van de plaatsing van het bericht op Mijn DUO. De rechtbank stelt verder vast dat verweerder niet heeft betwist dat de hiervoor bedoelde fysieke brief per post is verstuurd naar eiseres, hetgeen de stelling van verweerder onderuit haalt dat alle post van eiseres digitaal werd verstuurd. Zoals in overweging 10. is overwogen, hoefde eiseres er niet op bedacht te zijn dat zij gedurende het WSNP-traject een brief van verweerder zou ontvangen; de communicatie vanuit verweerder was immers tijdelijk stopgezet. In het licht van het voorgaande acht de rechtbank het dan ook niet redelijk dat verweerder ervoor heeft gekozen om het bericht van 17 oktober 2015 (enkel) via plaatsing op Mijn DUO bekend te maken.
12. De rechtbank overweegt verder dat vaststaat dat verweerder ervan op de hoogte was dat eiseres op het moment van plaatsing van het bericht van 17 oktober 2015 een WSNP-bewindvoerder had. De rechtbank is van oordeel dat het in dit specifieke geval op de weg van verweerder had gelegen om ook de WSNP-bewindvoerder te berichten.
Conclusie
16. Het beroep is gegrond. Gelet hierop is er aanleiding te bepalen dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 50 en de proceskosten vergoedt. De hoogte van de proceskostenvergoeding stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 597
(1 punt voor het indienen van bezwaar, met een waarde per punt van € 597 en een wegingsfactor 1).
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op
het herhaalde verzoek van eiseres, binnen een termijn van zes weken na de dag van
verzending van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 597;
- draagt verweerder op het door eiseres betaalde griffierecht van € 50 aan haar te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.H. van der Poort-Schoenmakers, rechter, in aanwezigheid van mr. H.J. Habetian, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 september 2023.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie in dit verband artikel 12f van het Besluit studiefinanciering 2000.
ECLI:NL:CRVB:2021:2174.
ECLI:NL:CRVB:AY4174.
ECLI:NL:CRVB:2007:BB3594.