Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-09-19
ECLI:NL:RBDHA:2023:14321
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,182 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.15347
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiseres], eiseres,
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. R.C. van den Berg),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
(gemachtigde: mr. I. Vugs).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag om afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor het doel ‘verblijf als familie- of gezinslid’ bij haar dochter [referent] (referent).
1.1
Met het bestreden besluit van 26 april 2023 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij zijn eerste besluit gebleven.
1.2
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3
De rechtbank heeft het beroep op 24 augustus 2023 op zitting behandeld te Breda. Hieraan hebben deelgenomen: referent, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder. L. Murad is opgetreden als tolk.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
3. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Waar deze zaak over gaat
4. Eiseres is geboren op [geboortedag] 1949 en heeft de Syrische nationaliteit. Zij wil in Nederland verblijven bij haar meerderjarige dochter die als referent optreedt. Referent is in 2014 vanuit Syrië naar Nederland gekomen en heeft de Nederlandse nationaliteit. In 2020 is de echtgenoot van eiseres overleden. Referent heeft gewacht tot ze een Nederlands paspoort kon krijgen en is toen naar haar moeder in Syrië gereisd. De toestand waarin ze haar moeder aantrof was aanleiding om een verblijfsaanvraag voor haar moeder in te dienen. Sindsdien is de gezondheid van eiseres verslechterd en is ze, ook door het wegvallen van burenhulp, vereenzaamd. Eiseres en referent onderhouden nauw contact en bellen elkaar meermalen per dag. Referent ondersteunt haar moeder financieel en is in Nederland verhuisd naar een grotere woning om haar moeder te kunnen huisvesten. Eiseres heeft geen familie in de buurt die voor haar kan zorgen; ze heeft naast haar dochter in Nederland nog een zoon, die in Zweden woont.
5. De rechtbank stelt vast dat eiseres en verweerder het niet eens zijn over het antwoord op de vraag of de weigering om aan eiseres verblijf toe te staan in strijd is met het recht op respect voor haar gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Bij deze beoordeling is een aantal vragen van belang. Ten eerste moet er beschermenswaardig gezinsleven zijn. Dat is het geval als tussen eiseres en haar dochter sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid. Dit criterium is ontleend aan de rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, bijvoorbeeld in de zaak Onur van 17 februari 2009. Ook als geen sprake is van ‘meer dan gebruikelijke afhankelijkheid’ en dus van beschermenswaardig gezinsleven, moet verweerder een belangenafweging maken waarin alle belangen van de aanvrager enerzijds en de belangen van de Nederlandse Staat anderzijds tegen elkaar worden afgewogen. Eiseres meent dat deze belangenafweging in haar voordeel zou moeten uitvallen; verweerder blijft bij zijn eerder ingenomen standpunt dat dit niet zo is. Ten slotte meent eiseres dat er reden is om met toepassing van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op grond van het evenredigheidsbeginsel af te wijken van het door verweerder gevoerde beleid.
Meer dan gebruikelijke afhankelijkheid
6. Volgens vaste rechtspraak is de vraag of sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid in alle gevallen een vraag van feitelijke aard die afhankelijk is van het daadwerkelijk bestaan van sterke hechte persoonlijke banden. Factoren die bij deze beoordeling een rol kunnen spelen zijn: samenwoning, de mate van emotionele afhankelijkheid, de mate van financiële afhankelijkheid, de gezondheid van betrokkenen en banden met het land van herkomst. Daarnaast mag gewicht worden toegekend aan de vraag of de benodigde zorg exclusief door de referent kan worden gegeven. Geen van deze factoren is op zichzelf doorslaggevend, maar deze factoren moeten per geval en in samenhang worden gewogen. Hierbij mag ook de vraag worden betrokken of de banden zo sterk zijn dat de vreemdeling zonder de referent niet in staat is om zelfstandig te functioneren.
7. Eiseres voert aan dat de staatssecretaris ten onrechte geen meer dan gebruikelijke afhankelijkheid heeft aangenomen tussen haar en haar dochter. Hoewel eiseres en haar dochter al geruime tijd niet samenwonen, onderhouden zij zeer intensief telefonisch contact. Dit contact en de praktische en financiële ondersteuning op afstand zijn intensiever geworden naarmate de gezondheid van eiseres is verslechterd en haar sociale netwerk is weggevallen. Hierbij is van belang dat de echtgenoot van eiseres in 2020 is overleden en de buurvrouw die haar in het verleden heeft geholpen, is verhuisd. Eiseres wijst in dit verband op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 7 juli 2023. Daarin is geoordeeld dat het mogelijk is dat een afhankelijkheidsrelatie zich kan ontwikkelen in de loop van de tijd, bijvoorbeeld doordat de vreemdeling door omstandigheden meer hulpbehoevend is geworden. In haar eigen verklaring, gevoegd bij het bezwaar tegen het primaire besluit, legt eiseres uit dat haar situatie sinds het overlijden van haar echtgenoot is verslechterd en steeds verder achteruit gaat. Zij wijst in dit verband op haar gezondheid, het gebrek aan voorzieningen in Damascus, waar zij woont, en op de algemene onveilige situatie in een land in oorlog.
8. Ten aanzien van de gezinsband heeft verweerder meegewogen dat eiseres al lange tijd niet met referent samenwoont. Referent is in 2000 uit Syrië vertrokken om te werken en zij heeft sinds 2009 haar eigen gezin. Verweerder heeft in zijn besluit de gezondheid van eiseres en het overlijden van haar echtgenoot wel meegewogen, maar hij hecht hier geen doorslaggevend gewicht aan omdat eiseres kennelijk nog wel in staat is om min of meer zelfstandig te functioneren. Eiseres heeft volgens verweerder niet aangetoond dat ze in Syrië geen medische zorg aan huis kan krijgen en ook heeft ze onvoldoende onderbouwd dat er in Syrië geen familieleden zijn op wie ze een beroep zou kunnen doen.
9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom geen sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen eiseres en haar dochter. Verweerder heeft niet kenbaar acht geslagen op de gestelde gegroeide afhankelijkheid van eiseres. De rechtbank volgt hierin de overweging van de hiervoor aangehaalde uitspraak van zittingsplaats Amsterdam en oordeelt dat ook in deze zaak verweerder rekening had moeten houden met de gestelde omstandigheid dat eiseres na verloop van tijd hulpbehoevender is geworden en daarmee afhankelijker van haar dochter. Verweerder heeft in het primair besluit, inmiddels ruim een jaar geleden, mogelijk nog kunnen concluderen dat eiseres min of meer zelfstandig kan functioneren. Niet valt in te zien hoe hij dit standpunt in de daarna door eiseres geschetste situatie nog kan innemen. Deze beroepsgrond slaagt.
Belangenafweging 8 EVRM
10. Bij een beroep op artikel 8 van het EVRM moet verweerder ook altijd een belangenafweging verrichten, waarbij hij alle relevante feiten en omstandigheden moet betrekken. Nu de rechtbank al heeft geoordeeld dat verweerder ten onrechte niet heeft aangenomen dat tussen eiseres en referent sprake is van beschermenswaardig gezinsleven, is er voor deze belangenafweging in deze zaak geen noodzaak meer. De rechtbank zal zich hierover toch uitspreken, omdat het beroep van eiseres ook op dit onderdeel ziet.
11. Op grond van vaste rechtspraak is de rechtbank gehouden om te beoordelen of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken. Als dat het geval is beoordeelt de rechtbank of die afweging heeft geresulteerd in een ‘fair balance’ tussen enerzijds het belang van de vreemdeling bij de uitoefening van het familie- en gezinsleven in Nederland, en anderzijds het algemene belang van de Nederlandse samenleving.
12. Eiseres stelt zich op het standpunt dat verweerder de belangenafweging ten onrechte in haar nadeel heeft laten uitvallen. Er is teveel gewicht toegekend aan het algemene belang en verweerder heeft onvoldoende onderkend dat de situatie van eiseres nu al slecht is en alleen maar verder zal verslechteren. De banden met Syrië zijn relatief, omdat eiseres erg eenzaam is geworden. Haar banden met Nederland zijn sterker door haar frequente contact met haar dochter.
13.
Conclusie
18. Het beroep is gegrond omdat verweerder ten onrechte geen gezinsleven heeft aangenomen tussen eiseres en referent, en omdat hij geen zorgvuldige belangenafweging heeft verricht en het besluit daarom ondeugdelijk heeft gemotiveerd. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Gezien de penibele situatie waarin eiseres zich bevindt geeft de rechtbank verweerder hiervoor zes weken. Deze termijn gaat op grond van artikel 8:106 van de Awb lopen als de termijn om hoger beroep in te stellen is verstreken of, als hoger beroep wordt ingesteld, als daarop is beslist.
19. In de gegrondverklaring van het beroep ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten en om te bepalen dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 184 moet vergoeden. De proceskosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.674 bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift en een punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 837 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1 (gemiddeld).
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
draagt verweerder op binnen zes weken na de dag nadat de termijn om hoger beroep in te stellen ongebruikt is verstreken, of als hoger beroep wordt ingesteld, na de dag waarop daarop is beslist, een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 184 (honderdvierentachtig euro) aan eiseres moet vergoeden;
veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.674 (zestienhonderdvierenzeventig euro) aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. S.S. van der Velde, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
ECLI:CE:ECHR:2009:0217JUD002731907.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:758.
ECLI:NL:RBAMS:2023:5091.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 13 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2006.
In dezelfde zin: de uitspraak van de Afdeling van 4 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1003.