Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-07-07
ECLI:NL:RBDHA:2023:14298
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,857 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.16914
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. M. Gavami),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. mr. J.L.K. Hu).
Procesverloop
In het besluit van 11 november 2020 (primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om verlenging van zijn verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘medische behandeling’ afgewezen.
In het besluit van 10 maart 2021 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen dit besluit beroep (NL21.3699) ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening (NL21.3701) ingediend.
De voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats heeft in de uitspraak van 15 februari 2021 (NL21.3701) bepaalt dat eiser de behandeling van het beroep gericht tegen het besluit van 10 maart 2021 (NL21.3699) in Nederland mag afwachten.
In de brief van 14 juli 2020 heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat hij het besluit van 10 maart 2021 intrekt en er opnieuw op eisers bezwaar beslist zal worden.
In het besluit van 1 augustus 2022 (bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser ingewilligd en de geldigheidsduur van eisers huidige verblijfsvergunning verlengd van 28 april 2021 tot 1 augustus 2023.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 4 juni 2023 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen H. Abdullah. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Waar gaat deze zaak over?
1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1982 en heeft de Sierra Leoonse nationaliteit. Eiser is met ingang van 11 september 2009 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘medische behandeling’. In het besluit van 1 december 2014 heeft verweerder de geldigheidsduur van die verblijfsvergunning verlengd van 11 september 2014 tot 11 september 2019. Eiser heeft op 12 juli 2019 opnieuw een verlengingsaanvraag voor voornoemde verblijfsvergunning ingediend.
2. In het primaire besluit heeft verweerder die aanvraag afgewezen, omdat eiser niet langer aan de voorwaarden voor de verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘medische behandeling’ voldoet. Uit het BMA-advies van 12 juni 2020 en het aanvullend BMA-advies van 19 oktober 2020 blijkt namelijk dat eiser nauwelijks of geen medische klachten meer heeft, dat de behandeling minimaal is en dat er bij het uitblijven van de behandeling geen medische noodsituatie op korte termijn wordt verwacht. In het besluit van 10 maart 2021 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Dit besluit heeft verweerder echter ingetrokken, op die grond dat uit de door eiser op 28 april 2021 ingediende stukken volgt dat sprake is van een actieve medische behandeling en verweerder daarin reden ziet om het BMA opnieuw om advies te vragen. In het bestreden besluit heeft verweerder eisers verlengingsaanvraag ingewilligd met ingang van 28 april 2021 tot 1 augustus 2023, nu eiser vanaf die datum heeft aangetoond aan de voorwaarden van de verblijfsvergunning ‘medische behandeling’ te voldoen. Verweerder heeft het nieuwe BMA-advies van 23 juni 2022 aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd.
Wat vinden partijen in beroep?
3. Eiser vindt dat verweerder ten onrechte de ingangsdatum van (de verlenging van) zijn verblijfsvergunning op 28 april 2021 heeft vastgesteld, nu eiser ook voor 28 april 2021 al voldeed aan de voorwaarden van zijn verblijfsvergunning. Eiser heeft al gedurende de gehele procedure aangevoerd dat hij ziek is en behandeling nodig heeft en dat hij dit zo snel mogelijk met medische informatie zal onderbouwen. Dat eiser de medische informatie pas in beroep heeft overgelegd, is te wijten aan het feit dat verweerder de beslissing op eisers bezwaar relatief snel heeft genomen. Uit de op 28 april 2021 overgelegde medische informatie blijkt dat het feit dat eiser eerder niet behandeld werd, voortkwam uit onjuiste informatie en een gebrek aan mogelijkheden. Daarbij stelt eiser dat de thans door verweerder erkende klachten van eiser van dien aard zijn, dat niet gezegd kan worden dat hij deze klachten na het eerste BMA-advies heeft ontwikkeld.
Wat zijn de regels?
4. Op grond van artikel 26, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), wordt de verblijfsvergunning, die van rechtswege rechtmatig verblijf inhoudt, verleend met ingang van de dag waarop de vreemdeling heeft aangetoond dat hij aan alle voorwaarden voldoet, maar niet eerder dan met ingang van de dag waarop de aanvraag is ontvangen.
5.1
Op grond van artikel 3.46 van het Vreemdelingenbesluit 2000 kan de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verband houdend met het ondergaan van een medische behandeling worden verleend, indien Nederland naar het oordeel van Onze Minister het meest aangewezen land is voor het ondergaan van een noodzakelijke medische behandeling en de financiering van die medische behandeling naar het oordeel van Onze Minister deugdelijk is geregeld.
5.2
Volgens het beleid van verweerder als opgenomen in paragraaf B8/9.1.2. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000), voor zover hier van belang, wordt onder meer aangenomen dat Nederland het meest aangewezen land is voor het ondergaan van een noodzakelijke medische behandeling in de situatie dat:
2.
o a. de vreemdeling verblijft ten minste vijf jaar al dan niet rechtmatig in Nederland;
o b. er is sprake van medische klachten waarvan de behandeling niet in het land van herkomst, of een ander land waar de vreemdeling naar kan vertrekken, kan plaatsvinden;
o c. stopzetting van de medische behandeling veroorzaakt een medische noodsituatie; en
o d. de medische behandeling vindt ten minste één jaar plaats.
3.
o a. de vreemdeling is in Nederland;
o b. er is sprake van medische klachten waarvan de behandeling niet in het land van herkomst of een ander land waar de vreemdeling naar kan vertrekken, kan plaatsvinden;
o c. stopzetting van de medische behandeling veroorzaakt een medische noodsituatie; en
o d. de medische behandeling ter voorkoming van het ontstaan van deze medische noodsituatie zal naar verwachting langer dan één jaar duren.
4.
o a. de vreemdeling verblijft langdurig in Nederland op grond van artikel 8, aanhef en onder a tot en met e, dan wel l, Vw; en
o b. de vreemdeling ondergaat in Nederland een medisch noodzakelijke behandeling.
Ad 4. Onder langdurig verblijf verstaat de IND: verblijf voor een periode van ten minste vijf jaar, waarbij de IND onderbrekingen in het verblijfsrecht van minder dan een half jaar niet tegenwerpt.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen alleen de ingangsdatum van de verblijfsvergunning van eiser in geschil is. Uit vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter volgt dat de tekst van artikel 26, tweede lid, van de Vw 2000, bepalend is voor de uitleg ervan. Dit betekent in deze zaak dat het moment waarop eiser heeft aangetoond dat hij aan alle vereisten voor de verlening van een verblijfsvergunning onder de beperking ‘medische behandeling’ voldoet, bepalend is voor de ingangsdatum van die verblijfsvergunning. In dit geval moet de rechtbank dus beoordelen of verweerder zich in terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser (pas) op 28 april 2021 heeft aangetoond aan de voorwaarden voor vergunningverlening te voldoen. Dit is naar het oordeel van de rechtbank niet het geval. De rechtbank legt in de volgende overwegingen uit hoe zij tot dit oordeel komt.
7. De voorwaarden voor de vergunningverlening aan eiser zijn opgenomen onder 5.2. Ter zitting is discussie ontstaan onder welke van de vier situatie eiser valt. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser ten tijde van het primaire besluit viel onder de voorwaarden van situatie vier en ten tijde van het bestreden besluit onder de voorwaarden van situatie twee of drie, omdat er op dat moment een verblijfsgat was ontstaan. Dit standpunt volgt de rechtbank niet. Immers staat het primaire besluit nog niet in rechte vast - er bestaat nog een geschil over de ingangsdatum van de verleende vergunning - en daarmee staat ook het verblijfsrecht nog niet vast. Er kan dan ook geen verblijfsgat zijn ontstaan nu eiser de aanvraag voor het verstrijken van zijn verblijfsvergunning die ten grondslag ligt aan het primaire besluit tijdig heeft ingediend. De rechtbank stelt vast dat eiser sinds 2009 met een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd - en dus op grond van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 - in Nederland verblijft, wat maakt dat hij voldoet aan voorwaarde 4.a van paragraaf B8/9.1.2. van de Vc 2000. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit dan ook ten onrechte heeft getoetst aan de voorwaarden van situatie twee of drie van paragraaf B8/9.1.2. van de Vc 2000.
8. Om ook te voldoen aan de voorwaarde zoals opgenomen onder 4.b van B8/9.1.2. van de Vc 2000, moet vaststaan dat eiser in Nederland een medisch noodzakelijke behandeling ondergaat. Uit het BMA-advies van 12 juni 2020 volgt naar het oordeel van de rechtbank dat dit het geval is.
Dictum
De rechtbank
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit, voor zover daarin de ingangsdatum van de verblijfsvergunning is bepaald op 28 april 2021;
bepaalt 11 september 2019 als de ingangsdatum van eisers verblijfsvergunning;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.674,-
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, rechter, in aanwezigheid van mr. R.S. Ouertani, griffier.
Dictum
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder f, van de Vreemdelingenwet 2000.
Advies van het Bureau Medische Advisering.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 september 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BB4823 (http://pi.rechtspraak.minjus.nl/deeplink/ecli?id=ECLI:NL:RVS:2007:BB4823).
Met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).